Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC7255

Datum uitspraak2001-08-20
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200102963/2.
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Raad van State 200102963/2. Datum uitspraak: 20 augustus 2001 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de naamloze vennootschap "Scoribel N.V.", gevestigd te België, verzoekster, en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2000 heeft verweerder krachtens de Verordening nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap bezwaar gemaakt tegen het in kennisgevingsformulier met kenmerk NL 93591 omschreven voornemen om afvalstoffen over te brengen naar het bedrijf van verzoekster. Bij besluit van 3 mei 2001, kenmerk IMA 2001-8954, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juli 2001. Bij brief van 22 juni 2001, bij de Raad van State ingekomen op 25 juni 2001, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 augustus 2001, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, en H. Schaap, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.A.G. Welschen, mr. M.H.M. Meijer en mr. P.M. Verheij, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. De kennisgeving heeft betrekking op de overbrenging van hoogcalorisch afval naar het bedrijf van verzoekster in België, teneinde het, na bewerking bij dat bedrijf, in te zetten als brandstof bij een cementfabriek. 2.3. Niet in geschil is dat verweerder in het verleden vergelijkbare overbrengingen jarenlang heeft aangemerkt als overbrenging van afvalstoffen ten behoeve van nuttige toepassing. De Belgische autoriteiten merken dergelijke overbrengingen eveneens als zodanig aan. Thans meent verweerder echter dat het een overbrenging van afvalstoffen ten behoeve van verwijdering betreft. Deze conclusie baseert hij op een (nog) niet eerder gebruikt criterium: er zou sprake zijn van verwijdering omdat de afvalstoffen zonder voorbewerking niet voldoen aan de ingangsspecificaties van de installaties waarin zij uiteindelijk terechtkomen (de installaties van de cementfabriek). Dit laatste is op zichzelf niet tussen partijen in geschil; het bedrijf van verzoekster is immers juist opgericht om na voorbewerking partijen (afval)stoffen met voor de cementfabriek geschikte specificaties te leveren. 2.4. De Voorzitter heeft bij uitspraak van 16 juli 1998, nrs. F03.98.0275 en F03.98.0278 (AB 1998, 341), overwogen dat hij betwijfelt of het Europese recht ruimte biedt aan de afzonderlijke lidstaten om aanvullende criteria te hanteren voor het bepalen of al dan niet sprake is van nuttige toepassing. Bij uitspraken van 8 augustus 2000 (nrs. E03.98.1535, 199901635/2, 199901825/2, 199902198/1 en 199902002/1) en 13 maart 2001 (nrs. E03.99.0042 en E03.99.0043) heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een aantal prejudiciële vragen gesteld omtrent dit aspect en omtrent andere aspecten die van belang zijn bij het onderscheid tussen nuttige toepassing en verwijdering. In afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen ziet de Voorzitter geen aanleiding om thans anders te oordelen over de mogelijkheid om aanvullende criteria te hanteren dan hij in zijn uitspraak van 16 juli 1998 heeft gedaan. 2.5. De Voorzitter is er, gezien het voorgaande, niet van overtuigd dat op goede gronden is geconcludeerd dat de kennisgeving ziet op overbrenging van afvalstoffen ten behoeve van verwijdering. Een definitief oordeel hierover kan worden gegeven in het geding in de bodemprocedure, waarbij tevens de nog te geven antwoorden op de bij de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling gestelde prejudiciële vragen van belang kunnen zijn. In afwachting daarvan komt de Voorzitter tot het voorlopig oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de overbrenging een overbrenging ten behoeve van nuttige toepassing is. Daarbij neemt hij mede in aanmerking dat verweerder vergelijkbare overbrengingen jarenlang heeft beschouwd als overbrengingen ten behoeve van nuttige toepassing, de Belgische autoriteiten deze overbrengingen nog steeds als zodanig beschouwen, en de afvalstoffen uiteindelijk, na bewerking bij verzoekster, bij de cementfabriek worden ingezet en daarbij, gezien de hoge calorische waarde van de afvalstoffen, een hoge energetische bijdrage zullen leveren aan het productieproces. 2.6. Verweerder heeft geen concrete (milieuhygiënische) bezwaren kunnen aangeven die zich zouden verzetten tegen de overbrenging. Daarvan is de Voorzitter ook overigens niet gebleken, temeer daar verweerder ter zitting heeft verklaard dat, als de door verzoekster uitgevoerde werkzaamheden niet in België maar in Nederland zouden plaatsvinden, er geen beletsel zou zijn om de bewerkte partij afvalstoffen uit te voeren naar de cementfabriek. Gelet hierop, en gezien het belang van verzoekster bij het kunnen voortzetten van de verwerking van afval ten behoeve van de toelevering aan de cementfabriek, ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst de besluiten van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en milieubeheer van 12 december 2000, kenmerk NL 93591, en van 3 mei 2001, kenmerk IMA 2001-8954; II. treft de voorlopige voorziening dat de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en milieubeheer wordt geacht geen bezwaar te hebben gemaakt tegen de overbrenging van afvalstoffen overeenkomstig het kennisgevingsformulier met kenmerk NL 93591; III. veroordeelt de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van ƒ 1.680,00, waarvan een gedeelte groot ƒ 1.420,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de Staat der Nederlanden te worden betaald aan verzoekster; IV. gelast dat de Staat der Nederlanden aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (ƒ 450,00) vergoedt. Aldus vastgesteld door drs. E.L. Berg, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat. w.g. Berg w.g. Van der Zijpp Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2001 262. Verzonden: Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,