Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC9260

Datum uitspraak2001-08-20
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers01/703 Horec
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN Sector bestuursrecht Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr.: 01/703 Horec Inzake het geding tussen [naam], wonende te [woonplaats], verzoeker, gemachtigde: mr. I. T. van Stralen, advocaat te Heerenveen, en de burgemeester van Leeuwarden, verweerder, gemachtigde: mr. P.J. Achterhof, werkzaam op de afdeling Juridische Zaken van verweerders gemeente. Procesverloop Bij brief van 2 augustus 2001 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn besluit betreffende de toepassing van bestuursdwang, in die zin dat besloten is om over te gaan tot sluiting van de door verzoeker geëxploiteerde coffeeshop [naam coffeeshop] aan de [straatnaam] te [woonplaats] vanaf 3 augustus 2001, wegens verkoop van softdrugs in een inrichting waarvoor geen gedoogverklaring is afgegeven. Voorts is besloten de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een exploitatievergunning te weigeren. Namens verzoeker is tegen dit besluit op 8 augustus 2001 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekers gemachtigde zich bij brief van 8 augustus 2001 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingezonden. Het verzoek is ter zitting behandeld op 17 augustus 2001. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Namens verweerder zijn tevens verschenen de heer J. Heida, hoofd bijzondere wetten Politie Friesland en de heer E.R.M. Muller, werkzaam bij verweerders gemeente. Motivering De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden. Verzoeker exploiteert een coffeeshop, onder de naam [naam coffeshop] (hierna: de coffeeshop), gevestigd aan de [adres] te [woonplaats]. De coffeeshop is vanaf 1990 onder verschillende namen op de locatie [straatnaam] gevestigd. Ook is diverse malen van eigenaar gewisseld. Sedert 1999 wordt de coffeeshop geëxploiteerd door de heer [naam vorige exploitant]. Verzoeker was aanvankelijk werkzaam als bedrijfsleider/mede-exploitant in de coffeeshop. Ter zitting is namens verweerder aan de hand van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel aangegeven dat verzoeker per 1 maart 2001 als enige de coffeeshop in de vorm van een eenmanszaak exploiteert. De coffeeshop beschikte tot en met 31 december 2000 over een vergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden voor het uitoefenen van een niet-alcoholverstrekkend horecabedrijf. Bij de vergunningverlening is aangegeven dat verkoop of het voorhanden hebben van sofdrugs in de inrichting niet zal worden getolereerd. Voorts is aangegeven dat nieuw coffeeshopbeleid in ontwikkeling is. Op 15 januari 2001 heeft verzoeker een nieuwe aanvraag voor een exploitatievergunning en een aanvraag voor een gedoogverklaring voor de verkoop van sofdrugs vanuit deze coffeeshop ingediend. Bij besluit van 19 april 2001, verzonden 20 april 2001, heeft verweerder geweigerd een gedoogverklaring voor het verkopen van softdrugs af te geven ten behoeve van deze coffeeshop. Namens verzoeker is hiertegen aanvankelijk bezwaar gemaakt, maar het bezwaar is ingetrokken. Vervolgens is bij een tweetal controles, respectievelijk op 22 juni 2001 en op 28 juni 2001, geconstateerd dat er in de coffeeshop softdrugs aanwezig zijn/verhandeld worden. Bij brief van 10 juli 2001 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van zijn voornemen tot sluiting van de inrichting over te gaan. Nadat verzoeker in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar aanleiding van dit voornemen naar voren te brengen heeft verweerder verzoeker bij het bestreden besluit in kennis gesteld van zijn besluit tot toepassing van bestuursdwang in verband met de bij de controles aangetroffen hoeveelheden softdrugs, terwijl hiervoor geen gedoogverklaring was afgegeven. Besloten is dat de inrichting [adres] vanaf 3 augustus 2001 tot 1 augustus 2002 voor het publiek gesloten dient te worden. Verweerder baseert dit besluit op art. 13b van de Opiumwet en het onder meer op basis van deze bepaling uitgewerkte en op 28 februari 2001 in werking getreden coffeeshopbeleid en het daarbij behorende handhavingsarrangement van de gemeente Leeuwarden. Bij aanwezigheid van meer dan 50 gram aan softdrugs bij een inrichting die niet in het bezit is van een gedoogverklaring wordt op grond van dit arrangement besloten tot sluiting voor minimaal 1 maand tot maximaal 12 maanden. Voorts heeft verweerder besloten de aanvraag tot het verlenen van een exploitatievergunning te weigeren op grond van het feit dat er in de horeca-inrichting illegaal softdrugs verkocht werden dan wel aangetroffen zijn, hetgeen een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het woon- en leefklimaat en de openbare orde rondom de horeca-inrichting. Namens verzoeker is gevraagd om schorsing van deze beslissing. Tevens is gevraagd een voorlopige voorziening te treffen dat verweerder voorlopig zal dienen toe te staan dat vanuit de coffeeshop door verzoeker softdrugs worden verkocht. Aangevoerd is dat verzoeker een spoedeisend belang heeft aangezien hij rechtstreeks in de middelen van zijn bestaan wordt bedreigd en er voor vrees bestaat voor het wegvallen van het klantenbestand. Verzoeker stelt dat verweerders standpunt dat voor het exploiteren van een coffeeshop een gedoogverklaring cq een gedoogvergunning noodzakelijk is, in strijd komt met de Opiumwet. Volgens verzoeker is voor het exploiteren van een coffeeshop een exploitatievergunning voldoende. Voorts is aangevoerd dat het enkele feit dat er vanuit een inrichting softdrugs worden verkocht nog niet betekent dat het woon- en leefklimaat in de omgeving op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Gesteld wordt dat er geen concrete overlastveroorzakende feiten bekend of duidelijk zijn geworden. Voorts acht verzoeker het beleid dat geen coffeeshops mogen worden gevestigd in winkelstraten willekeurig. Aangevoerd is dat de gemeente gebruik maakt van planologische aspecten, terwijl bij de aanvraag van een exploitatievergunning slechts openbare orde aspecten betrokken mogen worden. Ook worden andere horecagelegenheden dan coffeeshops in winkelstraten wel geaccepteerd. Tenslotte is aangevoerd dat de toepassing van bestuursdwang in strijd komt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel, nu verzoeker zijn coffeeshop exploiteert vanuit een bedrijf waar reeds vóór 28 februari 2001 softdrugs werden verkocht. Ter zitting is nog aangevoerd dat verweerder niet zonder overgangstermijn of zonder het aanbieden van een financiële tegemoetkoming een reeds tien jaar bestaande situatie mag beëindigen. Ook is aangevoerd dat verzoeker op basis van op 20 februari 2000 gepubliceerde voorwaarden in aanmerking zou moeten komen voor een gedoogverklaring. Ter ondersteuning van het argument dat verweerders beleid willekeurig is, is aangevoerd dat coffeeshops in andere winkelstraten, met name is genoemd de Nieuwesteeg, wel gedoogd worden en dat voor coffeeshops gevestigd buiten de stadsgrachten die niet gedoogd worden een uitsterf- of verplaatsingsregeling geldt terwijl een dergelijke regeling voor verzoeker niet is getroffen. Namens verweerder is in de eerste plaats betoogd dat de president niet bevoegd is een voorziening te treffen op grond waarvan de burgemeester wordt opgedragen toe te staan dat door verzoeker in strijd met de wet softdrugs worden verkocht. Volgens verweerder is bovendien van een spoedeisend belang geen sprake, nu verzoeker wist dat de coffeeshop niet gedoogd zou worden. Voorts is namens verweerder een toelichting gegeven op het gevoerde coffeeshopbeleid en aangegeven dat spoedige sluiting mede is aangewezen gelet op klachten uit de buurt over overlast. De president overweegt het volgende. Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De namens verzoeker gestelde vrees voor inkomensderving en voor verlies van een klantenbestand is hiervoor voldoende. Verweerders standpunt dat verzoeker kon weten dat er sprake was van een illegale situatie die niet gedoogd zou worden doet aan de spoedeisendheid van het verzoek niet af. De vraag of er al dan niet gedoogd moet worden is immers inzet van de procedure. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden. De president overweegt ter zake het volgende. Ingevolge art. 13b lid 1 van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in art. 2 of 3 wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Nu vastgesteld is dat in verzoekers coffeeshop in strijd met art. 3 Opiumwet softdrugs worden verkocht is verweerder bevoegd om op grond van art. 13b Opiumwet bestuursdwang toe te passen. Voor de uitoefening van deze bevoegdheid heeft verweerder beleid vastgesteld. Dit beleid is neergelegd in de notitie "Coffeeshopbeleid gemeente Leeuwarden", en is per 28 februari 2001 in werking getreden. In dit beleid wordt uitgegaan van een gedoogbeleid voor coffeeshops. Voor het voorhanden hebben, het handelen, leveren, aanmaken dan wel gebruik van softdrugs is een expliciete gedoogverklaring nodig. Gekozen is voor een maximumstelsel voor coffeeshops. Mede op basis van een vergelijking met andere Nederlandse steden is aangegeven dat een groter aantal dan 12 coffeeshops in de binnenstad onwenselijk is. De geografische ruimte in Leeuwarden is voor een groter aantal coffeeshops vanuit openbare orde en leefmilieu-optiek te klein en de effectiviteit van de beheersing door de overheid komt bij een groter aantal gedoogde coffeeshops in gevaar. Voorts is besloten dat de maximaal 12 te gedogen coffeeshops alleen binnen de stadsgrachten gevestigd mogen zijn en dat geen coffeeshops in winkelgebieden worden toegestaan. Daarbij is gedacht aan straten als de Nieuwestad, Wirdumerdijk, Sint Jacobstraat, Voorstreek en [straatnaam]. In het beleid is aangegeven dat gelet op de functie van die straten, te weten wonen en (een zich verder ontwikkelende) winkelvoorziening, vestiging vanuit openbare orde - en leefmilieuoptiek niet gewenst is. De daar eventueel nog bestaande coffeeshops zullen dan op zo kort mogelijke termijn na de vaststelling van de coffeeshopnotitie daadwerkelijk moeten verdwijnen. Naar het voorlopig oordeel van de president is dit beleid onverbindend noch onredelijk te achten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft in zijn uitspraak van 12 augustus 1999, JB 1999/248 beslist dat een vergunningstelsel voor de exploitatie van coffeeshops onverbindend is wegens strijd met art 3 Opiumwet. Het voeren van een gedoogbeleid, waarin als voorwaarde voor onder meer de handel in softdrugs een expliciete gedoogverklaring vereist wordt, is het kader van de uitoefening van de bevoegdheid op grond van art. 13b Opiumwet door de AbRS echter meermalen geaccepteerd. Anders dan verzoekers gemachtigde stelt is een gedoogverklaring, waarmee wordt aangegeven dat niet zal worden opgetreden tegen een illegale situatie, niet gelijk te stellen met het daadwerkelijk vergunnen van de verkoop van softdrugs. Ten aanzien van het beleid op zich merkt de president op dat een maximumstelsel, met als doel dat uiteindelijk een maximum aantal van 12 coffeeshops in Leeuwarden zal worden gedoogd, gelet op de Leeuwarder situatie en met het oog op de bescherming van de openbare orde en het leefmilieu in Leeuwarden niet onredelijk te noemen is. Het beleid dat er geen ruimte is voor vestiging van een coffeeshop in winkelgebieden acht de president evenmin onredelijk. Verweerder heeft ter zitting nader toegelicht dat een coffeeshop in een winkelstraat mede gezien het bezoekerspatroon leidt tot een verstoring van het straatbeeld, waarmee verweerder het winkelend publiek en met name ook jongeren die hier winkelen niet wenst te confronteren. Dat sprake zou zijn van willekeur bij de vaststelling van het beleid, is naar het oordeel van de president ook niet gebleken. Verweerder heeft in dit verband voldoende aangegeven dat er een duidelijk verschil bestaat tussen de [straatnaam] en de Nieuwesteeg, nu de [straatnaam] -anders dan de Nieuwesteeg- behalve als een straat met een zich verdere ontwikkelende winkelfunctie, tevens aangemerkt kan worden als een belangrijke aanlooproute naar het winkelcentrum. Voorts is er volgens verweerder een duidelijk verschil tussen een horeca-inrichting en een coffeeshop, nu de toegestane horecabedrijven in de [straatnaam] een winkelondersteunende functie hebben, welke functie een coffeeshop niet heeft. Namens verzoeker is aangevoerd dat geen sprake is geweest van een concrete schending van de openbare orde. De president is echter van oordeel dat het niet zo is dat alleen mag worden opgetreden in geval van concrete schending of gegronde vrees voor schending van het woon- en leefklimaat. De schending van de openbare orde volgt blijkens het coffeeshopbeleid met name uit het grote aantal coffeeshops in Leeuwarden en in de gekozen locatie van de coffeeshop, namelijk in een winkelstraat. Verweerder kon daarom bij de sluiting volstaan met een verwijzing naar het gevoerde beleid, zonder daarbij afzonderlijk te motiveren waarom er in dit geval geoordeeld wordt dat de woon- en leefsituatie in de omgeving ontoelaatbaar nadelig wordt beïnvloed. Overigens is de president er in het onderhavige geval nog niet van overtuigd dat er geen sprake is (geweest) van een concrete schending van de openbare orde. Gelet op het bovenstaande resteert de vraag of verweerder is nagegaan of sprake is van bijzondere omstandigheden die aan toepassing van bestuursdwang in de weg zouden staan en of verweerder een voldoende belangenafweging heeft gemaakt. In dit verband is onder meer aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door op te treden tegen een sedert jaren bestaande situatie. De president stelt voorop dat de handel in softdrugs in strijd komt met de Opiumwet en dat het voor verzoeker altijd duidelijk is geweest dat de verkoop van softdrugs niet getolereerd zou worden. Reeds vanaf 1997 tracht verweerder coffeeshops in kernwinkelgebieden tegen te gaan. De coffeeshop waarvan verzoeker thans exploitant is, is nimmer actief gedoogd. Dat is aan de voorgangers van verzoeker meermalen duidelijk gemaakt. Verzoeker wist dan wel had kunnen weten dat er handhavingsmaatregelen getroffen zouden kunnen worden bij voortdurende overtreding van het verbod om softdrugs te verkopen. Dat de coffeeshop niet eerder daadwerkelijk gesloten is, brengt nog niet met zich mee dat verweerder niet meer bevoegd is alsnog op te treden. Gebleken is dat het verweerder in het verleden ontbrak aan effectieve handhavingsmiddelen. In dit verband kan gebillijkt worden dat verweerder heeft gewacht met daadwerkelijke handhaving tot na de totstandkoming van het coffeeshopbeleid. Dat daarmee vertrouwen gewekt zou zijn dat tegen de illegale handel in softdrugs niet zou worden opgetreden kan de president niet onderschrijven. Ook aan eerdere uitspraken van de president van de rechtbank kan verzoeker niet het vertrouwen ontlenen dat niet tegen de illegale verkoop van softdrugs zou worden opgetreden. Uit een uitspraak van de president van 14 februari 2000 zou afgeleid kunnen worden dat verweerder eerst zou gaan optreden bij overtreding van de AHOI-G-criteria. Duidelijk is dat bedoelde uitspraak is gedaan in een tijd waarin van een planmatig en uitgewerkt coffeeshopbeleid nog geen sprake was. Inmiddels is dit beleid er wel. Niet valt in te zien waarom verweerder niet op basis van nieuw geformuleerd beleid alsnog handhavend kan optreden. Voorts kan de president verzoeker niet volgen in diens standpunt dat hij op basis van op 16 februari 2000 gepubliceerd beleid in aanmerking had moeten komen voor een gedoogverklaring. In deze publicatie wordt de voorbereiding van nieuw coffeeshopbeleid aangekondigd Bekendgemaakt is dat de burgemeester in ieder geval vanaf 10 februari 2000 totdat nieuw beleid is vastgesteld geen gedoogverklaringen meer afgeeft ten behoeve van (kort gezegd) nieuwe coffeeshops dan wel bestaande coffeeshops waar tot 10 februari 2000 geen softdrugs werden verkocht. Hoewel verzoekers coffeeshop niet aangemerkt kan worden als een nieuwe coffeeshop dan wel een bestaande coffeeshop waar tot 10 februari 2000 geen softdrugs werden verkocht, kon naar het oordeel van de president bij verzoeker op basis van deze publicatie niet het vertrouwen gewekt worden dat hij voor een gedoogverklaring in aanmerking zou komen, omdat voldoende naar voren is gekomen dat bedoeld is de bestaande situatie te bevriezen. Tenslotte dient beoordeeld te worden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot toepassing van bestuursdwang zonder hierbij een overgangstermijn in acht te nemen dan wel enige financiële tegemoetkoming aan verzoeker aan te bieden. De president beantwoordt deze vraag bevestigend nu verzoeker altijd heeft geweten of heeft kunnen weten dat de coffeeshop niet gedoogd werd. Verzoeker is pas sinds kort (mede) exploitant van de coffeeshop en pas sinds 1 maart 2001 enig exploitant en heeft bewust het risico genomen dat er tegen de illegale verkoop van softdrugs opgetreden zou worden. Dat verweerder onder de gegeven omstandigheden aan verzoeker geen overgangstermijn heeft gegund en geen financiële tegemoetkoming heeft verstrekt kan dan ook niet als onredelijk aangemerkt worden. De president merkt in dit verband nog op dat een vergelijking tussen verzoekers coffeeshop en de coffeeshops buiten de stadsgrachten, waarvoor een uitsterfregeling is getroffen, niet opgaat gelet op het enkele feit dat laatstgenoemde coffeeshops over een expliciete gedoogverklaring beschikken en verzoeker niet. Op grond van het bovenstaande komt de president tot het voorlopig oordeel dat het bezwaar tegen verweerders beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet gegrond verklaard zal worden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen aanleiding. De president acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling. Beslist wordt als volgt. Beslissing De president van de rechtbank: - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2001, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier. w.g. P.R.M. Poiesz w.g. P.G. Wijtsma Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Uitspraak verzonden op: 27 augustus 2001