Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC1075

Datum uitspraak2001-08-10
Datum gepubliceerd2001-08-24
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers99/30038
Statusgepubliceerd


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Nr. 99/30038 10 augustus 2001 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het verzet van mevrouw X te Z, tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer van 1 oktober 1999. De voorzitter heeft bij de voormelde beschikking uitspraak gedaan op het door belanghebbende op 22 september 1999 ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996. Ingevolge de artikelen 22j en 23 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: Awr) juncto de artikelen 6:7 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (: Awb) kan zij, die bezwaar heeft tegen een haar opgelegde aanslag, binnen zes weken na de dagtekening van de aanslag een bezwaarschrift indienen. In de bestreden beschikking heeft de voorzitter geconcludeerd dat de aanslag was gedagtekend 20 oktober 1998 en dat het bezwaarschrift van de belanghebbende op 21 december 1998 bij de inspecteur is binnengekomen, derhalve niet binnen zes weken na dagtekening. Op grond van deze termijnoverschrijding van het bezwaar heeft de voorzitter geconcludeerd dat belanghebbende door de inspecteur terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Tegen deze beschikking is belanghebbende tijdig in verzet gekomen door middel van een verzetschrift dat bij het hof is ingekomen op 2 november 1999. Belanghebbende heeft verzocht om over het verzet te worden gehoord. De mondelinge behandeling van het verzet is vastgesteld op 18 juni 2001. Op 23 mei 2001 heeft belanghebbende verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van het verzet op 18 juni 2001. Redengevend hiervoor is dat belanghebbende een accountantsrapport wenste op te maken. Dit verzoek is door het hof afgewezen aangezien de verzetsprocedure niet de hoogte van de aanslag voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 betreft. Nadat de inspecteur een verweerschrift heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling van het verzet plaatsgevonden ter zitting van 18 juni 2001, gehouden te Groningen, alwaar verscheen de inspecteur. Belanghebbende is met kennisgeving niet ter zitting verschenen. De ten name van belanghebbende gestelde aanslag voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 is gedagtekend 20 oktober 1998. De adressering van de aanslag is de Stal 349 te Drachten. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De dagtekening van het bezwaar is 14 december 1998. Het bezwaar is op 21 december bij de inspecteur binnengekomen. Ingevolge artikel 6:4, eerste lid, van de Awb geschiedt het maken van bezwaar door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Wat ook zij van de stelling van belanghebbende dat zij bezwaar heeft gemaakt bij de belastingdienst te Zwolle, zij dient bezwaar te maken tegen de aanslag door het indienen van een bezwaarschrift bij de inspecteur, die de aanslag aan haar heeft opgelegd, namelijk de in de tweede alinea van deze uitspraak genoemde inspecteur. Belanghebbende voert in het verzetschrift aan dat zij de aanslag pas in december 1998, waarschijnlijk door tussenkomst van de curator van haar gefailleerde echtgenoot, heeft ontvangen. Wat ook zij van deze stelling, de aanslag is ten name gesteld van belanghebbende en de adressering van de aanslag betreft niet het adres van de curator. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag niet aan haar, maar aan de curator verzonden is. Voorts is, naar het hof belanghebbende begrijpt, niet in geschil dat verzending van de aanslag op 9 oktober 1998 heeft plaatsgevonden. Tevens is niet in geschil dat de adressering van de aanslag het adres van belanghebbende betreft. Op grond van het voorgaande acht het hof aannemelijk dat de aanslag op 9 oktober 1998 naar het adres van belanghebbende is verzonden. Het voorgaande kan niet tot een andere conclusie leiden dan dat de aanslag ingevolge artikel 3:41 van de Awb door toezending aan belanghebbende op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt waardoor ex artikel 6:8, eerste lid, van de Awb juncto artikel 22j van de Awr de bezwaartermijn uiterlijk op 21 oktober 1998 aangevangen is. Nu het bezwaarschrift pas op 21 december 1998 is ingediend, derhalve niet binnen de termijn van zes weken, heeft de voorzitter van de belastingkamer bij de beschikking van 1 oktober 1999 terecht het beroep ongegrond verklaard. Feiten en/of omstandigheden die nopen tot toepassing van artikel 6:11 van de Awb zijn door belanghebbende niet gesteld dan wel niet aannemelijk gemaakt. Voor zover belanghebbende stelt dat de vertraagde ontvangst van de aanslag de PTT Post BV is aan te rekenen merkt het hof op dat de brief van 28 maart 2000 van de PTT Post BV slechts de aan de echtgenoot van belanghebbende geadresserde post betreft. Het hof verklaart het verzet ongegrond. Gedaan en ter openbare terechtzitting uitgesproken op 10 augustus 2001 door mr. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier. Op afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.