Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC7944

Datum uitspraak2001-08-23
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200103082/2.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200103082/2. Datum uitspraak: 23 augustus 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer: Werkgroep Messchenveld te Assen, verzoekster, en gedeputeerde staten van Drenthe, verweerders. 1. Procesverloop Bij besluit van 19 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Assen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 11 oktober 2000, het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Messchenveld I" vastgesteld. Verweerders hebben bij hun besluit van 24 april 2001, kenmerk 6.2/2000010813, beslist over de goedkeuring van dit plan. Tegen dit besluit heeft onder meer verzoekster bij brief van 20 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2001, beroep ingesteld. Bij brief van 20 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 22 juni 2001, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 augustus 2001, waar verzoekster, vertegenwoordigd door H.J.M. Boon en J. Abbring, en verweerders, vertegenwoordigd door H.D. Westerhof, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn mr. E.G.E. Kuiper en drs. P.C.L. Doorman, ambtenaren van de gemeente, namens de gemeenteraad van Assen, daar gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het plangebied wordt globaal begrensd door het Bedrijvenpark Peelerpark 1999, de A28, de gaslocatie van de NAM en de weg langs de zuidzijde van het Noord-Willemskanaal. Met het plan wordt beoogd te voorzien in de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Bij het bestreden besluit hebben verweerders grotendeels goedkeuring verleend aan dit plan. 2.3. Verzoekster heeft aangevoerd dat de in het plan voorziene groenstrook langs het Noord-Willemskanaal onvoldoende breed is om als overgangsgebied tussen de woonbebouwing en het bedrijventerrein te functioneren. In verband met de door haar gewenste inrichting als overgangsgebied heeft zij eveneens bezwaar tegen een aantal in het plan voorziene bouwhoogten. Daarnaast meent zij dat in het plan had moeten worden vastgelegd dat langs het fietspad tussen de Markebrug en het Kleuvenveld groenvoorzieningen worden aangelegd. 2.4. Blijkens de plankaart heeft een strook grond van ongeveer 50 meter langs het Noord-Willemskanaal de bestemming "Groenvoorzieningen". De gronden langs het fietspad en de gronden waarop de door verzoekster genoemde bouwhoogten mogelijk zijn liggen alle binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden". De Voorzitter stelt voorop dat het in beginsel tot de vrijheid van de gemeenteraad behoort om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Rekening houdend met deze vrijheid dienen verweerders te bezien of het plan niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. Dat verzoekster een andere inrichting van het plangebied voorstaat dan de gemeenteraad is derhalve op zichzelf niet voldoende om in de bodemprocedure tot vernietiging van het bestreden besluit over te gaan. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is wat betreft de breedte en aard van de groenstrook gekozen voor een afschermende groenstrook in plaats van een overgangsgebied. Hierdoor kan meer hectare aan bedrijventerrein worden ontwikkeld en zijn, gelet op de afschermende werking van de groenstrook, de in het plan opgenomen bouwhoogten ten opzichte van de woonbebouwing aanvaardbaar. De Voorzitter ziet in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet in redelijkheid het standpunt hebben kunnen innemen dat de keuze van de gemeenteraad voor een afschermende groenstrook niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Nu de bezwaren van verzoekster tegen de voorziene bouwhoogten hiermee samenhangen, behoeven deze geen bespreking. Wat betreft de door verzoekster gewenste groenvoorzieningen bij het fietspad stelt de Voorzitter vast dat binnen de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" de aanleg van groenvoorzieningen is toegestaan. Hij ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van verweerders in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven omdat ten onrechte de door verzoekster gewenste groenstrook niet in het plan is vastgelegd door middel van de bestemming "Groenvoorzieningen". 2.5. Gelet op het voorgaande bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening geen grond. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat. w.g. Bartel w.g. Langeveld Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2001 176-317. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,