
Jurisprudentie
AC2564
Datum uitspraak2001-08-27
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers99/3210
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers99/3210
Statusgepubliceerd
Indicatie
Belanghebbende heeft gesteld dat hij na afloop van een langdurige detentie Nederland in 1992 metterwoon heeft verlaten. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende deze stelling niet aannemelijk gemaakt. De stelling van de inspecteur dat belanghebbende in Nederland is blijven wonen acht het Hof aannemelijk. Voorts past het Hof de zogenoemde ‘omkering van de bewijslast toe’, nu belanghebbende het aan hem uitgereikte aangiftebiljet niet heeft ingevuld en geretourneerd. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de aanslag onjuist is.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Eerste Meervoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.
1. Loop van het geding
1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 11 oktober 1999, ingediend door A te Q als zijn gemachtigde. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 10 januari 2000. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 31 augustus 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994.
1.2. Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 150.000 en met een boete van ƒ 1.000 wegens het niet gevolg geven aan de aanmaning tot het doen van aangifte. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Het beroep strekt primair tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag, en subsidiair tot het aanhouden van de zaak, teneinde een compromis met de inspecteur te sluiten dan wel het standpunt van belanghebbende nader te onderbouwen.
1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.
1.4. Ter zitting van 9 januari 2001 zijn verschenen voornoemde gemachtigde, alsmede mr. B namens de inspecteur, vergezeld van C. De gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt. Van de bij deze pleitnota gevoegde bijlagen heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich erover kunnen uitlaten. De inspecteur heeft twee computeruitdraaien overgelegd uit het systeem Beheer van Relaties, waarvan de gemachtigde heeft kunnen kennisnemen en waarover hij zich heeft kunnen uitlaten.
1.5. De beroepen van belanghebbende tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997, met als kenmerken respectievelijk 99/3209, 99/3210, 99/3211, 99/3212 en 99/3213, zijn gelijktijdig ter zitting behandeld. De zaak betreffende het jaar 1993 met kenmerk 99/3209 is vervolgens verwezen naar de enkelvoudige belastingkamer.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Ten name van belanghebbende heeft de inspecteur aangiftebiljetten inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1993 tot en met 1997 verzonden dan wel laten verzenden naar het adres a-straat teQ; die voor de jaren 1993 tot en met 1995 op of omstreeks 20 maart 1996 en die voor de jaren 1996 en 1997 na januari 1997. De aangiftebiljetten 1993 en 1994 zijn op 26 maart 1996 aan de inspecteur geretourneerd met op de enveloppe de vermelding: "Retour afzender. Woont hier niet!". De aangiftebiljetten 1995 tot en met 1997 zijn niet terugontvangen.
2.2. In opdracht van het hoofd van de vestiging Q van de Belastingdienst/FIOD is een onderzoek verricht naar de woonplaats van belanghebbende in de jaren 1993 - 1996. Het rapport dat van dit onderzoek is uitgebracht, is als bijlage C bij het verweerschrift gevoegd (hierna: het rapport). In het rapport is onder meer het volgende vermeld:
"ONDERZOEK
a. Algemeen:
X is vermoedelijk vanaf 1984 tot omstreeks april 1992 in Nederland gedetineerd geweest, laatstelijk in het Huis van Bewaring te R (...). Na zijn detentie staat hij bij de belastingdienst formeel geregistreerd als "vertrokken onbekend waarheen".
Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit. Van hem is geen woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend.
Verdachte heeft al sinds jaren een relatie met D, geboren 1960. Uit deze relatie zijn een drietal kinderen geboren. De geboortedata van de kinderen zijn respectievelijk: (…). D is vanaf haar geboorte woonachtig in Nederland. Zij staat achtereenvolgens ingeschreven, en is ook feitelijk woonachtig (geweest), op de volgende adressen:
tot 9 augustus 1993: b-straat te Q
van 9 augustus 1993 tot 17 maart 1997: a-straat teQ,
van 17 maart 1997 tot 8 september 1997: c-straat te Q en vanaf 8 september 1997: d-laan te S.
Het oudste (…) en het jongste kind (…) staan bij haar ingeschreven. Het 2e kind (…) is opgenomen in een pleeggezin."
2.3. Op (…) is op belanghebbende in de a-straat te Q met een vuurwapen een aanslag gepleegd. Daarbij is belanghebbende gewond geraakt, waarna hij is opgenomen in het Ziekenhuis te Q.
2.4. In een proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 maart 1996 (bijlage 26 bij het rapport) verklaart D, wonende a-straat te Q, onder meer het volgende:
"Ik ben de vriendin van X (...) wonende te Spanje. Ik heb wel twee kinderen samen met X maar hij woont niet bij mij op voornoemd adres. X heeft negen jaar vastgezeten (...). Nadat mijn vriend was ontslagen uit de gevangenis heeft hij gedurende een periode van ongeveer 1 jaar bij mij gewoond (...) in de a-straat. Op een gegeven moment kreeg X het gevoel dat hij naar buiten wilde omdat hij zolang vast had gezeten. X is toen min of meer een beetje gaan zwerven. Hij verblijft wel in Frankrijk en in Spanje en soms ook in Nederland.
Als X in Nederland is dan slaapt hij op mijn adres aan de a-straat want hij heeft natuurlijk ook nog zijn kinderen bij mij.
De relatie tussen mij een X op het ogenblik is redelijk te noemen. X is de afgelopen tweeenhalf a drie weken niet thuis geweest met uitzondering van de laatste drie dagen. De reden hiervan is dat X de laatste tijd veel dronk. Ik heb zelf een vader gehad die alcoholist was en ik had daar dus geen zin in. Ik heb op een gegeven moment ruzie gekregen met X hierover en toen heb ik een ander slot op de deur gezet. X kon er dus toen niet meer in. X is in die drie weken ongeveer twee keer bij mij geweest. Waar hij in die tussenliggende periode heeft verbleven kan ik u niet vertellen omdat ik dat niet weet.
(...)
X zit volgens mij in het onroerend goed.
(...)
U vraagt mij of ik wat namen kan noemen van personen waar X mee omgaat (...). Verder gaat X ook nog wel om met ene E (...) in de e-straat te Q.
(...)
Gisteren (...) is X is 's morgens gaan trainen. Hij heeft toen eerst onze dochter (...) naar school gebracht en is daarna doorgegaan naar de sportschool in een zijstraat (...) voorbij het f-plein."
2.5. In een proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 maart 1996 (bijlage 27 bij het rapport) heeft belanghebbende onder meer het volgende verklaard:
"Ik woon samen met D, wonende a-straat te Q."
2.6. In een proces-verbaal van verhoor van 19 februari 1998 heeft F (bijlage 24 bij het rapport) inzake belanghebbende onder meer het volgende verklaard:
"Ik woon hier al sinds 1941."
(...)
"Ja, die heeft hier gewoond op de a-straat. Zijn vrouw D is hier eerst komen wonen. X zat toen nog vast. Zij kwam hier wonen met hun dochter. Hun zoontje is hier geboren. Ik heb X vrijwel dagelijks gezien. Hij ging toen heel veel trainen met zijn kornuiten. Gedurende de periode na zijn vrijlating tot de schietpartij kun je zeggen dat X hier in de straat heeft gewoond.
(...)
Na de schietpartij in 1996 heb ik X niet meer gezien. Zijn vrouw is kort daarna ook weggegaan. D kwam wel eens in de week de post halen.(...)"
2.7. In een proces-verbaal van verhoor van 19 februari 1998 (bijlage 25 bij het rapport) heeft G inzake belanghebbende onder meer het volgende verklaard:
"Ik woon hier al sinds 1974."
(...)
"Ja, die ken ik van gezicht. Hij heeft gewoond op de a-straat. Hij is hier komen wonen omstreeks 1990. Eerst woonde D hier met hun dochter. Hun zoontje is hier geboren. Daarvoor is D nog in verwachting geweest. Dat kind was niet goed en dat zou kort na de geboorte zijn overleden.
(...)
X heeft hier al die jaren gewoond. Na die schietpartij heb ik hem nooit meer gezien (...).X zagen we regelmatig. Hij had vaak een trainingspak aan; hij zal dan wel zijn gaan sporten. X reed veel in een BMW.
Hij ging wel samen op pad met een man (...) die op de e-straat woont. Dat was vooral de laatste tijd."
2.8. In het kader van door hem verrichte observaties heeft H verklaard dat hij belanghebbende op 28 september 1994 op het parkeerterrein van I te Q heeft waargenomen (bijlage 6 bij het rapport).
2.9. In een proces-verbaal van een observatie op 22 november 1995 (bijlage 8 bij het rapport) heeft J, inspecteur van politie, onder meer het volgende verklaard:
"22 november 1995:
(...)
Even later werd gezien dat X met een Mercedes (...) vanaf de e-straat de a-straat in kwam rijden en stopte ter hoogte van perceel (…). Er werd gezien dat X en zijn passagier (...) naar binnen gingen in de woning van X."
2.10. In een proces-verbaal van een observatie op 27 maart 1996 (bijlage 9 bij het rapport) heeft J, onder meer het volgende verklaard:
"27 maart 1996:
10.30 uur: Bij de sportschool (...) te Q (...) staat de mercedes (...) waarvan
wij weten, dat deze in gebruik is bij X.
(...)
11.35 uur: Komt uit de sportschool de ons bekende X."
2.11. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek is de telefoonaansluiting op het adres a-straat te Q van 23 november 1995 tot en met 11 maart 1996 afgeluisterd. In de periode van 13 mei 1996 tot en met 21 december 1996 en in de periode van 23 december 1996 tot en met 5 oktober 1997 is de mobiele telefoon waarvan het nummer in gebruik was bij belanghebbende afgeluisterd. Transcripties van deze telefoongesprekken behoren als bijlage 10, 11, 12 en 13 bij het onder 2.2 vermelde rapport.
De transcripties van de telefoongesprekken vermelden onder meer het volgende gesprek tussen belanghebbende en D op 20 juni 1996 (bijlage 20 bij het rapport):
" 17.58 uur (...) D zegt dat ze even naar huis is geweest. Daar lagen twee aanslagen, voor jou weer, en die zal ze even meteen terug sturen. X vraagt, aanslagen of brieven. D zegt, dan die dinges, weet je wel, van die blauwe. X zegt, als je blauwe zegt (…), dan weet iedereen, dat het van de belasting is.
D: Weer twee.
X: Ja, gaat per twee, he.
D: He?
X: Gaat per twee.
D: Ja, is dat zo? Nou ik stuur ze gewoon terug, nou niks mee te maken. Ja, toch?
X: Jaha.
D: Of niet?
X: Jaha, woont hier niet, he.
D: He?
X: Woont hier niet.
D: Nee, die woont er ook niet. Dus. (...)."
2.12. In een uittreksel per 23 januari 1995 (bijlage 14 bij het rapport) uit het Handelsregister betreffende K Plc is f-straat te Q als vestigingsadres van dit lichaam vermeld en als adres van haar directeuren, te weten belanghebbende en D, respectievelijk f-straat te Q en b-straat te Q.
2.13. In een proces-verbaal van getuigenverhoor op 5 februari 1998 (bijlage 23 bij het rapport) heeft L over belanghebbende en M, een familielid van D, onder meer het volgende verklaard:
"Ik ben een aantal malen in de woning van X geweest in de a-straat. X had daar op de eerste verdieping een vergaderruimte (...). Ik ben daar voor het eerst geweest in 1995 (...). Er werd toen over de munttelefoons gesproken en ook over de beveiliging van de (…) (...). Zij spraken over telefoons, scanners, alarminstallaties en camera's die geplaatst moesten worden in de sextenten van X op de (…) en ook op de g-dam in T (...). Het is voor mij over duidelijk dat X toen de baas was op de g-dam."
2.14. In een proces-verbaal van 6 oktober 1997 (bijlage 28 bij het rapport) heeft belang-hebbende als verdachte onder meer het volgende verklaard:
"Na de schietpartij ben ik bijna een jaar of anderhalf jaar het land uit geweest. Ik ben pas weer 4 à 5 maanden terug in Nederland (...). Ik ben terug naar Nederland gekomen voor mijn gezin."
2.15. In een proces-verbaal van 7 oktober 1997 (bijlage 29 bij het rapport) heeft belanghebbende als verdachte onder meer het volgende verklaard:
"U noemt een aantal mensen die aangehouden zijn (...). De meeste mensen ken ik van het sporten op de f-weg (...). Er wordt van mij gezegd dat ik ook belangen heb in panden in Q. Dat is niet zo. Ik heb wel eens bemiddelt tussen de oude en de nieuwe eigenaar van (…). Ik heb toen daar iets aan verdient. Ik handel eigenlijk in alles zoals boten, huizen etc (...). N heeft in de f-straat gewoond en ik ben met zijn zuster om gegaan (...). Verder ken ik ook O (...). Ook brengt O mij wel eens naar huis, omdat hij bij D in de buurt woont (...). Ik hoor dat er verschillende vuurwapens en hoeveelheden hash in beslag zijn genomen. Ik heb zelf inderdaad een vuurwapen in de woning bij D (...). Ik ken Oo. Ik ken hem uit de gevangenis (...). Oo en ik kwamen in dezelfde sportschool in U (...). Ik ontmoet Oo op straat, omdat ik geen woning heb. (...) De chinees waar ik wel eens kom is in V."
2.16. Met betrekking tot de vervoermiddelen van belanghebbende is in het onder 2.2 vermelde rapport onder meer vermeld dat bij A B.V. te W facturen zijn aangetroffen ter zake van de huur van diverse auto's door belanghebbende. Als adres op de facturen is vermeld Calle i, Qq (Spanje). In de periode juni 1993 tot en met mei 1995 is door belanghebbende bij A BV een Volkswagen Golf VR6 gehuurd. Voorts is door belanghebbende bij A BV een Mercedes C 280 sport gehuurd en voor de periode 10 mei 1995 tot en met april 1996 een Mercedes 600 SL.
2.17. In een vonnis van 18 mei 1998 van de Arrondissementsrechtbank te Q is ten aanzien van belanghebbende als verdachte onder meer het volgende vermeld:
"9. Beslissing:
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor (...) is aangegeven
(...)
Het bewezenverklaarde levert op:
(...)
het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder van die organisatie is;
(...)
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
(...)
medeplegen van het handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd,
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan een wapen van categorie II
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan een vuurwapen van categorie III.
(...)
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod."
2.18. De door de rechtbank bewezenverklaarde feiten hebben zich voorgedaan in de periode 1 juli 1996 tot 6 oktober 1997. Op 6 oktober 1997 is belanghebbende op verdenking van evenbedoelde feiten aangehouden. Als plaatsen waar de bewezenverklaarde feiten zijn begaan vermeldt het vonnis de plaatsen Q, Rr, Ss, Xx, T, V, Vv, Xy, Yy, Zz, Qr (Frankrijk), alsmede niet nader aangeduide plaatsen in België, Spanje en Noorwegen
2.19. Belanghebbende is ter zake van die feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden. Voorts is verbeurd verklaard een perceel a-weg te Rr, met een geschatte waarde van ƒ 1.000.000.
Tegen het vonnis van de rechtbank is door belanghebbende geen beroep ingesteld.
2.20. In het vonnis van de rechtbank is voorts het volgende vermeld:
"3. Waardering van het bewijs
3.1. Beroep op onrechtmatig verkregen bewijs.
3.1.1. Gebreken aan (gerechtelijk) vooronderzoek.
De raadsman heeft gesteld dat aan het (gerechtelijk) vooronderzoek (...) gebreken kleven (...).
Het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte is gevorderd op 22 november 1995 en geopend op 23 november 1995. Aan de vordering heeft ten grondslag gelegen het ambtsedig proces-verbaal van J, inspecteur van politie bij de regiopolitie (...) waarin kort gezegd wordt vermeld dat er bij de RCID van de regiopolitie (...) via meerdere bronnen vanaf 1993 tot heden onder andere als informatie is binnen gekomen dat verdachte deel zou uit maken en/of leiding zou geven aan een criminele organisatie die zich zou bezig houden met:
- de invoer van soft- en harddrugs, alsmede de handel in deze stoffen;
- de fabricage van en/of handel in chemische verdovende middelen;
- het witwassen van gelden, verkregen uit bovengenoemde handel, mede middels het
aan- en verkopen van onroerende goederen;
- het gebruik maken van geweld en/of bedreigen met geweld;
- het gebruik maken van de diensten van corrupte ambtenaren danwel luchthaven-
personeel en mogelijk corrupte advocaten en notarissen.
Van deze organisatie zouden andere met name genoemde personen deel uit maken. Uit naderhand gepleegde observaties bleek dat verdachte daadwerkelijk contact had met een aantal van deze personen. (...) De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris (...) op goede gronden een gerechtelijk vooronderzoek kon openen. (...) Het verweer wordt mitsdien verworpen."
2.21. In een 'Concept Ontnemingsrapport organisatie X' van het Interregionaal Rechercheteam (…), gedateerd (…), is het door de onder 2.17 bedoelde organisatie wederrechtelijk verkregen voordeel dat is behaald met de verkoop van hash in Nederland en in het buitenland berekend op (ƒ 640.000 + ƒ 2.896.600=) ƒ 3.536.600.
2.22. De inspecteur heeft met dagtekening 29 april 1997 een ambtshalve aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 150.000. Het op 26 mei 1997 door Aa te T ingediende bezwaarschrift is in een uitspraak van 31 augustus 1999 door de inspecteur afgewezen.
3. Geschil
Het geschil betreft de vraag of belanghebbende in 1994 zijn woonplaats in Nederland had. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is de hoogte van het belastbare inkomen van belanghebbende in geschil.
4. Standpunten van partijen
4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en de onder 1.4 vermelde pleitnota.
4.2. Ter zitting is namens belanghebbende - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd.
Het verweerschrift inzake het beroep voor het jaar 1993 is niet door mij ontvangen. Het huis in Rr is alleen verbeurd verklaard omdat vanuit dat huis criminele activiteiten werden verricht, maar niet omdat het huis met crimineel geld zou zijn gefinancierd. Mij is niet bekend waar belanghebbende woonde vóór zijn detentie van 1984 tot april 1992. Na zijn detentie is belanghebbende uitgeschreven in Nederland. In Spanje heeft hij een huis gehuurd van Bb. Belanghebbende heeft ook in Frankrijk gewoond. Wanneer weet ik niet. Dat moet in 1996 geweest zijn. Na de aanslag in april 1996 heeft belanghebbende onder een schuilnaam in België gewoond. Belanghebbende is diverse perioden langere tijd in het buitenland geweest. Hij verbleef vrijwel nooit in Nederland. Belanghebbende heeft in Nederland niets verdiend, alleen de laatste periode op de a-weg te Rr. Belanghebbende heeft in Nederland twee auto's met een Nederlands kenteken gehuurd, een Golf en een Mercedes. Belanghebbende reisde over het algemeen met de auto. Hij beschikte over een chauffeur. Met D heeft belanghebbende een knipperlichtrelatie. Belanghebbende zegt wel voor zijn kinderen te betalen, maar niet voor het tweede kind. Dat is gehandicapt en verblijft in een pleeggezin. In het gemeentelijke bevolkingsregister ben ik belanghebbende niet tegengekomen. Ik beschik niet over andere stukken dan de stukken die de inspecteur heeft overgelegd. In het strafdossier zijn wel andere stukken voorhanden. De enige die deze stukken kan verstrekken is Cc. Hij heeft het onderzoek geleid.
4.3. Ter zitting heeft de inspecteur - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd.
Er zijn veel mogelijkheden geweest om tot een compromis te komen. Afhankelijk van de vraag wie deze procedure wint, zal een verder gesprek over een compromis makkelijker zijn voor de 'winnaar'. Er zijn ook andere personen veroordeeld. Wat er met M en Bb is gebeurd weet ik niet. Het requisitoir in de strafzaak is meegezonden om te laten zien dat er meer aan de hand is. Van concessies door Cc in het kader van een afspraak met belanghebbende heb ik geen bewijs. Deze afspraak heeft in ieder geval niet betrekking gehad op de fiscale afdoening. Dat belanghebbende in het buitenland is geweest wordt door mij niet weersproken, maar de kern van zijn activiteiten betrof Nederland en hij is in Nederland blijven wonen. Zijn sociale en economische leven speelde zich in Nederland af. De Fiod heeft niet geïnformeerd naar de plaats van de telefoonpalen via welke belanghebbende heeft gebeld. Voor het overleggen van het concept-Ontnemingsrapport heeft Cc toestemming gegeven. Dat voor het jaar 1997 geen boete ter zake van het niet tijdig doen van een aangifte is opgelegd moet op een abuis berusten. De aangiften in 1996 zijn door de inspecteur zelf uitgereikt, niet via Apeldoorn. Voor het geval het Hof tot de conclusie zou komen dat sprake is van buitenlandse belastingplicht van belanghebbende, neem ik geen subsidiair standpunt in. In maart 1996 was het adres in de a-straat zeker het woonadres van belanghebbende. Belanghebbende is vanaf 1993 betrokken bij een criminele organisatie.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geldt een natuurlijk persoon die in Nederland woont als binnenlands belastingplichtige. Waar iemand woont wordt, behoudens de toepassing van enige fictiebepalingen, ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) naar de omstandig-heden van het geval beoordeeld. Belanghebbende stelt dat hij, na de afloop van een langdurige detentie, Nederland op 12 juni 1992 metterwoon heeft verlaten. De inspecteur heeft daarentegen gesteld dat belanghebbende na de afloop van de detentie in Nederland is blijven wonen.
5.2. De inspecteur heeft voorts gesteld dat belanghebbende het aan hem uitgereikte aangiftebiljet niet op de vereiste wijze, te weten ingevuld, heeft geretourneerd en dat op deze grond, en gelet op het gestelde in artikel 8, eerste lid, AWR, de sanctie van artikel 27e, aanhef en onderdeel a, AWR, de zogenoemde 'omkering van de bewijslast' van toepassing is. Hieruit volgt, naar de inspecteur aanvoert, dat belanghebbende ervan dient te doen blijken dat de opgelegde aanslag onjuist is. Het standpunt van belanghebbende inzake de woonplaats houdt in dat het aangiftebiljet niet naar het juiste adres is toegezonden, zodat op die grond artikel 27e AWR in verbinding met artikel 8, eerste lid, AWR geen toepassing kan vinden.
5.3. Hierna zal het Hof nagaan of belanghebbende vanaf juni 1992 niet meer in Nederland heeft gewoond. Daarbij gaat het Hof ervan uit dat het primair op de weg van belanghebbende ligt om aannemelijk te maken dat hij Nederland metterwoon heeft verlaten. Zulks niet alleen, omdat belanghebbende als meest gerede partij in beginsel beter dan een ander in staat is aannemelijk te maken waar hij heeft gewoond, maar tevens omdat het gestelde vertrek uit Nederland een wijziging inhoudt ten opzichte van de situatie die vóór dat vertrek heeft bestaan.
5.4. In het beroepschrift is niet aangegeven waar belanghebbende na zijn gestelde vertrek uit Nederland zou hebben verbleven. Belanghebbende heeft zich vooral gericht op het weerspreken van hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd omtrent het wonen en verblijven van belanghebbende in Nederland.
5.5. Bij zijn pleitnota heeft gemachtigde kopieën gevoegd van kalenderbladen voor de jaren 1995, 1996 en 1997. Op deze kopieën heeft gemachtigde met een gele markeerstift de dagen aangegeven waarop belanghebbende volgens hem door opsporingsambtenaren is geobserveerd en met rood de data waarop belanghebbende niet - dan wel met grote waarschijnlijk niet - in Nederland verblijf zou hebben gehouden. Op deze wijze heeft gemachtigde voor het jaar 1995 drie dagen rood gemarkeerd, voor 1996 eveneens drie dagen en voor 1997 een zestal dagen.
5.6. Belanghebbende stelt voorts dat sprake is van relatief weinig vaststelling van daadwerkelijk langdurig verblijf in Nederland en dat een groot aantal vastleggingen van waarnemingen van belanghebbende niet in de door de inspecteur overgelegde stukken zijn opgenomen. Belanghebbende verbindt aan een en ander de conclusie dat hij in de perioden waarvan geen vastleggingen zijn overgelegd in het buitenland verbleef. Ook in de pleitnota heeft belanghebbende zich verder vooral beperkt tot het weerspreken van beweringen van de
inspecteur betreffende de feitelijke woonplaats van belanghebbende. Waar belanghebbende in het buitenland verblijf heeft gehouden is door hem desgevraagd alleen ter zitting summier en zonder bewijsstukken aangegeven.
5.7. Het overwogene onder 5.4, 5.5 en 5.6 houdt in dat belanghebbende zijn bewering dat hij Nederland na afloop van zijn detentie heeft verlaten niet, althans niet voldoende, heeft onder-bouwd.
5.8. De stelling dat belanghebbende na zijn detentie in Nederland is blijven wonen vindt naar het oordeel van het Hof bevestiging in de feiten die zijn weergegeven onder 2.2 tot en met 2.18. Deze feiten zijn ontleend aan de bijlagen bij het onder 2.2 vermelde rapport.
5.9. Voor de periode tot de aanslag op belanghebbende die plaatsvond op 27 maart 1996 acht het Hof in het bijzonder de verklaringen van belanghebbende en van D van 27 maart 1996, alsmede de verklaringen van F en van G van 19 februari 1998, van belang. De verklaringen van F en G houden in dat belanghebbende tot de aanslag op 27 maart 1996 in de a-straat te Q heeft gewoond. De door hen geschetste situatie komt overeen met het beeld dat wordt opgeroepen door de transcripties van de telefoontaps die als bijlage 10 en 11 bij het onder 2.2 vermelde verslag zijn gevoegd en waaruit is af te leiden dat belanghebbende in de periode november 1995 tot april 1996 het adres a-straat te Q als zijn thuis beschouwde. Aldaar woonden zijn partner, D, en twee van hun drie kinderen. Uit de onder 2.2 tot en met 2.16 vermelde gegevens leidt het Hof af dat belanghebbende regelmatig sportgelegenheden bezocht, in U en in Rr, al dan niet met vrienden, zoals de door D genoemde E uit Q. Voorts is belanghebbende sedert 1 april 1994 directeur van de in Q opgerichte K Plc, maakte hij gebruik van in W gehuurde auto's en was hij, een prominent lid van een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer en handel in verdovende middelen. Deze activiteiten hebben zich in ieder geval voorgedaan van 1 juli 1996 tot 6 oktober 1997, de dag waarop belanghebbende werd aangehouden, maar hebben zich, gelet op het proces-verbaal van J dat is vermeld onder 2.20, vermoedelijk reeds vanaf 1993 voorgedaan. Voorts acht het Hof het op grond van de verklaringen van L onder 2.13 en van belanghebbende onder 2.15 aannemelijk dat laatstgenoemde bij de exploitatie van sekshuizen betrokken was.
5.10. Concluderend leidt het overwogene onder 5.7, 5.8 en 5.9 tot het oordeel dat belanghebbende in de jaren 1993 tot en met 1997 op sociaal, relationeel en economisch vlak over zodanig evidente aanknopingspunten met Nederland beschikte, dat niet aannemelijk is te achten dat hij Nederland na de beëindiging van zijn langdurige detentie in 1992 metterwoon heeft verlaten, maar moet worden aangenomen dat hij in Nederland is blijven wonen. Op deze grond dient belanghebbende voor het onderhavige jaar als binnenlands belastingplichtige te worden aangemerkt.
5.11. Het Hof passeert de suggestie van de gemachtigde om de officier van Justitie mr. Cc als getuige te horen. Mr. Cc zou volgens de gemachtigde telefonisch hebben verklaard dat belanghebbende ook veelvuldig in het buitenland is geobserveerd. Aan het oordeel onder 5.10 doet de mogelijkheid dat belanghebbende veelvuldig in het buitenland is waargenomen niet af. Anders dan met Nederland is van een duurzame band met enige verblijfplaats in het buitenland niet gebleken. Dat een getuigenverhoor van mr. Cc een of meer duurzame verblijfplaatsen van belanghebbende in het buitenland aan het licht zou kunnen brengen is door belanghebbende niet gesteld en, gelet op het overwogene onder 5.7, ziet het Hof ook geen reden deze mogelijkheid te veronderstellen.
5.12. Het Hof acht het, gezien ook het vorenoverwogene, aannemelijk dat belanghebbende ten tijde van het uitreiken van de aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1993 en 1994 op het adres a-straat te Q woonde. De aanslagbiljetten zijn derhalve naar het juiste adres verzonden. Deze biljetten zijn ten onrechte niet door belanghebbende ingevuld en geretourneerd. De transcriptie van het telefoongesprek tussen D en belanghebbende als vermeld onder 2.11 doet overigens vermoeden dat het niet doen van aangifte te wijten is aan opzet. Door geen aangifte te doen heeft belanghebbende gehandeld in strijd met artikel 8, eerste lid, AWR en dient de aanslag ingevolge artikel 27e, aanhef en onderdeel a, AWR, te worden gehandhaafd, tenzij belanghebbende doet blijken dat deze onjuist is.
5.13. Met betrekking tot de hoogte van het belastbare inkomen heeft belanghebbende niet aan-nemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de aanslag onjuist is. Dat de inspecteur de hoogte van het belastbare inkomen niet in redelijkheid zou hebben geschat is niet gesteld. Het Hof acht zulks overigens, gelet ook op de activiteiten waarbij belanghebbende betrokken is geweest als vermeld onder 5.9, niet aannemelijk.
5.14. Voor het geval het Hof beslist dat belanghebbende belastingplichtig is, heeft de gemachtigde verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde te trachten het geschil verder compromissoir met de inspecteur af te doen, dan wel hem in de gelegenheid te stellen de hoogte van het belastbare inkomen te onderbouwen. In dat verband zou de gemachtigde dan ook een overeenkomst tussen mr. Cc en belanghebbende willen overleggen, mits althans de heer Dd deze overeenkomst boven water zou krijgen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende voldoende gelegenheid gekregen om zijn standpunt met betrekking tot de hoogte van het belastbare inkomen uiteen te zetten en toe te lichten. Voor het aanhouden van de behandeling van de zaak teneinde belanghebbende alsnog daartoe in de gelegenheid te stellen ziet het Hof geen enkele reden. Nu de inspecteur geen bereidheid heeft getoond om in deze fase van de rechtsstrijd tot nader overleg te komen over de hoogte van het belastbare inkomen van belanghebbende, ziet het Hof ook op deze grond geen reden voor een aanhouding van de zaak, nog daargelaten de vraag of de enkele bereidheid van partijen tot nader overleg voldoende reden zou zijn om de behandeling van het beroep aan te houden.
6. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.
7. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is gedaan op 3 april 2001 door mr. Dutmer, voorzitter, mrs. Van der Ouderaa en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag uitgesproken ter openbare zitting.
De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a) de naam en het adres van de indiener;
b) de dagtekening;
c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d) de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.