
Jurisprudentie
AD6154
Datum uitspraak2001-06-21
Datum gepubliceerd2001-11-27
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/22777
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-11-27
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/22777
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bewaring / kennisgeving.
Namens de vreemdeling, een Turk, is aangevoerd dat verweerder uiterlijk op 24 mei 2001 een kennisgeving ex artikel 96 had moeten doen uitgaan. Nu verweerder niet heeft gehandeld conform het bepaalde in artikel 96, eerste lid, Vw 2000 verzoekt de gemachtigde van de vreemdeling om toekenning van schadevergoeding met ingang van 25 mei 2001. Verweerder heeft aangevoerd dat vrijdag 25 mei 2001 een landelijk brugdag was en derhalve niet meegeteld dient te worden. De uiterlijke termijn liep derhalve af op maandag 28 mei 2001. Gelet op het feit dat de vreemdeling op 29 mei 2001 zou worden uitgezet heeft verweerder bewust er voor gekozen om geen kennisgeving te doen uitgaan. Verweerder meent dat de vreemdeling niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 1 van de Algemene Termijnenwet wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Aangezien donderdag 24 mei 2001 Hemelvaartsdag was, diende verweerder de kennisgeving ex artikel 96, Vw 2000 uiterlijk vrijdag 25 mei 2001 te doen uitgaan. Het feit dat 25 mei 2001 een landelijk ingestelde brugdag betrof doet naar het oordeel van de rechtbank hieraan niet af. Een brugdag is immers niet gelijk te stellen met een algemeen erkende feestdag en zou onvoldoende kenbaar zijn als de conclusie andersluidend zou zijn. Nu van de zijde van verweerder niet de stelling is ingenomen dat de uitzetting op een oorspronkelijk eerder moment was voorzien maar de eerdere uitzetting niet door is gegaan door een daaraan grondslag liggende gedrag van betrokkene, ziet de rechtbank geen reden tot matiging van de schadevergoeding. De stelling van verweerder dat geen grondslag is voor toekenning van schadevergoeding omdat voor 31 mei 2001 geen beroepschrift voorhanden was maar slechts een kennisgevingsplicht, wordt door de rechtbank nadrukkelijk verworpen onder verwijzing naar hetgeen is bepaald in artikel 96, lid 1, tweede volzin, Vw 2000. Beroep gegrond, toewijzing verzoek om schadevergoeding.
Uitspraak
UITSPRAAK
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
beroep vrijheidsontnemende maatregel
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 01/22777 VRWET
Inzake : A, CRV nummer 1700235079, verblijfplaats onbekend, hierna te noemen de vreemdeling,
gemachtigde mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. H.H.R. Bruggeman, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1974 en de Turkse nationaliteit te hebben.
2. Op 31 mei 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 9 november 2000 de vreemdeling heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.
3. Op 29 mei 2001 heeft verweerder de bewaring ambtshalve opgeheven en de vreemdeling uitgezet naar Turkije. Namens de vreemdeling is het beroep beperkt tot het verzoek om schadevergoeding voor iedere dag dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
4. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 14 juni 2001. De vreemdeling is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van bewaring na de indiening van het beroepschrift is opgeheven. Gelet hierop is thans nog slechts in geschil of de maatregel van bewaring eerder had moeten worden opgeheven en zo ja, of er aanleiding is een schadevergoeding op grond van artikel 106 Vw2000 toe te kennen.
2. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat verweerder uiterlijk op 24 mei 2001 een kennisgeving ex artikel 96 had moeten doen uitgaan. Nu verweerder niet heeft gehandeld conform het bepaalde in artikel 96, eerste lid, Vw2000 verzoekt de gemachtigde van de vreemdeling om toekenning van schadevergoeding met ingang van 25 mei 2001.
3. Verweerder heeft aangevoerd dat vrijdag 25 mei 2001 een landelijk brugdag was en derhalve niet meegeteld dient te worden. De uiterlijke termijn liep derhalve af op maandag 28 mei 2001. Gelet op het feit dat de vreemdeling op 29 mei 2001 zou worden uitgezet heeft verweerder bewust er voor gekozen om geen kennisgeving te doen uitgaan. Verweerder is van mening dat de vreemdeling door voornoemde gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 1 van de Algemene Termijnen Wet (ATW) wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Aangezien donderdag 24 mei 2001 Hemelvaartsdag was, diende verweerder de kennisgeving ex artikel 96, Vw2000 uiterlijk vrijdag 25 mei 2001 te doen uitgaan.
Het feit dat 25 mei 2001 een landelijk ingestelde brugdag betrof doet naar het oordeel van de rechtbank hieraan niet af. Een brugdag is immers niet gelijk te stellen met een algemeen erkende feestdag en zou onvoldoende kenbaar zijn als de conclusie andersluidend zou zijn.
5. Nu van de zijde van verweerder niet de stelling is ingenomen dat de uitzetting op een oorspronkelijk eerder moment was voorzien maar de eerdere uitzetting niet door is gegaan door een daaraan grondslag liggende gedrag van betrokkene, ziet de rechtbank geen reden tot matiging van de schadevergoeding. De stelling van verweerder dat geen grondslag is voor toekenning van schadevergoeding omdat voor 31 mei 2001 geen beroepschrift voorhanden was maar slechts een kennisgevingsplicht, wordt door de rechtbank nadrukkelijk verworpen onder verwijzing naar hetgeen is bepaald in artikel 96, lid 1, tweede volzin, Vw2000.
6. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring van de vreemdeling vanaf 25 mei 2001, de dag na die waarop de kennisgeving uiterlijk had moeten worden gedaan, onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond. Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 4 dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 4 x f 150,00 = f 600,00.
7. De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1).
Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot f 600,00 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;
3. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Aldus gedaan door mr. M.A. Dirks en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2001 in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.
afschrift verzonden op: 21 juni 2001