
Jurisprudentie
AC2645
Datum uitspraak2001-08-27
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/539
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/539
Statusgepubliceerd
Indicatie
Belanghebbende, een particulier, heeft 50% van de aandelen van zijn vennootschap verkocht aan een derde. Deze verkoop heeft naar het oordeel van het Hof ertoe geleid dat belangheb-bende zich in de vorm van een opbrengst uit hoofde van de verkoop van aandelen de helft van de hem ten tijde van die verkoop ter beschikking staande winstreserves heeft doen toekomen. Het Hof acht aannemelijk dat zulks ook door belanghebbende is beoogd. De verkoopop-brengst dient als inkomsten uit vermogen te worden belast.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Eerste Meervoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen te P, de inspecteur.
1. Loop van het geding
1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 11 februari 2000, ingediend door drs. A (I Accountants en Belastingadviseurs) te Q als zijn gemachtigde. Het beroep, aangevuld bij brief van 10 april 2000, is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 6 januari 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994. De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.876.086, met toepassing van het bijzonder tarief van 45% over een gedeelte groot ƒ 1.820.969. Het aanslagbiljet is gedagtekend 30 november 1998. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.
1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.876.086, met toepassing van het bijzonder tarief van 20% over een gedeelte groot ƒ 1.820.969.
1.3. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.
1.4. Ter zitting van 6 februari 2001 zijn verschenen belanghebbende en voornoemde gemachtigde, alsmede mr. B namens de inspecteur, tot bijstand vergezeld van C. Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inhoud van beide pleitnota's geldt als hier ingelast. Van de bij de pleitnota van gemachtigde gevoegde bijlagen heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende, geboren 17 augustus 1951 en gehuwd, is op 1 januari 1994 enig aandeelhouder van D B.V. (hierna: D BV). Deze vennootschap hield zich bezig met advieswerk op het terrein van automatisering, het verstrekken van leningen en het beleggen van gelden. Belanghebbende was van D BV tot en met 1994 tevens de directeur en de enige werknemer.
2.2. Na 1994 is belanghebbende niet meer in loondienst van D BV. In 1994 heeft belanghebbende nieuwe ondernemingsactiviteiten ontplooid in het kader van een dochterven-nootschap van E B.V (hierna: E BV), van welke vennootschap belanghebbende eveneens enig aandeelhouder was. Activiteiten op het gebied van de automatisering werden door D BV in de periode 1995 - 1999 niet meer ontplooid.
2.3. Op 26 december 1994 heeft belanghebbende 175 aandelen in KB BV, genummerd 1 tot en met 175 voor ƒ 1.967.987 verkocht aan F B.V. (hierna: F BV). Het geplaatste kapitaal van D BV bedroeg bij deze verkoop ƒ 35.000, verdeeld in 350 aandelen van ƒ 100 nominaal. In de overeenkomst van koop en verkoop van aandelen is onder meer het volgende bepaald:
"De ondergetekenden,
(...)
verklaren overeen te komen als volgt:
(...)
4. De koopsom (...) is gebaseerd op de (...) balans per 28 december 1994 en de verlies- en winstrekening over de periode 1 januari 1994 - 28 december 1994.
De koopsom zal uiterlijk worden voldaan op 28 februari 1995 door storting op een bankrekening ten name van verkoper.
(...)
8. De verkoper staat er voor in en garandeert de koper dat:
- de statuten van de vennootschap, volgens akte van oprichting d.d. 10 februari 1981 (...) sedert deze datum niet gewijzigd zijn, terwijl evenmin een besluit tot wijziging is genomen, behoudens het besluit van 21 december 1994 waarbij besloten is letteraande-len te introduceren;"
2.4. De balans van D BV per 31 december 1994, zoals deze is opgenomen in de jaarrekening van D BV over 1995, luidt verkort weergegeven als volgt:
Vorderingen ƒ 807.738 Geplaatst kapitaal ƒ 35.000
Effecten 64.303 Wettelijke reserve 5.000
Liquide middelen 3.162.804 Overige reserves 3.939.216
Kortlopende schulden 58.629
Totaal ƒ 4.034.845 ƒ 4.034.845
Hierbij zij opgemerkt dat de totaaltelling van de passiva per 31 december 1994 uitkomt op
ƒ 4.037.845. In zoverre bevat voormelde balans een onjuistheid.
2.5. In de algemene vergadering van aandeelhouders van D BV van 21 december 1994 is besloten het aandelenkapitaal van belanghebbende om te zetten in zogenoemde aandelen A en aandelen B. In de notulen van deze vergadering is onder meer het volgende vastgelegd:
"3. (...) Het bestaande maatschappelijke en geplaatste aandelenkapitaal zal voor de helft worden omgezet in aandelen A en voor de helft in aandelen B. Aan de aandelen A en B zullen aparte dividendreserves worden verbonden. De grootte van de dividendreserve per aandeel zal voor het eerst worden bepaald volgens de balans per 31 december 1994 en zal gelijk zijn aan de helft van de totale overige reserves volgens die balans."
2.6. Het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 21 december 1994 is in 1995 gevolgd door een wijziging van de statuten van D BV. In de akte van deze statuten-wijziging, verleden op 16 mei 1995, is onder meer het volgende bepaald:
"HOOFDSTUK III.
Kapitaal en aandelen. Minimum eigen vermogen. Register.
Artikel 4. Maatschappelijk kapitaal. Soorten aandelen.
1. Het maatschappelijk kapitaal bedraagt eenhonderd vijf en zeventigduizend gulden (NLG 175.000,--).
2. Het is verdeeld in eenduizend zevenhonderd vijftig (1.750) aandelen van eenhonderd gulden (NLG 100,--), en wel achthonderd vijf en zeventig (875) aandelen A en achthonderd vijf en zeventig (875) aandelen B.
(...)
HOOFDSTUK VIII.
Jaarrekening. Winst.
(...)
Artikel 23. Winst.
1. Voor elk van de soorten aandelen wordt ten behoeve van de houders van die aandelen een dividendreserve aangehouden, welke dezelfde letter draagt als de betrokken aandelen.
2. De winst wordt toegevoegd aan de dividendreserves in evenredigheid van de som van:
a. de op de aandelen van de betreffende soort totale gestorte bedragen (bedragen gestort boven het nominale bedrag daaronder begrepen);
b. het in dat boekjaar gemiddelde bedrag van de betrokken dividendreserve;
c. het bedrag waarmede ingevolge lid 4 tweede zin de betrokken dividendreserve moet worden aangevuld.
3. De algemene vergadering kan slechts op voorstel van de vergadering van houders van aandelen van een bepaalde soort besluiten een dividendreserve ten behoeve van de houders van aandelen van de betrokken soort geheel of gedeeltelijk op te heffen, (...).
4. De algemene vergadering zal een dividendreserve geheel of gedeeltelijk opheffen ter delging van geleden verlies. Indien uit een dividendreserve is geput ter delging van verlies, zal geen uitkering van dividend, anders dan door opheffing van een dividendreserve op de wijze als bedoeld in lid 3, of toevoeging aan een andere dividendreserve geschieden zolang het ter delging van verlies onttrokken bedrag niet aan die dividendreserve is toegevoegd.
(...)
SLOTVERKLARINGEN.
Ten slotte heeft de comparante verklaard:
op het tijdstip van totstandkoming van deze statutenwijziging zijn eenhonderd vijf en zeventig (175) geplaatste aandelen, genummerd 1 tot en met 175, omgezet in
eenhonderd vijf en zeventig (175) aandelen A, genummerd A1 tot en met A175, elk groot eenhonderd gulden (NLG 100,--), en zijn eenhonderd vijf en zeventig (175) aandelen, genummerd 176 tot en met 350 omgezet in eenhonderd vijf en zeventig aandelen B, genummerd B1 tot en met B175, elk groot eenhonderd gulden (NLG 100,--), zodat het totaal geplaatste en gestorte kapitaal vijf en dertigduizend gulden (NLG 35.000,--) bedraagt."
Na de statutenwijziging bezit belanghebbende de aandelen B in D BV en bezit F BV de aandelen A in D BV. De verlettering van de aandelen in D BV, alsmede de dividendreserves per type aandeel, zijn in het jaar 2000 opgeheven. In verband daarmee is door een storting van agio door de houders van aandelen A het aandeel in het vermogen van de vennootschap op hetzelfde niveau gebracht als dat van de houders van aandelen B.
2.7. Ten tijde van de onderhavige verkoop van aandelen in D BV bestond tussen belanghebbende en F BV geen verbondenheid. De aandelen van F BV waren in 1994 in eigendom van G B.V. en van H B.V. Laatstgenoemde twee vennootschappen zijn de persoonlijke houdstervennootschappen van de heren G en H die als vennoot werkzaam waren bij de maatschap I, accountants en belastingadviseurs. Algemeen directeur van F BV was drs. J.M. Peters.
2.8. In juni 1995 heeft D BV aan F BV ƒ 1.967.987 als dividend uitgekeerd. Met de aldus verkregen middelen heeft D BV de ter zake van de koop van de aandelen in F BV schuldig gebleven koopsom afgelost.
2.9. Het verloop van de kapitaalrekening van D BV over het jaar 1995 per categorie houders van aandelen in D BV en de gerechtigdheid (in procenten) van de afzonderlijke categorieën houders van aandelen in D BV tot de dividendreserve en tot het eigen vermogen van deze vennootschap is als volgt:
Aandelen Aandelen Totaal Gerechtigdheid
F BV (A) Belanghebbende (B) A B
Geplaatst kapi-
taat 1-1-1995 17.500 17.500 35.000 50% 50%
Stand dividend-
reserve 1-1-1995 1.968.108 1.968.108 3.936.216 50% 50%
Af: dividenduit-
kering 1995 1.967.897 0 1.967.897
Bij: winstverdeling
1995 23.165 52.046 75.211
Stand dividend-
reserve 31-12-1995 23.376 2.020.154 2.043.530 1.14% 98.86%
Eigen vermogen
31-12-1995 40.876 2.037.654 2.078.530 2% 98%
2.10. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 heeft belangheb-bende een bedrag groot ƒ 1.950.397, zijnde de opbrengst uit hoofde van de verkoop van de aandelen in D BV minus de kostprijs van die aandelen (1.967.897 -/- 17.500), aangemerkt als winst uit aanmerkelijk belang te belasten naar een bijzonder tarief van 20%.
2.11. Ter toelichting op de aanslag schrijft de inspecteur in een brief van 19 oktober 1998 aan de belastingadviseur van belanghebbende onder meer het volgende:
"Inkomsten uit vermogen
Overeenkomstig het schrijven van (...) 13 maart 1998 ben ik van mening dat op de opbrengst van de verkoop van aandelen D BV het kasgeldbeleid van toepassing is. Uw opmerkingen in uw brief van 7 april 1998 hebben mij niet van gedachte doen veranderen.
E.e.a. heeft tot gevolg dat de opbrengst van de aandelen niet in aanmerking wordt genomen als winst uit aanmerkelijkbelang maar als inkomsten uit vermogen. Hierop is het hoog bijzonder tarief van ex artikel 57 Wet IB van toepassing (45%)."
Het aangegeven belastbaar inkomen groot ƒ 1.874.126 is bij het opleggen van de aanslag met
ƒ 1.960 ter zake van een hogere huurwaarde van de eigen woning verhoogd tot ƒ 1.876.086. De door de inspecteur overgelegde resultatennota van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vermeldt als belastingvrije som een bedrag groot ƒ 11.850. De vastgestelde belastbare som bedraagt derhalve ƒ 1.864.236. Van deze belastbare som is door de inspecteur ter zake van een gedeelte groot ƒ 1.820.969 het bijzonder tarief van 45% toegepast. Het verschil tussen ƒ 1.864.236 en ƒ 1.820.969 bedraagt ƒ 43.267, welk bedrag overeenkomt met de in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tekst 1994 (hierna: de Wet), bedoelde drempel.
3. Geschil
In geschil is de vraag of de door belanghebbende in 1994 genoten opbrengst uit hoofde van de verkoop van aandelen in D BV dient te worden belast naar het bijzonder tarief van 20% ter zake van winst uit een aanmerkelijk belang, zoals is gesteld door belanghebbende, dan wel dat deze opbrengst, zoals is gesteld door de inspecteur, dient te worden belast naar het bijzonder tarief van 45% als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Wet, met inachtneming van de drempel als bedoeld in artikel 57, eerste lid van de Wet.
4. Standpunten van partijen
4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.
4.2. Ter zitting is hieraan namens en door belanghebbende nog het volgende toegevoegd.
De heren G en H verrichtten geen werkzaamheden voor F BV. G was als registeraccountant werkzaam bij de maatschap I, accountants en belastingadviseurs, bij welke maatschap H tot en met 1999 de functie van algemeen directeur bekleedde. G en H waren vanaf de jaren zeventig bekenden van belanghebbende. Zij hadden belangstelling om ook iets op het gebied van automatisering te ondernemen. J had ook een eigen bedrijf. De tijd die J aan F BV besteedde bedroeg een paar avondjes per jaar. F BV had eind 1994 voor de verwerving van aandelen in D BV geen vermogen beschikbaar, maar dat had wel gekund. Weliswaar heeft de samenwerking tussen belanghebbende en F eerst in het recente verleden tot activiteiten geleid, maar dat komt niet door een gebrek aan wil daartoe. Er bestond, gelet op de verdeling van de aandelen in D BV in twee partijen van 50%, tussen de aandeelhouders van
D BV geen stemovereenkomst. De overdracht van aandelen aan D BV was gericht op samenwerking. Als men iets niet zou wensen, dan zou dat ook niet gebeuren. Er waren nooit meningsverschillen. De verlettering van de aandelen in D BV is in het jaar 2000 ongedaan
gemaakt, omdat dit vanwege wijzigingen in de fiscale wetgeving vanaf 1997 niet meer interessant was. Destijds is om redenen van flexibiliteit voor verlettering van de aandelen in KB BV gekozen. Bij verschillende soorten aandelen behoeft niet iedere aandeelhouder hetzelfde dividend te krijgen. Belanghebbende had de aandelen in D BV ook aan een bank kunnen verkopen.
4.3. Ter zitting heeft de inspecteur nog het volgende toegevoegd.
De passage in de pleitnota van de inspecteur waarin is geschreven dat de zeggenschap in D BV volgens artikel 23, tweede lid, van de statuten afhangt van de grootte van de dividendreserve, is onjuist. Met 'zeggenschap' is bedoeld: economisch belang. F BV heeft voor de verkrijging van haar belang in D BV niets opgeofferd. In de praktijk komt het niet voor dat door een partij die geen middelen heeft om een bepaalde koopsom te voldoen geen zekerheden worden gesteld. Tussen belanghebbende en F BV is er - schriftelijk dan wel uitsluitend mondeling - een overeenkomst geweest betreffende de uitoefening van de aan de aandelen in D BV verbonden stemrechten. Het is onverklaarbaar waarom de destijds aanwezige dividendreserve aan aandelen A is toegerekend.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Vaststaat dat belanghebbende op 26 december 1994 een belang van 50% van de aandelen in D BV, van welke vennootschap belanghebbende tot genoemde datum de enig aandeel-houder was, voor ƒ 1.967.987 aan F BV heeft verkocht. Gelet op de onder 2.4 weergegeven balans van D BV per 31 december 1994 gaat het Hof ervan uit dat de overeengekomen koopprijs nagenoeg geheel overeenkomt met de helft van het ten tijde van deze transactie in D BV aanwezige eigen vermogen, bestaande uit ƒ 35.000 aandelenkapitaal en circa ƒ 3.944.216 winstreserves. Koper is de koopprijs in eerste instantie aan belanghebbende schuldig gebleven. In juni 1995 heeft koper de koopprijs afgelost, nadat D BV haar het voor de aflossing benodigde bedrag van ƒ 1.967.987 als dividend had uitgekeerd.
5.2. Vóór de onder 5.1 vermelde verkoop van aandelen heeft D BV haar ondernemings-activiteiten voortgezet in E BV. Vanaf 1 januari 1995 is belanghebbende niet meer in dienst van D BV, maar van E BV. Het participeren van F BV in D BV heeft, anders dan naar zeggen van belanghebbende was beoogd, in de periode 1995 - 1999 niet tot het ondernemen van nieuwe activiteiten van D BV geleid.
5.3. De algemene vergadering van aandeelhouders heeft op 21 december 1994 besloten het aandelenkapitaal van belanghebbende in aandelen A en aandelen B te verletteren. Met dit verletteren hangt, gelet op artikel 23, tweede lid, van de op 16 mei 1995 gewijzigde statuten van D BV, samen dat de door D BV behaalde winst wordt verdeeld in evenredigheid van - onder meer - de som van de op een bepaalde soort aandelen gestorte bedragen en de in een boekjaar per soort aandelen gemiddeld aanwezige dividendreserve. Gelet ook op artikel 8 van de koopovereenkomst als vermeld onder 2.3 gaat het Hof ervan uit dat F BV ten tijde van de koop van de aandelen in D BV op de hoogte was met het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van D BV als vermeld onder 2.5. Voorts gaat het Hof ervan uit dat dit besluit, bezien in samenhang met de daarop gevolgde statutenwijziging, het mogelijk maakte dat de helft van de op 31 december 1994 in D BV aanwezige reserves als dividend aan F BV kon worden uitgekeerd.
5.4. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende door middel van een samenstel van rechts-handelingen de beschikking gekregen over de helft van de eind 1994 in D BV aanwezige winstreserves, terwijl de belanghebbende tevens het belang in D BV nagenoeg geheel heeft behouden. Van een duurzame overgang van meer dan 10% van het belang in D BV is volgens de inspecteur geen sprake. Bij de litigieuze transactie is belastingverijdeling het doorslaggevend motief. Hieraan verbindt de inspecteur als conclusie dat het in 1994 gerealiseerde trans-actieresultaat niet als winst uit aanmerkelijk belang moet worden behandeld, maar als inkomsten uit vermogen en dat genoemd transactieresultaat derhalve niet naar het bijzonder tarief van 20% dient te worden belast, maar, met inachtneming van het terzake door de staatssecretaris van Financiën in het Besluit van 14 augustus 1995, nr. DB95/2248M, BNB 1995/261, gepubliceerde beleid, naar het bijzonder tarief van 45%.
5.5. Belanghebbende heeft het standpunt van de inspecteur bestreden. In dat verband stelt belanghebbende dat belanghebbende en F BV met de verkoop van aandelen in D BV de bedoeling hadden een duurzame samenwerking tussen hen tot stand te brengen en dat de verdeling van de aandelen in een verhouding 50 : 50 daarop ook duidt. In dit verband stelt belanghebbende voorts dat F BV de verwerving van de aandelen in D BV ook had
kunnen financieren met een banklening. Voorts stelt belanghebbende dat de ondernemings-activiteiten van D BV, bestaande uit het verstrekken van enkele risicovolle leningen en het houden van aandelen in K B.V., niet zijn gewijzigd. Uit de verdeling van de winst over het jaar 1995 volgt dat ruim 30% van die winst is toegevoegd aan de dividendreserve van de door F BV gehouden aandelen A. Bovendien zal de verdeling van de restwinst bij liquidatie van de vennootschap plaatsvinden in een verhouding 50 : 50. Belanghebbende heeft het belang bij de onderneming van D BV niet geheel dan wel nagenoeg geheel behouden. Aan het zogenoemde putcriterium is niet voldaan doordat F BV ten tijde van de aandelenoverdracht niet over voldoende zeggenschap beschikte om zelfstandig tot uitkering van dividend over te gaan. Ook is geen sprake van een samenwerkende groep aandeelhouders. Van een duurzame betrokkenheid bij D BV is sprake doordat F BV nog steeds aandeelhouder is. Het onderhavige geval is te vergelijken met een verkoop van aandelen aan derden met behulp van een zogenoemde procuratiehouder-B.V., zoals het geval was in het arrest HR 10 september 1980, nr. 19 940, BNB 1980/331*.
5.6. Aangezien de samenwerking die volgens belanghebbende tussen hem en F BV werd beoogd, welke samenwerking gericht zou zijn op het entameren van nieuwe onderne-mingsactiviteiten van D BV, in de periode 1995 - 1999 feitelijk niet tot stand is gekomen, acht het Hof het aannemelijk dat de desbetreffende voornemens, wat daarvan verder mag zijn, bij de totstandkoming van de verkoop van aandelen D BV geen dan wel een zeer geringe rol hebben gespeeld. In dit licht bezien acht het Hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de verkoop van aandelen in D BV aan F BV is ingegeven door het streven om de ten tijde van de verkoop in belanghebbende aanwezige reserves in de vorm van een opbrengst uit hoofde van de verkoop van aandelen aan belanghebbende te doen toekomen. Dit vermoeden is weliswaar vatbaar voor tegenbewijs, maar daarin acht het Hof belanghebbende niet geslaagd, aangezien belanghebbende met betrekking tot een effectuering van de gestelde voornemens in de periode 1995 - 1999 geen, althans onvoldoende, concrete aanwijzingen heeft verstrekt.
5.7. Belanghebbende heeft gesteld dat de koopprijs ook op een andere wijze had kunnen worden voldaan dan door de uitkering van dividend. Nu evenwel de overeengekomen koopprijs feitelijk is voldaan door middel van het uitkeren van dividend van een evenzo groot bedrag aan F BV acht het Hof de alternatieve wegen die volgens belanghebbende ook mogelijk zouden zijn geweest, doch door hem noch zijn uitgewerkt noch zijn onderbouwd en in ieder geval niet als verwerkelijkbaar zijn aannemelijk gemaakt of geworden, niet relevant. De daadwerkelijk gekozen weg heeft ertoe geleid dat een gedeelte van de winstreserves van D BV in de vorm van een verkoopopbrengst van aandelen in die vennootschap aan belanghebbende zijn toegekomen. Gelet ook op het overwogene onder 5.6 acht het Hof het aannemelijk dat het doen toekomen van een substantieel deel van de winstreserves van D BV aan belanghebbende ook het motief is geweest voor de wijze waarop de koopprijs van de aandelen door F BV is voldaan. Ook in dit verband acht het Hof het van belang dat van feitelijke activiteiten in het kader van de gestelde samenwerking tussen belanghebbende en F BV niet is gebleken, dat de aandeelhouders van F BV werkzaam waren bij de maatschap die belanghebbende van fiscale adviezen voorzag, dat, anders dan uit het vorenstaande voortvloeit, niet is gebleken van werkzaamheden van enige omvang of inhoud van hen bij of ten gunste van F BV voor die jaren, en voorts dat niet is gesteld en evenmin is gebleken dat F BV over de voor de koop van de aandelen in D BV benodigde middelen beschikte.
.
5.8. In het onderhavige geval is de verkoop van aandelen in D BV gepaard gegaan met een wijziging van de statuten van die vennootschap welke tot gevolg heeft gehad dat de verdeling van de winst van D BV mede werd gerelateerd aan de in D BV aanwezige winstreserves per soort aandelen. Deze wijze van verdeling van de winst van D BV houdt, gelet ook op het bepaalde in artikel 23 van de op 16 mei 1995 gewijzigde statuten van D BV, in dat het, door geen dividend uit te keren, in zoverre in de macht van de vergadering van de houders van een bepaalde soort aandelen kwam te liggen om de door D BV te realiseren winst aan hen te doen toekomen.
5.9. In beginsel heeft het in de macht gelegen van F BV, als de houder van aandelen A in D BV, om, door het aan de aandelen A toegerekende gedeelte van de dividendreserve niet geheel of gedeeltelijk op te heffen, een recht, gelijk aan dat van de houders van aandelen B, op de door D BV te realiseren winsten te behouden. Dan had evenwel F BV, die niet zelf over de middelen beschikte om de ter zake van de koop van de aandelen in F BV verschuldigde koopsom te voldoen, zich op andere wijze dan door middel van de uitkering van dividend van de voor de koop van de aandelen in D BV benodigde middelen dienen te voorzien. Aangezien dit laatste niet is gebeurd gaat het Hof aan deze mogelijkheid, welke ook overigens niet nader met feiten is onderbouwd, voorbij.
5.10. Doordat F BV feitelijk ervoor heeft gekozen om de koopprijs van de aandelen in D BV te putten uit de dividendreserve behorend bij de door haar verworven aandelen A, is een situatie ontstaan waarin belanghebbende het, door de aan de aandelen B toegerekende dividendreserve te handhaven, in zoverre in eigen macht heeft verkregen om de door D BV te realiseren winst aan haar te doen toekomen. Dit betekent, zoals ook wordt geïllustreerd door de onder 2.9 opgenomen meest rechterkolom, dat belanghebbende het belang in D BV, althans het belang bij de door D BV na de verkoop van de aandelen te behalen resultaten, nagenoeg geheel heeft behouden. Dit laatste had anders kunnen zijn, indien F BV, zoals belanghebbende heeft gesteld, op haar aandelen in D BV kapitaal zou hebben gestort. Dit is echter niet gebeurd. Voor de beoordeling van de omvang van het belang dat belanghebbende in D BV heeft behouden gaat het Hof aan de door belanghebbende veronderstelde doch in geen enkel opzicht verwerkelijkte en mitsdien louter theoretische mogelijkheid van kapitaal-stortingen door F BV voorbij. Zulks nog afgezien ervan, dat belanghebbende het door hem kennelijk veronderstelde vermogen van F BV om kapitaalstortingen in D BV te verrichten niet nader met feiten heeft onderbouwd.
5.11. De onderwerpelijke verkoop van aandelen in D BV heeft ertoe geleid dat belangheb-bende zich in de vorm van een opbrengst uit hoofde van de verkoop van aandelen in D BV de helft van de hem ten tijde van die verkoop als aandeelhouder ter beschikking staande winstreserves heeft doen toekomen. Dat zulks door belanghebbende is beoogd acht het Hof aannemelijk. Het Hof acht het in strijd met doel en strekking van de Wet, meer in het bijzonder met de wijze waarop in de Wet een onderscheid wordt gemaakt tussen de vermogens- en de inkomenssfeer, indien de door belanghebbende genoten opbrengst niet als inkomsten uit vermogen aan de heffing van inkomstenbelasting worden onderworpen. De door belangheb-bende genoten opbrengst dient, voor zover dit niet reeds uit de toepassing van artikel 24 van de Wet zelve volgt, met toepassing van het leerstuk der wetsontduiking als inkomsten uit vermogen te worden belast. Dit oordeel leidt tot de conclusie dat de inspecteur de in 1994 door belanghebbende genoten opbrengst ter zake van de verkoop van aandelen in D BV terecht als inkomsten uit vermogen, naar het tarief voor inkomsten uit vermogen, zij het voor
het bedrag boven de in artikel 57, eerste lid, van de Wet bedoelde drempel beperkt tot het bijzonder tarief van 45% als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Wet, aan de heffing van inkomstenbelasting heeft onderworpen.
6. Proceskosten
Nu het beroep ongegrond is acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten van belanghebbende.
7. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan op 10 juli 2001 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Goes en Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte van de uitspraak door de griffier in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) de dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.