Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC0936

Datum uitspraak2001-08-17
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersNr. 668/00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Nr. 668/00 17 augustus 2001 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997. 1. Ontstaan en loop van het geding. De belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (nader: de Wet), van f. 97.569,--. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 19 juli 2000 de aanslag gehandhaafd. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift, dat op 30 augustus 2000 is ingekomen en welke werd aangevuld bij brief ingekomen op 27 september 2000. De inspecteur heeft een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden. De zaak is behandeld ter zitting van 11 mei 2001 gehouden te Assen. Verschenen is de inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het gerechtshof heeft op 23 mei 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 5 juni 2001 aan partijen is verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. Bij brief, ingekomen op 3 juli 2001, heeft de belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft de belanghebbende per aangetekende post, ter post bezorgd op 9 juli 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 24 juli 2001 dat griffierecht voldaan. 2. De feiten. Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast: 2.1 Belanghebbende, geboren in 1943 en gehuwd, is enig aandeelhouder en directeur van Automobielbedrijf A B.V. te L (nader: de BV). 2.2 Als directeur van de BV genoot belanghebbende voor het jaar 1997 een salaris van f.53.128,--. Naast belanghebbende had de BV nog als werknemer in dienst: een persoon gedurende het hele jaar met een salaris van f.40.038,-, een persoon van 1 januari tot en met 31 juli met een salaris van f.28.803,--, een persoon van 27 oktober tot en met 31 december met een salaris van f.5.156,-- en een zoon van belanghebbende van 1 juni tot en met 31 december met een salaris van f.4.595,--. 2.3 Door de BV was aan belanghebbende een auto ter beschikking gesteld, welke ook voor privédoeleinden mocht worden gebruikt. Tevens was aan belanghebbendes echtgenote door de BV een auto ter beschikking gesteld, welke auto zij gebruikte voor privédoeleinden en voor de uitoefening van haar dienstbetrekking. 2.4 Belanghebbendes echtgenote vervulde een dienstbetrekking bij een niet aan de BV gelieerde onderneming. Zij ontving uit dien hoofde een onbelaste kilometervergoeding à f.0,41 van f.16.418,--. Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting nam zij daarnaast als aftrekbare kosten in aanmerking f.0,19 per kilometer of f.7.610,--. 2.5 Met betrekking tot de aan de echtgenote ter beschikking gestelde auto heeft noch belanghebbende, noch zijn echtgenote enig bedrag tot het inkomen begrepen. 2.6 Bij het opleggen van de aanslag aan belanghebbende heeft de inspecteur belanghebbendes loon uit dienstbetrekking bij de BV gesteld op f.78.000,--. Tevens heeft de inspecteur ter zake van de aan belanghebbendes echtgenote ter beschikking gestelde auto f.3.500,-- tot belanghebbendes inkomen gerekend en als gevolg van deze correcties het drempelbedrag voor de aftrekbare giften verhoogd met f.119,--, zodat het belastbaar inkomen werd vastgesteld op f.97.569,--. 2.7 Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur dit standpunt gehandhaafd. 3. Het geschil. In geschil zijn de correcties inzake het privé gebruik auto alsmede de bijtelling van het gebruikelijke loon. 4. De standpunten van partijen. Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd. 5. De overwegingen omtrent het geschil. 5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (nader: de wet LB) wordt ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet, het in een kalenderjaar genoten loon tenminste gesteld op f.78.000,--, dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon. In artikel 22, lid 2, van de Wet is bepaald dat het begrip loon voor de inkomstenbelasting moet worden opgevat overeenkomstig de bepalingen betreffende de loonbelasting. 5.2 Vast staat dat belanghebbende enig aandeelhouder van de BV is, zodat hij daarin een aanmerkelijk belang heeft in vorenbedoelde zin, alsmede dat belanghebbende directeur is van de BV. In de aanvulling van het beroepschrift, ter 's hofs griffie ingekomen op 27 september 2000, stelt belanghebbende dat hij een arbeidscontract met de BV heeft, dat uitgaat van 28 uren arbeid per week. Nu ook de inspecteur uitgaat van het verrichten van arbeid ten behoeve van de BV, staat daarmee tevens vast dat artikel 12a van de wet LB, alsmede artikel 22 van de Wet, op belanghebbende van toepassing is. 5.3 Belanghebbende stelt dat in het economische verkeer ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen, doch waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, een lager loon gebruikelijk is, zodat de door de inspecteur te dezer zake aangebrachte correctie moet worden teniet gedaan. Belanghebbende wijst daarbij allereerst op zijn niet volledige werkweek. Hij stelt het wegens ziekte kalmer aan te moeten doen. Voorts stelt belanghebbende dat zijn zoon het grootste deel van de werkzaamheden doet en verantwoordelijk is voor de in- en verkoop van auto's. Tenslotte stelt belanghebbende dat de slechte financiële situatie van het bedrijf en het banksaldo geen hoger salaris toelaten en dat de bank hem onder streng toezicht heeft geplaatst. 5.4 Gelet op het feit dat in het onderhavige jaar de zoon van belanghebbende slechts gedurende de laatste 7 maanden van het jaar in dienst is geweest van de BV en daarvoor in totaal f.4.595,-- aan salaris heeft genoten, acht het hof niet aannemelijk gemaakt dat niet belanghebbende doch zijn zoon het grootste deel van de werkzaamheden verricht. Daaraan doet niet af dat belanghebbendes arbeidscontract slechts zou zien op een arbeidstijd van 28 uren per week. 5.5 Met betrekking tot de financiële situatie van de BV heeft belanghebbende geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zijn stelling daaromtrent ondersteunen. Derhalve is niet aannemelijk gemaakt dat op deze grond ten aanzien van de BV in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk zou zijn voor een directeur die niet in een aanmerkelijk belang verhouding staat tot de BV. 5.6 Belanghebbendes beroep tegen de bijtelling van gebruikelijk loon faalt derhalve. 5.7 Nu de echtgenote van belanghebbende niet in enige betrekking tot de BV staat kan ervan worden uitgegaan dat de BV slechts een auto aan haar ter beschikking heeft gesteld wegens de positie van belanghebbende in de BV. Dit kan zijn zijn positie als directeur, dan wel zijn positie als enig aandeelhouder. Het voordeel van het ter beschikking stellen van de auto dient dan ook aan belanghebbende te worden toegerekend. 5.8 Voor zover de auto ter beschikking is gesteld wegens de dienstbetrekking van belanghebbende dient op grond van het bepaalde in artikel 42 van de Wet het voordeel tenminste te worden gesteld op 20% van de catalogusprijs van de auto. Nu de bijtelling niet uitgaat boven het bedrag dat wordt gevormd door 20% van de catalogusprijs is het belastbaar inkomen in zoverre niet te hoog vastgesteld. 5.9 Voor het geval de auto ter beschikking is gesteld wegens het aandeelhouderschap van belanghebbende dient het voordeel te worden bepaald op de werkelijke kosten van het houden van de auto, daar artikel 42 van de Wet voor dat geval toepassing mist. Het voordeel zou dan moeten worden belast als winst uit aanmerkelijk belang. De inspecteur heeft in het verweerschrift een berekening gegeven van het belastingbedrag dat hieruit zou voortvloeien. Deze berekening komt het hof aanvaardbaar voor, zodat het hof hiervan eveneens zal uitgaan. Ook in dit geval is alsdan de aanslag niet op een te hoog bedrag vastgesteld. 5.10 Het beroep van belanghebbende kan mitsdien niet leiden tot verlaging van de aanslag, zodat het ongegrond moet worden verklaard. 5.11 Belanghebbende heeft nog verzocht uitstel van betaling te verlenen, doch zulks behoort niet tot de bevoegdheid van het hof. 6. De conclusie Het beroep is mitsdien ongegrond. 7. De proceskosten Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 8. De beslissing. Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond. Gedaan op 17 augustus 2001 door mr. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier. Op 22 augustus 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.