
Jurisprudentie
AC2738
Datum uitspraak2001-08-27
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1649
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1649
Statusgepubliceerd
Indicatie
Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur op grond van bevindingen van een Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in zijn aangifte een te laag bedrag aan fooien heeft verantwoord.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Eerste Meervoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
de uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur, gedagtekend 21 april 2000, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995, en gedagtekend 24 maart 2000, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.
Het beroep is behandeld ter zitting van 13 maart 2001.
Beslissing
Het Hof
- verklaart het beroep gericht tegen de aanslag voor het jaar 1995 gedeeltelijk gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 8 573;
- verklaart het beroep gericht tegen de aanslag voor het jaar 1996 gedeeltelijk gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 43 146;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 1 420
en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en
- gelast de Staat het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.
Gronden
1. Feitelijke gronden
1.1. Belanghebbende heeft in het jaar 1995 in totaal op 68 dagen portierswerkzaamheden verricht in een drietal horecagelegenheden, genaamd A, B en C.
1.2. In het jaar 1996 heeft belanghebbende in de onder 1 genoemde gelegenheden in totaal 252.5 dagen als portier gewerkt.
1.3. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995, gedag-tekend 3 november 1998, heeft belanghebbende ter zake van de onder 1 vermelde werk-zaamheden uitsluitend ƒ 3 288 als looninkomsten verantwoord.
1.4. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, gedag-tekend 3 november 1998, heeft belanghebbende ter zake van de onder 2 vermelde werk-zaamheden ƒ 32 803 als looninkomsten verantwoord. Daarnaast is ter zake van ontvangen fooien ƒ 4 100 aangegeven.
1.5. Een zogenoemd Regionaal Interdisciplinair Fraudeteam (hierna: RIF), een samenwer-kingsverband van de Belastingdienst, het GAK Nederland B.V., de Regiopolitie Z/Q en de Sociale Dienst te Z, heeft in de periode november 1997 tot en met augustus 1998 een onderzoek verricht naar de beveiligingsbranche, waaronder portiers in horecagelegenheden. In het kader van dit onderzoek zijn waarnemingen ter plaatse verricht en hebben observaties door opsporingsambtenaren plaatsgevonden.
1.6. Op 9 februari 1999 is aan de gemachtigde van belanghebbende een verslag van de bevindingen van het RIF toegezonden. Volgens dit verslag zijn de in totaal door belang-hebbende ontvangen fooien voor het jaar 1995 berekend op ƒ 10 867 en voor het jaar 1996 op ƒ 40 430. Daarbij is uitgegaan van een gemiddelde van ƒ 1 fooi per bezoeker, een totaal aantal gewerkte dagen van belanghebbende van 68 in 1995 en van 253 in 1996, een gemiddeld bezoekersaantal voor de onderscheiden horecagelegenheden variërend van 100 tot 500 per avond, en een aantal per horecagelegenheid aanwezige portiers variërend van 1 tot 2. Met betrekking tot de schatting van de bezoekersaantallen is in het verslag nog het volgende vermeld:
"Bezoekersaantal is ingeschat kijkend naar het soort en groote van de onderneming en rekening houdend met hetgeen tijdens observaties is waargenomen (mondeling aangegeven) Het aantal zit, mede kijkend naar de populariteit en rekening houdend met een zeker verloop, aan de lage kant."
1.7. Het bedrag van ƒ 1 fooi per bezoeker is door de inspecteur onderbouwd met geanonimi-seerde verklaringen van negen portiers.
1.8. In een aanvulling op de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 heeft belanghebbende, gedagtekend 11 februari 1999, ter zake van de onder 1 ver-melde werkzaamheden ƒ 5 319 als looninkomsten verantwoord en is tevens ƒ 1 190 ter zake van ontvangen fooien aangegeven.
1.9. Bij het belastbaar inkomen dat is vermeld in de onder 3 vermelde aangifte heeft de inspecteur bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 onder meer ter zake van ontvangen fooien ƒ 10 867 bijgeteld. Het belastbaar inkomen is daarbij vastgesteld op ƒ 14 891. Bij uitspraak op bezwaar is het bedrag van de bijgetelde fooien verminderd tot ƒ 5 100 en is het belastbaar inkomen nader vastgesteld op
ƒ 9 585.
1.10. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1996 heeft de inspecteur ter zake van door belanghebbende ontvangen fooien ƒ 10 900 bijgeteld. Het vastgestelde inkomen bedraagt ƒ 45 296. Deze bijtelling is gebaseerd op een nadere schatting van de door belanghebbende ontvangen fooien op een bedrag van ƒ 75 per avond, waarbij is uitgegaan van 200 werkdagen. Bij uitspraak op bezwaar is het vastgestelde belastbaar inkomen gehandhaafd. Ter zitting heeft de inspecteur aangegeven dat het bedrag van ƒ 75 mede is ingegeven door de wens om tot een praktische oplossing te komen.
2. Rechtsgronden
2.1. Ter zitting zijn partijen het erover eens geworden dat in 1995 door belanghebbende
ƒ 4 000 aan fooien is ontvangen, zodat het belastbaar inkomen voor dat jaar, voor wat betreft de ontvangen fooien, met ƒ 1 100 moet worden verminderd. Deze vermindering leidt ertoe dat de aftrek ter zake van beroepskosten met ƒ 88 moet worden verminderd. Het belastbaar inkomen dient derhalve nader te worden vastgesteld op ƒ 8 573.
2.2. Met betrekking tot het jaar 1996 heeft de inspecteur ter zitting een onderscheid aange-bracht tussen de fooi-ontvangsten op weekenddagen en op doordeweekse dagen. Op doorde-weekse dagen ontvangt belanghebbende volgens de inspecteur aan fooi ƒ 40 per avond en op weekenddagen ƒ 90 per avond. Uitgaande van 197,5 doordeweekse dagen en 55 weekend-dagen heeft de inspecteur de in 1996 ontvangen fooien nader berekend op ƒ 12 850. Gemach-tigde heeft verklaard dat hij zich met een bedrag van ƒ 40 voor doordeweekse avonden kan verenigen, maar dat de op weekenddagen ontvangen fooien ten hoogste ƒ 80 bedragen.
2.3. Naar het oordeel van het Hof is op grond van de bevindingen van het RIF aannemelijk te achten dat belanghebbende in zijn aangifte een te laag bedrag aan fooien heeft verantwoord. Weliswaar heeft gemachtigde verschillende elementen van de berekening van het RIF betwist, zoals het aantal portiers dat op een avond werkzaam is en de gemiddelde aantallen bezoekers per avond per horecagelegenheid, maar hij heeft deze betwisting niet voldoende met feitelijke gegevens onderbouwd. Bovendien heeft de inspecteur het in aanmerking genomen bedrag van ƒ 1 fooi per bezoeker naar het oordeel van het Hof door middel van de geanonimiseerd weer-gegeven verklaringen van portiers, welke op zichzelf niet door belanghebbende zijn betwist, voldoende nader onderbouwd.
2.4. Gegeven het oordeel dat belanghebbende een te laag bedrag aan fooien heeft aangegeven, lag het op de weg van de inspecteur om de aanslag met inachtneming van de bevindingen van het RIF schattenderwijs vast te stellen. Daarbij heeft de inspecteur ten opzichte van de conclusies van het RIF een aanzienlijke marge in acht genomen teneinde - mede op praktische gronden - tegemoet te komen aan de bezwaren van belanghebbende. Dat de inspecteur, door zich uiteindelijk te baseren op de door hem nader voorgestelde gegevens als vermeld onder 2.2, het bedrag van de ontvangen fooien te hoog heeft geschat dan wel daarbij niet in redelijkheid zou hebben gehandeld, acht het Hof niet aannemelijk. Belanghebbende heeft daarvoor geen bewijs geleverd. Het Hof volgt de inspecteur derhalve in de gegevens die hij ter zitting nader heeft voorgesteld en berekent de in 1996 door belanghebbende ontvangen fooien op basis van die gegevens op een bedrag van ƒ 12 850. Nu dit bedrag ƒ 2 150 lager is dan het bedrag van ƒ 15 000 dat in het bestreden belastbaar inkomen ter zake van ontvangen fooien in aanmerking is genomen, dient dat inkomen met dat bedrag te worden verminderd tot ƒ 43 146.
2.5. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proces-kosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van de kosten vast op ƒ 1 420 (2 voor proceshandelingen x 1 voor het gewicht van de zaak x ƒ 710 waarde per punt = ƒ 1 420).
De uitspraak is gedaan op 27 maart 2001 door mr. Dutmer, voorzitter, mr. Van der Ouderaa en mr. Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door de voorzitter en de griffier ondertekend.
Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ƒ 150,--.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.