
Jurisprudentie
AC4567
Datum uitspraak2001-08-16
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers01/107 AAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-28
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers01/107 AAW
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN
Sector Bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/107 AAW
Inzake het geding tussen
[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. W. Frankema, werkzaam bij AVM Juristen te Leeuwarden,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,
gemachtigde: G. Bieleveld, werkzaam bij het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan (GUO) te Heerenveen.
Procesverloop
Bij brief van 12 januari 2001 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ).
Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken ingediend en een verweerschrift ingezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 27 juni 2001. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is -zoals tevoren schriftelijk bericht- niet verschenen.
Motivering
Op 7 mei 1998 heeft eiser, die is geboren op 9 november 1935 en zelfstandig melkveehouder is, bij verweerder een AAW-uitkering aangevraagd in verband met vernauwing van de bloedvaten en hartritmestoornissen. Als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft hij 15 september 1995 opgegeven. Volgens zijn opgave werkte hij, voordat hij arbeidsongeschikt werd, circa 60 uur per week in zijn eigen bedrijf. Zijn echtgenote werkte volgens deze opgave 25 uur in het bedrijf.
Verweerder heeft aangenomen dat eiser met ingang van 14 september 1996 de wettelijke wachttijd van 52 weken heeft voltooid. In verband met het te laat indienen van zijn aanvraag heeft verweerder eiser echter eerst met ingang van 6 april 1997 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een arbeidsongeschiktheid in de mate van 55 tot 65%. Dit percentage was gebaseerd op de omvang van de arbeid, die eiser, met zijn medische beperkingen, in zijn bedrijf nog kon verrichten.
Ingaande 1 mei 1999 heeft eiser zijn bedrijf beëindigd.
Op grond van een nader arbeidskundig onderzoek in augustus 2000 is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser met ingang van 1 mei 1999 volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd in de zin van de WAZ. Voorts is verweerder op grond van dit onderzoek tot de conclusie gekomen dat op eisers uitkering over de periode van 1 mei 1997 tot en met 30 april 1998 onder toepassing van de art. 33 AAW respectievelijk 58 WAZ een korting moet worden toegepast in verband met inkomsten uit arbeid. Over die periode kan eisers uitkering niet worden uitbetaald.
Dit is eiser meegedeeld bij besluit van 30 augustus 2000. Bij besluit van 10 oktober 2000 heeft verweerder eiser vervolgens meegedeeld dat van hem over de periode van 1 mei 1997 tot en met 30 april 1998 een bedrag van f 11.535,45 bruto wordt teruggevorderd in verband met onverschuldigde betaling.
Tegen deze besluiten zijn namens eiser bezwaarschriften ingediend. Namens eiser is aangegeven dat een hoorzitting niet nodig is.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaarschriften ongegrond verklaard.
In beroep is -onder meer en samengevat- aangevoerd dat verweerder het maatmaninkomen van eiser onjuist heeft vastgesteld. Hij heeft daarbij namelijk gebruik gemaakt van de zogenaamde LEI-cijfers, hetgeen in strijd is met de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), gepubliceerd in RSV 2000/164. Het maatmaninkomen staat in deze procedure volledig ter toetsing. Voorts is de verdeling van werkzaamheden tussen eiser en zijn echtgenote te laag vastgesteld, nu uit eerder arbeidskundig onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser 86% van de werkzaamheden voor zijn rekening nam.
Verweerder stelt zich -onder meer en samengevat- op het standpunt dat het maatmanloon is vastgesteld conform het GUO-beleid, zoals dat, gelet op voornoemde uitspraak van de CRvB, sedert 30 mei 2000 van kracht is. Voorts is de arbeidsverdeling tussen eiser en zijn echtgenote gebaseerd op hetgeen eiser zelf bij zijn aanvraag heeft opgegeven.
In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Ingaande 1 januari 1998 is de AAW ingetrokken; per die datum is eisers uitkering gebaseerd op de WAZ. In het onderstaande wordt uitgegaan van de AAW-bepalingen, zoals deze luidden ten tijde in geding.
In art. 33 lid 1 onder a AAW is bepaald dat, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt ingetrokken of herzien, doch die uitkering niet wordt uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.
In art. 48 lid 1 van de AAW is voorts (voor zover hier van belang) bepaald dat hetgeen onverschuldigd is betaald, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen van de belanghebbende wordt teruggevorderd.
In art. 58 lid 1 onder a WAZ is bepaald dat, indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 2, vierde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering niet betaald, indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat als die arbeid wel arbeid als bedoeld in artikel 2, vierde lid, zou zijn, niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%.
In art 63 lid 1 WAZ is ten slotte (voor zover hier van belang) bepaald dat hetgeen onverschuldigd is betaald, door het Landelijk instituut sociale verzekeringen van de belanghebbende wordt teruggevorderd.
In zijn uitspraak van 30 mei 2000, gepubliceerd in RSV 2000/164, heeft de CRvB -kort weergegeven- uitgesproken dat bij het vaststellen van het maatmaninkomen van zelfstandigen geen gebruik gemaakt mag worden van LEI-cijfers, omdat dit niet in overeenstemming is met de wet. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft verweerder het beleid gevormd dat (onder meer) voor beslissingen die na 30 mei 2000 zijn en worden genomen, wordt gekeken of het maatmaninkomen al eerder is vastgesteld. Als dat het geval is, dan blijft het met de LEI-cijfers vastgestelde maatmaninkomen (uiteraard wel geïndexeerd naar het beoordelingsmoment) maatgevend ("een eenmaal vastgesteld maatmaninkomen wijzigt niet meer"). In de visie van verweerder is het onderhavige besluit genomen na 30 mei 2000, maar was het maatmaninkomen van eiser al eerder vastgesteld, en wel met gebruikmaking van de LEI-cijfers. Er is dus geen aanleiding om het maatmaninkomen van eiser alsnog anders vast te stellen.
Niet in geschil is, dat zo'n andere vaststelling gunstiger zou uitvallen voor eiser, in die zin dat over de periode van 1 april 1997 tot en met 30 april 1998 zijn AAW- respectievelijk WAZ-uitkering alsnog gedeeltelijk tot uitbetaling zou komen. Dit blijkt uit berekeningen van verweerder.
Daargelaten de redelijkheid van bovengenoemd beleid is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers maatmanloon in de onderhavige procedure onjuist heeft vastgesteld. Destijds heeft verweerder het maatmanloon vastgesteld in het kader van de bepaling van eisers arbeidsongeschiktheid per 14 september 1996 (daargelaten dat de uitkering eerst per 6 april 1997 kon ingaan). In het kader van de onderhavige procedure heeft verweerder het maatmanloon blijkens het rapport van 21 augustus 2000 van de arbeidsdeskundige S. Boschma en van 26 oktober 2000 van de bezwaar-arbeidsdeskundige G.A.A. Leune ten behoeve van de korting met ingang van 1 mei 1997 op de uitkering opnieuw beoordeeld en dit "terug geïndexeerd". Gelet op de jurisprudentie staat de vaststelling van eisers maatmaninkomen in de onderhavige procedure dan ook volledig ter toetsing open. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB, gepubliceerd in USZ 2001/1. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval en mede gelet op de uitspraak van de CRvB, gepubliceerd in RSV 2000/164 ten onrechte heeft nagelaten om een maatmanloon vast te stellen zonder daarbij (mede) gebruik te maken van de LEI-cijfers.
Ten aanzien van de arbeidsverdeling tussen eiser en zijn echtgenote vóórdat hij arbeidsongeschikt werd (de zogenaamde "x/y-factor") oordeelt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft in de onderhavige procedure deze factor (ter bepaling van het aandeel van eiser in de bedrijfswinst bij de vaststelling van het maatmanloon) gesteld op 70,6%, uitgaande van een arbeidsverdeling van 60 uur voor eiser en 25 uur voor zijn echtgenote. Namens eiser is echter verwezen naar de rapportage van 10 oktober 1998 van de arbeidsdeskundige P. de Groot, waarin deze bij het berekenen van de uren die eiser vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid nog daadwerkelijk in zijn bedrijf werkte, tot een factor van 86% (2885 uur per jaar voor eiser : 3358 uur per jaar totaal) kwam.
De rechtbank is van oordeel dat moet worden uitgegaan van een factor 70,6%. Deze factor is namelijk gebaseerd op de eigen, door eiser ingevulde en ondertekende, verklaring in zijn AAW-aanvraag. Daarbij heeft hij zijn aandeel in de werkzaamheden geschat op 60%. Ook de factor 86% zal, naar moet worden aangenomen, hebben berust op een inschatting. De rechtbank acht echter de verklaring van eiser de meest betrouwbare graadmeter voor het bepalen van de "x/y-factor".
Gelet op het vorenstaande kan het besluit voor zover betrekking hebbend op de toepassing van de art. 33 AAW respectievelijk 58 WAZ geen stand houden. Dit betekent dat ook de terugvordering op grond van de art. 48 AAW respectievelijk 63 WAZ geen stand kan houden.
Het beroep van eiser zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens strijd met voornoemde artikelen worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene.
Ter zitting is namens eiser verzocht om veroordeling van verweerder op grond van art. 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de terugvordering, gelet op verweerders brieven aan eiser van 10 en 24 oktober 2000, na afronding van de bezwaarschriftprocedure is verrekend met een nabetaling die eiser nog toekwam. Voorts is in het beroepschrift verzocht om vergoeding van de proceskosten op grond van art. 8:75 Awb.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het Lisv moet worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente op de voet van de art. 6:119 en 6:120 BW. De door eiser als gevolg van de onverschuldigde betaling van de terugvordering gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken als schade en dienen door verweerder te worden vergoed. Die rente moet worden berekend over het bruto bedrag dat aan eiser zal moeten worden terugbetaald. De rechtbank acht de schade in de vorm van wettelijke rente toewijsbaar vanaf het moment dat het bedrag van de onverschuldigde betaling met de eiser nog toekomende uitkering is verrekend. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 Awb dient het Lisv het door eiser gestorte griffierecht ad f 60,= te vergoeden.
Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten van eiser f 1.420,= (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, waarde per punt f 710,=, gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het Lisv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
- veroordeelt het Lisv tot betaling van wettelijke rente als boven aangegeven;
- bepaalt dat het Lisv het door eiser gestorte griffierecht ad f 60,= aan hem terugbetaalt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad f 1.420,=, aan eiser te betalen door het Lisv.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op
16 augustus 2001, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van der Veen als griffier.
w.g. R.J. van der Veen w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Centrale Raad van Beroep
Postbus 16002
3500 DA Utrecht.
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: 17 augustus 2001