
Jurisprudentie
AC2601
Datum uitspraak2001-08-27
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers5446/88
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers5446/88
Statusgepubliceerd
Indicatie
Belanghebbende verwierf in 1982 CDK-spaarbiljetten. Het Hof acht aannemelijk dat de CDK-bank bij de uitgifte van deze biljetten wist dat de rente waarop die biljetten recht gaven vrijwel aanstonds na de uitgifte zou worden uitbetaald. Met betrekking tot dergelijke toonder-papieren dient ervan te worden uitgegaan dat geen spaarbiljetten zijn uitgegeven waarop rente over de daarin vermelde hoofdsom wordt betaald, maar dat sprake is van toonderpapieren met disagio. Deze toonderpapieren gaven recht op een bedrag waarin een vergoeding van rente is begrepen die als inkomsten uit vermogen in aanmerking dient te worden genomen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Eerste Meervoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een navorderingsaanslag opgelegd door de Inspecteur der directe belastingen te P¹, hierna - met inachtneming van het overgaan van de bevoegdheid van deze ten aanzien van belanghebbende naar het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P² - de inspecteur.
1. Loop van het geding
1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 15 december 1988, ingediend door dr. A te Q als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1984, gedagtekend 27 oktober 1988.
1.2. De navorderingsaanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 151 583. De nagevorderde belasting bedraagt ƒ 19 908. Bij de navorderingsaanslag is een verhoging opge-legd ter grootte van 100% van de nagevorderde belasting, waarvan 50% is kwijtgescholden.
Het beroep strekt tot vernietiging van de navorderingsaanslag.
1.3. De inspecteur heeft geconcludeerd tot handhaving van de aanslag en tot het vervallen van de opgelegde verhoging. Bij brief van 3 oktober 1991 heeft de inspecteur een kopie van een ambtshalve beschikking, gedagtekend 31 oktober 1991, overgelegd inhoudende een verminde-ring van de bestreden navorderingsaanslag met het bedrag van de verhoging.
1.4. Ter zitting van de Eerste Enkelvoudige Belastingkamer van 26 september 1991 is ver-schenen mr. B als gemachtigde bij substitutie, alsmede namens de inspecteur mr. C, vergezeld van mr. D. De inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Van de bij deze pleitnota overgelegde bijlagen, genummerd 05 tot en met 37, alsmede van de door de inspecteur als vertoogschrift aangeduide geschriften, gedagtekend 24 september 1991, heeft belanghebbende kunnen kennis nemen en zich erover kunnen uitlaten. Deze bijlagen behoren tot de gedingstukken.
1.5. Ter zitting van 20 februari 2001 is verschenen namens de inspecteur mr. drs. E. De griffier heeft de gemachtigde A bij aangetekende brief van 17 januari 2001 mededeling gedaan van dag, uur en plaats van de mondelinge behandeling van het beroep. Namens belanghebbende is niemand verschenen.
1.6. Ter zittingen zijn gelijktijdig behandeld de beroepen inzake de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1984, kenmerk 5446/88, de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1984,
kenmerk 4996/88, de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1985, kenmerk 5447/88, en de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1986, kenmerk 4997/88.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende heeft bij overeenkomst van 30 december 1982 (hierna: de overeenkomst) achtentwintig 9% spaarbiljetten aan toonder (hierna: de spaarbiljetten) gekocht van de besloten vennootschap F BV gevestigd te R. De spaarbiljetten zijn uitgegeven door de N.V. Crediet- en Depositokas, bankbedrijf van de Grenswisselkantoren N.V. (hierna: CDK-Bank), met een looptijd van twee jaar en een nominale waarde van ƒ 10 000 welk bedrag na het verstrijken van de looptijd in één keer wordt uitbetaald. Bij de overeenkomst heeft F BV ten behoeve van haarzelf het tijdelijk recht van vruchtgebruik van de spaarbiljetten voorbehouden. De koopprijs bedroeg ƒ 251 560.
2.2. Kort voor de totstandkoming van de overeenkomst heeft F BV de volle eigendom van de spaarbiljetten gekocht van de CDK-Bank.
2.3. Na het verstrijken van de looptijd van de spaarbiljetten heeft belanghebbende in december 1984 de hoofdsom van ƒ 10 000 per biljet ontvangen, in totaal ƒ 280 000.
2.4. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur een bedrag groot
ƒ 28 440, gelijk aan het verschil tussen de onder 2.1 vermelde koopprijs en de totale aflossing als vermeld onder 2.3, tot het nader vastgestelde belastbare inkomen gerekend.
3. Geschil
In geschil zijn de volgende vragen:
1. Beschikte de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de navorderingsaanslag over een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tekst 1988 (hierna: AWR).
2. Dient het onder 2.4 vermelde bedrag bij belanghebbende als inkomsten uit vermogen te worden belast.
4. Standpunten van partijen
4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de onder 1 vermelde pleitnota.
4.2. Ter zitting van de Eerste Enkelvoudige Belastingkamer van 26 september 1991 is, zakelijk weergegeven, namens belanghebbende aanhouding van de verdere behandeling van de zaak bepleit. Betoogd werd dat de zaak vanaf 1988 loopt en dat jaren zijn verstreken voordat eerst één dag voor de zitting vertoogschriften werden ontvangen. De inspecteur heeft verklaard dat - ten onrechte - de indruk bestond dat uitstel was verleend voor het indienen van een vertoogschrift. Voorts heeft de inspecteur verklaard dat de verhoging kan komen te vervallen.
4.3. Ter zitting van 20 februari 2001 is namens de inspecteur nog het volgende toegevoegd. De feiten in het onderhavige geval zijn gelijk aan die betreffende CDK-spaarbiljetten waarin de Hoge Raad het materiële geschil in het voordeel van de fiscus heeft beslist. Ik verwijs naar deze beslissingen. Met betrekking tot de aanwezigheid van een nieuw feit sluit ik mij aan bij de bij eerdere gelegenheid overgelegde stukken.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Met betrekking tot het nieuwe feit als vermeld in artikel 16, eerste lid, AWR heeft belanghebbende gesteld dat dit feit ontbreekt. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend was met alle relevante aspecten betreffende de spaarbiljetten, althans dat deze aspecten hem toentertijd redelijkerwijs bekend konden zijn.
5.2. De inspecteur heeft door middel van de ter zitting van 26 september 1991 overgelegde bijlagen, waaronder een als vertoogschrift aangeduid geschrift van 24 september 1991 betreffende de navorderingsaanslag in de vermogensbelasting 1985, gesteld dat op 19 september 1986 een huiszoeking heeft plaatsgevonden bij een belastingadviseur. De bij deze huiszoeking inbeslaggenomen administratie heeft geleid tot een nader onderzoek door de Inlichtingendienst van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD). Dit onderzoek heeft geleid tot een renseignement van de FIOD dat, naar niet is betwist, geruime tijd na het opleggen van de aanslag is ontvangen. Volgens dit renseignement is op grond van het onderzoek ter zake van de spaarbiljetten gebleken dat geen sprake was van blote eigendommen, zoals was vermeld in de aangifte van belanghebbende, maar van waarde-papieren met een disagio.
5.3. In zijn arrest van 23 december 1992, nr. 27 326, BNB 1993/75c*, heeft de Hoge Raad inzake CDK-spaarbiljetten de inhoud die aan de rechtsverhouding tussen de CDK-Bank en de houders van de spaarbiljetten is gegeven door de CDK-Bank als emittent van de spaarbiljetten en een tussenpersoon - in het onderhavige geval - F BV als neemster daarvan, voor de fiscale kwalificatie van de spaarbiljetten beslissend geacht. De inspecteur heeft met betrekking tot de ingediende aangifte gesteld dat de spaarbiljetten daarin als blote eigendommen zijn aangeduid. Het Hof acht deze stelling aannemelijk. Uit de enkele vermelding dat belanghebbende in bezit was van de blote eigendom van spaarbiljetten behoefde de inspecteur redelijkerwijs niet af te leiden dat belanghebbende ter zake van dat bezit belastbare inkomsten had genoten. Door naar aanleiding van deze vermelding geen nader onderzoek te verrichten naar de vraag of belanghebbende in plaats van blote eigendommen in bezit was van toonderpapieren die met disagio waren verkregen en die recht gaven op een bedrag waarin een vergoeding van rente was begrepen heeft de inspecteur zijn onderzoeksplicht niet geschonden. In dit opzicht is geen
sprake van een ambtelijk verzuim. Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof het onder 5.2 vermelde renseignement, waarvan de inhoud op zich zelf niet door belanghebbende is betwist, een nieuw feit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, AWR.
5.4. Inzake het materiële geschilpunt heeft belanghebbende gesteld dat met betrekking tot de spaarbiljetten niets tot zijn belastbare inkomen is te rekenen. In dat verband heeft belangheb-bende onder meer verwezen naar de arresten HR 7 februari 1979, 18 788, 18 954 en 19 078, respectievelijk BNB 1979/87, 88 en 90.
5.5. Ter zitting van 26 september 1991 heeft de inspecteur gesteld dat de spaarbiljetten eerst werden uitgegeven nadat zich geïnteresseerde particulieren voor die spaarbiljetten hadden aangediend. Min of meer gelijktijdig met de uitgifte daarvan zijn de spaarbiljetten door F BV verworven teneinde aan vorenbedoelde particulieren te worden verkocht. Deze verkoop ge-schiedde onder het voorbehoud van het recht op vruchtgebruik van de spaarbiljetten, welk recht volgens de inspecteur zeer korte tijd na het ontstaan van dit recht teniet is gegaan als gevolg van de uitbetaling door de CDK-Bank aan F BV van de rente waarop de spaarbiljetten recht gaven. Tot de door de inspecteur ter zitting van 26 september 1991 overgelegde stukken behoort een kopie van een telex van F BV van 7 maart 1985 aan de CDK-Bank waarin wordt bevestigd dat de CDK-Bank de opdracht heeft ontvangen om ten behoeve van een bepaalde cliënt van F BV spaarbiljetten in bewaring te nemen, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat F BV op ieder door haar gewenst moment kan beschikken over de rente waarop de spaarbiljetten recht gaven. Voorts heeft de inspecteur verwezen naar de casus in de uitspraak van het Hof te 's-Hertogenbosch waarop het arrest BNB 1993/ 75c* is gevolgd, zulks onder overlegging van desbetreffende stukken, en gesteld dat de situatie in het onderhavige geval met die casus overeenkomt. Ter zitting van 20 februari 2001 heeft de inspecteur verwezen naar de uitspraak in verwijzing die op het arrest BNB 1993/75c* is gevolgd, te weten Hof Arnhem 4 juli 1995, nr. 92/2621, gepubliceerd in VN 1996, blz. 991.
5.6. In zijn voormelde uitspraak heeft het Hof Arnhem aannemelijk geoordeeld dat de vennootschappen die de door de CDK-Bank uitgegeven spaarbiljetten aan particuliere beleggers verkochten, vrijwel aanstonds na de uitgifte de rente op die spaarbiljetten opeisten en dat de CDK-Bank reeds bij de uitgifte van de spaarbiljetten wist, althans ervan uitging dat die vennootschappen van hun recht de rente terstond op te eisen gebruik zouden maken. Nu de inspecteur heeft gesteld dat in het onderhavige geval sprake is van spaarbiljetten die in feitelijke zin overeenkomen met de spaarbiljetten waarover het Hof Arnhem heeft geoordeeld, welke stelling door belanghebbende verder niet is betwist en waarvoor de inspecteur ook overigens bewijs heeft bijgebracht, acht het Hof het aannemelijk dat de CDK-bank ook bij de uitgifte van de in geschil zijnde spaarbiljetten wist, althans ervan uitging, dat de rente waarop die biljetten recht gaven vrijwel aanstonds na de uitgifte zou worden uitbetaald aan F BV. Met betrekking tot dergelijke toonderpapieren dient ervan te worden uitgegaan dat geen spaarbiljetten zijn uitgegeven waarop rente over de daarin vermelde hoofdsom wordt betaald, maar, zoals volgt uit het arrest BNB 1993/75c* (r.o. 4.2), dat sprake is van toonderpapieren met disagio, welke elk slechts recht gaven op een bedrag van ƒ 10 000, waarin een vergoeding van rente is begrepen over het bedrag dat de CDK-Bank - na aftrek van het ten titel van rente door haar betaalde bedrag - per saldo als storting voor het biljet heeft ontvangen, en welke toonderpapieren door F BV aan belanghebbende in volle eigendom zijn overgedragen. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het in geschil zijnde bedrag als inkomsten uit vermogen in aanmerking dient te worden genomen. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur.
6. Proceskosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof stelt de tegemoetkoming in de proceskosten met inachtneming van het Besluit proceskosten fiscale procedures vast op 2 punten (proceshandelingen) x 710 (waarde per punt) x 1.5 (wegings-factor) x 1.5 (vier samenhangende zaken) = ƒ 3.195. De kostenveroordeling heeft betrekking op de zaken met als kenmerk 5446/88, 4996/88, 5447/88, en 4997/88, hetgeen per zaak neerkomt op ƒ 798,75.
7. Beslissing
Het Hof:
- verklaart het beroep gegrond,
- handhaaft de navorderingsaanslag, zoals deze ambtshalve is verminderd;
- veroordeelt de verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van
ƒ 798,75 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en
- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad ƒ 75 te vergoeden.
De uitspraak is vastgesteld op 22 mei 2001 door mrs Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) de dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.