Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC8714

Datum uitspraak2001-07-24
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200003912/1.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200003912/1. Datum uitspraak: 25 juli 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de vereniging "Vereniging Milieudefensie" te Amsterdam en [appellant] te [woonplaats], appellanten, en burgemeester en wethouders van Wierden, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 juni 2000, kenmerk 991948/04077, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de maatschap "Maatschap [vergunninghouder]" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkvee- en fokvarkensbedrijf op het perceel [adres] te [vestigingsplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie […], nummers […] en […]. Dit aangehechte besluit is op 6 juli 2000 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 14 augustus 2000, bij de Raad van State ingekomen op 15 augustus 2000, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2000. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 2 oktober 2000 hebben verweerders een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verweerders. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2001, waar appellanten, van wie [appellant] in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerders, vertegenwoordigd door A.J. Lock-Louwerens en J. Reefhuis, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Bij het bestreden besluit hebben verweerders een vergunning verleend voor een melkvee- en fokvarkensbedrijf. Daarbij hebben zij het door appellanten ingediende bedenkingengeschrift tegen het ontwerpbesluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit geschrift niet was ondertekend. 2.2. Appellanten betogen dat verweerders op de bedenkingen inhoudelijk hadden moeten ingaan. Het bestreden besluit is volgens hen genomen in strijd met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht, dat bepaalt dat het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen vermeldt. 2.3. Ingevolge artikel 3:24 van de Algemene wet bestuursrecht kan een ieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen. Uit deze bepaling volgt dat het inbrengen van bedenkingen is gerelateerd aan een persoon. Door de eis te stellen dat het bedenkingengeschrift is ondertekend - ter verificatie dat het is ingediend door een bepaald persoon - hebben verweerders geen onjuiste toepassing gegeven aan de wet. De Afdeling wijst in dit verband op artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, waarin het vereiste van ondertekening van een bezwaar- en beroepschrift is gesteld. Het rechtsbeginsel dat een besluit met de nodige zorgvuldigheid moet worden genomen brengt overigens met zich dat, indien aan een bedenkingengeschrift een gebrek in de ondertekening kleeft, dit niet om die reden niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan nadat de indiener in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen. In dit verband wordt het volgende overwogen. Vaststaat dat appellanten bij brief van 15 maart 2000 bedenkingen hebben ingediend tegen het ontwerp van het bestreden besluit en dat het bedenkingengeschrift bij verweerders op 16 maart 2000 per fax is ingekomen. Vervolgens hebben verweerders bij brief van 17 maart 2000 appellanten erop gewezen dat de fax met bedenkingen niet is ondertekend en hun verzocht binnen één week na verzenddatum van die brief de originele brief met bedenkingen ondertekend toe te zenden. Daarbij hebben verweerders opgemerkt dat, indien zij geen aanvullende gegevens ontvangen, zij voornemens zijn het bedenkingengeschrift niet-ontvankelijk te verklaren. Appellanten hebben ter zitting verklaard dat zij deze brief niet hebben ontvangen. Gezien de uitdraai uit het postregistratiesysteem van 20 maart 2000 moet er van worden uitgegaan dat deze brief aan appellanten is verzonden en dat dat appellanten derhalve in de gelegenheid zijn gesteld het geconstateerde verzuim in het bedenkingengeschrift te herstellen. Vaststaat dat appellanten van deze gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt. Onder deze omstandigheden hebben verweerders het bedenkingengeschrift terecht buiten behandeling gelaten. 2.4. Het beroep is derhalve ongegrond. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. K. Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Beurmanjer-de Lange Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2001 241-310. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,