
Jurisprudentie
AC0882
Datum uitspraak2001-08-17
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers779/00
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers779/00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 779/00 17 augustus 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X b.v. te Z, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift namens belanghebbende tegen de aan de b.v. opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting over het jaar 1996.
1. Ontstaan en loop van het geding.
De belanghebbende werd voor het jaar 1996 in de vennootschapsbelasting aangeslagen, op grond van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (: de Wet), naar een belastbaar bedrag van f. 85.101,-- waarbij het bedrag aan nog te verrekenen verlies over 1995 werd gesteld op f. 104.009,--. De aanslag was gedagtekend 29 februari 2000.
Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 15 september 2000 belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar waarbij ambtshalve deels aan het bezwaar van de belanghebbende tegemoet werd gekomen.
De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift, dat op 27 oktober 2000 is ingekomen. De inspecteur heeft een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van 11 mei 2001gehouden te Assen.
Verschenen is de inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Het gerechtshof heeft op 23 mei 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 5 juni 2001, aan partijen is verzonden.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Bij brief, ingekomen op 3 juli 2001, is namens belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.
De griffier heeft de belanghebbende per aangetekende post, ter post bezorgd op 9 juli 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 24 juli 2001 dat griffierecht voldaan.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Belanghebbende deed voor de heffing van vennootschapsbelasting te harer laste voor het jaar 1996 aangifte van een balastbare winst van f.189.010,--. Zij wenste daarmee te verrekenen het verlies 1995 ten bedrage van f.150.059,--.
2.2 De inspecteur heeft voor het jaar 1996 een aanslag met dagtekening 29 februari 2000 opgelegd, waarbij de belastbare winst conform de aangifte werd vastgesteld, doch waarbij aan verlies 1995 werd verrekend f.103.909,--. De hoogte van het verrekenbare verlies was daarbij bepaald op f.150.059,--, verminderd met carry back naar 1994 van f.46.050,--. Het opgetreden verschil ad f.100,-- is bij de uitspraak op het bezwaar ambtshalve alsnog verrekend.
2.3 Op 8 juni 2000 heeft de inspecteur van de gemachtigde van belanghebbende een brief, gedateerd 6 juni 2000, ontvangen waarin deze erop wijst dat hij tegen de te betalen aanslag vennootschapsbelasting 1996 bezwaar gemaakt heeft, en derhalve nogmaals verzoekt uitstel van betaling te verlenen voor het bedrag ad f.19.488,--. De inspecteur heeft deze brief aangemerkt als bezwaarschrift en verzocht dit bezwaar te motiveren.
2.4 Als motivering van het bezwaar heeft de gemachtigde bij brief van 17 juli 2000 verwezen naar een bijgevoegd bezwaarschrift, gedateerd 24 maart 2000. Dit laatste bezwaarschrift was de inspecteur onbekend.
2.5 Bij de uitspraak op het bezwaar, gedagtekend 15 september 2000, heeft de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.6 Op 27 oktober 2000 is belanghebbende tegen deze uitspraak in beroep gekomen.
3. Het geschil.
In geschil is:
a. de ontvankelijkheid van het bezwaar;
b. de hoogte van het verrekenbare verlies;
c. de boete wegens te late aangifte.
4. De standpunten van partijen.
Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.
5. De overwegingen omtrent het geschil.
5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (nader: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
5.2 Belanghebbende stelt dat met het bezwaarschrift gedateerd 24 maart 2000 tijdig bezwaar is gemaakt tegen de aanslag. Tegenover de ontkenning van de inspecteur, dat hij dat bezwaarschrift zou hebben ontvangen, heeft belanghebbende geen nadere feiten of omstandigheden aangevoerd.
5.3 De inspecteur wijst erop dat tegen de gebruikelijke handelwijze ter inspectie in geen ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift aan (de gemachtigde van) belanghebbende is gezonden. Tevens is het ter inspectie gebruik dat voor de vennootschapsbelasting automatisch uitstel van betaling wordt verleend bij de ontvangst van een bezwaarschrift. Dit uitstel van betaling wordt altijd door middel van een beschikking aan de belastingplichtige meegedeeld. Een dergelijke beschikking is in het onderhavige geval niet aan (de gemachtigde van) belanghebbende verzonden.
De inspecteur stelt dat belanghebbendes gemachtigde, als professioneel advieskantoor, uit het niet ontvangen van een ontvangstbevestiging en een beschikking betreffende uitstel van betaling moet hebben begrepen dat het bezwaarschrift niet door de inspecteur was ontvangen.
5.4 Nu belanghebbende tegenover het gemotiveerde standpunt van de inspecteur, dat het bezwaarschrift van 24 maart 2000 niet door hem is ontvangen, geen bewijsmiddelen van het tegendeel aanvoert, zoals een ontvangstbewijs of een bewijs van terpostbezorging, is niet komen vast te staan dat binnen de termijn van artikel 6:7 van de Awb een bezwaarschrift is ingediend, noch dat, bij overschrijding van die termijn, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende daarbij in verzuim is geweest. Het risico voor fouten in de wijze van indienen van het bezwaarschrift komt onder deze omstandigheden immers voor rekening van belanghebbende.
5.5 Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het bezwaar en is het beroep ongegrond.
6. De conclusie
Het beroep is mitsdien ongegrond.
7. De proceskosten
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
8. De beslissing.
Het hof verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan op 17 augustus 2001 door mr. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.
Op 22 augustus 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.