Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC2731

Datum uitspraak2001-08-27
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/3505
Statusgepubliceerd


Indicatie

Betreft de tijdigheid van een bezwaar door degene van wie is ingehouden tegen het bedrag dat door een inhoudingsplichtige van hem is ingehouden. Het Hof gaat ervan uit dat ook een dergelijk bezwaar binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld en dat die termijn overeenkomstig art. 6:7 AWB zes weken bedraagt. Nu de laatste in geschil zijnde inhouding volgens partijen op 25 februari 2000 heeft plaatsgevonden, had het bezwaar tegen die inhouding uiterlijk 7 april 2000 moeten zijn ingediend. De inspecteur heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht niet-ontvankelijk verklaard. Deze niet-ontvankelijk-verklaring houdt geen schending in van artikel 6 EVRM.


Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM Derde Enkelvoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur, gedagtekend 5 september 2000, betreffende de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen op het loon over de periode van 1 april 1999 tot en met 29 februari 2000. Het beroep is behandeld op de zitting van 3 juli 2001. BESLISSING Het Hof verklaart het beroep ongegrond; GRONDEN 1. Belanghebbende, geboren 15 april 1967 te Q (Verenigd Koninkrijk) is van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 in dienstbetrekking geweest bij de Stichting A (hierna:A) te Z. De schriftelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en A, welke is gedagtekend 11 november 1998, vermeldt omtrent de duur en beëindiging van de overeenkomst onder meer het volgende: "5. Duration and Probation Period (...) It is fully understood by the employee that A has no obligation to offer an employee contract subsequent to the present one. (...) 6. Termination of Employment This contract will terminate without the necessity of any further action by A or the employee on December 31, 1998 without any further indemnity to either party." 2. In een brief aan B van 5 oktober 1999 heeft de inspecteur/Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen medegedeeld dat belanghebbende voor de tewerkstelling bij A van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2007 in aanmerking komt voor de zogenoemde 35%-vergoedingsregeling als bedoeld in het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 mei 1995, nr. DB95/119M (hierna: de 35%-regeling). 3. Op 1 april 1999 is belanghebbende in dienst getreden bij C. 4. In een brief aan mr. D van 5 oktober 1999 heeft de inspecteur/Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen buitenland te Heerlen (hierna ook: de inspecteur) medegedeeld dat belanghebbende voor de tewerkstelling bij C niet in aanmerking komt voor de 35%-regeling. In deze brief schrijft de inspecteur onder meer: "Er is geen sprake van uitzending naar Nederland c.q. aanwerving vanuit het buitenland maar van lokale aanwerving. Bij het aangaan van de dienstbetrekking was betrokkene reeds woonachtig in Nederland zonder 35% vergoedingsregeling. Artikel 3.7 van het Besluit DB95/119M is niet van toepassing (...)." 5. De inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen door C geschiedde naar partijen ter zitting hebben verklaard maandelijks op de 25e dag van ieder maand. 6. Op 18 april 2000 is namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de inhouding over de periode april 1999 - maart 2000 heeft dit bezwaar gesplitst in een bezwaar betreffende de inhouding over de periode april 1999 - februari 2000 en een bezwaar betreffende de inhouding over de maand maart 2000. Het bezwaar betreffende de inhouding over de periode april 1999 - februari 2000 is niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar betreffende de inhouding over de maand maart 2000 is ongegrond verklaard. 7. Ofschoon een bezwaar door degene van wie is ingehouden tegen het bedrag dat door een inhoudingsplichtige van hem is ingehouden niet een bezwaar is gericht tegen een besluit van een bestuursorgaan, moet er, gelet ook op de plaats van dit rechtsmiddel in Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), van worden uitgegaan dat ook dit rechtsmiddel binnen een bepaalde termijn moet worden ingesteld en dat die termijn overeen-komstig artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zes weken bedraagt. 8. Artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt voor zover hier van belang als volgt: "In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het instellen van bezwaar (...) aan: (...) b. met ingang van de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht." 9. Uit het bepaalde in artikel 22j AWR volgt dat het bezwaar voor zover het betreft de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen op 25 februari 2000 over het in de maand februari 2000 door belanghebbende genoten loon, uiterlijk op vrijdag 7 april 2000 had moeten worden ingediend. Het bezwaar voor zover het betreft de inhoudingen over de maanden april 1999 tot en met januari 2000 had ruimschoots vóór 7 april 2000 moeten worden ingediend. Het onderwerpelijke bezwaar is ontvangen op 18 april 2000, derhalve na afloop van de daarvoor geldende termijn. Op deze grond dient het bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard. In deze zin heeft de inspecteur beslist in de bestreden uitspraak. 10. Belanghebbende heeft gesteld dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven, omdat op het moment van de inhouding niet bekend was dat de aanvraag om in aanmerking te komen voor de 35%-regeling zou worden afgewezen. Deze stelling is niet juist, inzoverre belanghebbende redelijkerwijs ten tijde van de inhoudingen over de maanden oktober 1999 tot en met februari 2000 met de onder 4 vermelde brief bekend kon zijn. Voorts had belang-hebbende met betrekking tot alle in geschil zijnde inhoudingen tijdig in bezwaar kunnen komen, onder verwijzing naar een aanvraag om in aanmerking te komen voor de 35%-regeling en in afwachting van een beslissing daarop. Voor het overige zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan in redelijkheid niet geoordeeld kan worden dat belanghebbende in verzuim is geweest. 11. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de niet-ontvankelijkverklaring een schending van het bepaalde in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) tot gevolg heeft. Naar het oordeel van het Hof valt de inhouding van belastingen en premies volksverzekeringen, waarbij geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, gelet ook op §50 van de beslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 december 1994 (Zaken 48/1993/443/522 en 49/1993/444/523), BNB 1995/113*, in het algemeen niet onder het bereik van artikel 6 EVRM. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan dit in het onderhavige geval anders zou zijn, zijn niet gesteld. 12. Nu de uitspraak in stand blijft, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 17 juli 2001 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van dit proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ƒ 150,--. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.