Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC8328

Datum uitspraak2001-08-24
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200104093/1.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200104093/1. Datum uitspraak: 24 augustus 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Den en Rust B.V.", gevestigd te Bilthoven, verzoekster, en burgemeester en wethouders van De Bilt, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2001, kenmerk 01/12218, hebben verweerders krachtens artikel 5:32 van de Wet milieubeheer bepaald dat verzoekster een dwangsom verbeurd van ƒ 4.000,00 per crematie (met een maximum van ƒ 800.000,00) welke, na zes werkdagen te rekenen vanaf de dag dat dit besluit is uitgereikt, wordt verricht tot aan het moment dat een nieuw te plaatsen crematieoven met reinigingsinstallatie volledig in werking is en haar inrichting voldoet aan de voorschriften in hoofdstuk 7, verbonden aan de aan haar bij besluit van 9 januari 2001 verleende revisievergunning voor een begraafplaats en een crematorium op het adres Frans Halsstraat 25-27 te Bilthoven. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 17 augustus 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 augustus 2001, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en F.A. Tap, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. C.F.M. Jungerman, gemachtigde, en B. Drenth, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is prof.dr. G.A. Charbon, mede namens de vereniging "Bewonersvereniging Bilthoven-Noord", verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Verweerders hebben de last onder dwangsom opgelegd, omdat zij hebben geconstateerd dat binnen de inrichting van verzoekster gebruik wordt gemaakt van een crematieoven zonder reinigingsinstallatie die niet voldoet aan de (emissie)voorschriften, zoals vastgelegd in hoofdstuk 7, die zijn verbonden aan de aan haar bij besluit van 9 januari 2001 verleende revisievergunning. Het bestreden besluit is op 16 augustus 2001 aan verzoekster uitgereikt, zodat de last ziet op de situatie dat na 24 augustus 2001, zijnde de zesde werkdag na uitreiking van het bestreden besluit, crematies zullen plaatsvinden. Het bestreden besluit is, gezien het bepaalde in artikel 20.4 van de Wet milieubeheer, direct na de bekendmaking in werking getreden. 2.2. Verweerders hebben verzoekster bij brief van 19 juli 2001 medegedeeld dat zij hebben besloten haar tot uiterlijk 1 december 2001 in de gelegenheid te stellen om de in haar inrichting aanwezige crematieoven te verwijderen en te vervangen door een nieuwe crematieoven met reinigingsinstallatie, zodat de aan de revisievergunning verbonden voorschriften in hoofdstuk 7 kunnen worden nageleefd. In deze brief hebben zij er voorts op gewezen dat, indien vóór 1 december 2001 een aantal van 1.250 crematies in het kalenderjaar 2001 wordt bereikt, zij zich genoodzaakt voelen om bestuurlijke handhavingsmiddelen te treffen. Tijdens een controlebezoek op 13 augustus 2001 hebben verweerders geconstateerd, hetgeen door verzoekster niet wordt betwist, dat binnen de inrichting inmiddels meer dan 1.250 crematies hebben plaatsgevonden. Vervolgens zijn verweerders overgegaan tot het opleggen van de last onder dwangsom. 2.3. Onbestreden is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de inrichting niet overeenkomstig de bij besluit van 9 januari 2001 verleende revisievergunning in werking was, zodat verweerders bevoegd waren tot toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen. 2.4. Voorzover verzoekster stelt dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten haar een last onder dwangsom op te leggen, overweegt de Voorzitter als volgt. 2.4.1. Verweerders staan op het standpunt dat 1.250 crematies per jaar, welk aantal is ontleend aan de bij besluit van 22 september 1998 verleende, inmiddels geëxpireerde, oprichtingsvergunning voor de inrichting, moet worden beschouwd als het maximum aantal crematies per jaar dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt verantwoord kan worden verricht met de thans in de inrichting aanwezige crematieoven zonder reinigingsinstallatie. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd vindt de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op dit standpunt hebben kunnen stellen. 2.4.2. Verzoekster betoogt dat zij er op basis van uitlatingen van ambtenaren van de gemeente van mocht uitgaan dat zij in de bestaande situatie, gezien de aan haar bij besluit van 9 januari 2001 verleende revisievergunning, in het kalenderjaar 2001 een maximum aantal van 2.700 crematies mocht uitvoeren. Hierover overweegt de Voorzitter dat is aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat van gemeentezijde dergelijke uitlatingen zijn gedaan. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan verzoekster erop had mogen vertrouwen dat verweerders het verrichten van meer dan 1.250 crematies zouden gedogen, zonder dat de oven die ingevolge de thans geldende revisievergunning aanwezig moet zijn is geplaatst. 2.4.3. Voorzover verzoekster voorts stelt dat het bestreden besluit in feite neerkomt op een sluitingsbevel, overweegt de Voorzitter dat - zoals verzoekster ook ter zitting heeft erkend - binnen de inrichting naast het verrichten van crematies ook andere activiteiten, zoals het verrichten van uitvaartplechtigheden, plaatsvinden, zodat deze stelling van verzoekster in zoverre geen doel treft. De Voorzitter deelt evenmin de stelling van verzoekster dat er onaanvaardbare problemen ontstaan indien tot het in werking zijn van de nieuwe oven binnen de inrichting niet meer gecremeerd mag worden, nu is gebleken dat crematoria elders zorg kunnen dragen - hetgeen in het verleden in vergelijkbare situaties reeds vaker is geschied - voor de crematies. Ook in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot door haar geleverde inspanningen om de bouw van de nieuwe crematieoven zo spoedig mogelijk af te ronden, ziet de Voorzitter, mede gelet op het feit dat nog onvoldoende zeker is of de inrichting op korte termijn overeenkomstig de vergunning in werking zal zijn, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hebben kunnen toekennen aan beëindiging van het gebruik van de bestaande oven in verband met de nadelige gevolgen voor het milieu die bij langer gebruik hiervan zullen optreden. 2.4.4. Gezien het voorgaande komt de Voorzitter tot de slotsom dat geen grond bestaat om te oordelen dat verweerders niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder dwangsom. Hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht met betrekking tot de beweerde trage besluitvorming van verweerders, leidt niet tot een ander oordeel. 2.5. De Voorzittter ziet, tot slot, geen aanleiding voor het oordeel dat de het voor verzoekster niet mogelijk is om binnen de gestelde begunstigingstermijn de nodige maatregelen te treffen om de verbeuring van dwangsommen te voorkomen. 2.6. De Voorzitter ziet derhalve aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. De Voorzitter merkt hierbij nog op dat hij ervan uitgaat dat verweerders in de beslissing op bezwaar, die - naar hij aanneemt - op korte termijn zal worden genomen, het gestelde maximum aan te verbeuren dwangsommen van een nadere onderbouwing zullen voorzien. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Boll w.g. Van der Zijpp Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2001 262-334. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,