
Jurisprudentie
AC0849
Datum uitspraak2001-08-17
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers830/00
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers830/00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 830/00 17 augustus 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden,
derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z, tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997.
1. Ontstaan en loop van het geding.
De belanghebbende werd voor het jaar 1997 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (nader: de Wet), van f. 96.894,--.
Vervolgens werd, na boekenonderzoek, met dagtekening 18 mei 2000 aan belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f. 134.315,--. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 23 oktober 2000 de aanslag gehandhaafd. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift, dat op 20 november 2000 is ingekomen en welke werd aangevuld bij brief ingekomen op 18 december 2000. De inspecteur heeft een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van 11 mei 2001gehouden te Assen. Verschenen zijn de belanghebbende, zijn adviseur
alsmede de inspecteur. Ter voormelde zitting heeft de belanghebbende - zonder bezwaar van de zijde van de inspecteur - de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.
Het gerechtshof heeft op 23 mei 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 5 juni 2001 aan partijen is verzonden.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Bij brief, ingekomen op 28 juni 2001, heeft de belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De griffier heeft de belanghebbende per aangetekende post, ter post bezorgd op 3 juli 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 25 juli 2001 dat griffierecht voldaan.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Belanghebbende, geboren in 1945, is in 1980 een ongeval overkomen, tengevolge waarvan hem uiteindelijk een WAO-uitkering is toegekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
2.2 Vanaf 1985 heeft belanghebbende enige jaren rechten gestudeerd aan de Rijksuniversiteit L.
In 1989 is belanghebbende gestart met een eenmanszaak genaamd "Buro A", welke eenmanszaak per 1 januari 1992 is ingebracht in "Buro B B.V." (nader: B BV). De aandelen in B BV vormen voor belanghebbende een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 20a van de Wet. In 1995 werd een dochter maatschappij C B.V. opgericht, welke met B BV een fiscale eenheid vormde en waarover B BV de directie voerde. De werkzaamheden in C B.V. werden verricht door een werknemer, de heer D.
2.3 De eenmanszaak had geen werknemers in dienst; er werd voor de echtgenote van belanghebbende geen meewerkaftrek gevraagd. Belanghebbende claimde wel zelfstandigenaftrek, hetwelk bij de aanslagregeling werd geaccepteerd.
2.4 Bij de oprichting van B BV werd belanghebbende benoemd tot directeur. Per 1 januari 1993 is belanghebbendes echtgenote benoemd tot directeur van B BV. Zij was daarnaast tot en met 24 april 1996 in loondienst werkzaam als verkoopster in een damesmodezaak. Tot 11 augustus 1999 hebben belanghebbende en zijn echtgenote geen salaris ontvangen van beide vennootschappen. Met ingang van 11 augustus 1999 is aan belanghebbendes echtgenote salaris uitbetaald.
2.5 Belanghebbende verricht werkzaamheden voor B BV, zoals administratief werk, secretariaat, enzovoorts.
2.6 De resultaten van B BV waren over 1996
f.85.717,-- en over 1997 (voor correctie) f.105.574,--.
2.7 Aan belanghebbende werd voor het onderhavige jaar een primitieve aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f.96.894,--. Naar aanleiding van een bij B BV ingesteld boekenonderzoek is vervolgens een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f.134.315,--, zijnde het belastbaar inkomen van f.96.894,-- verhoogd met f.37.050,-- fictief loon en daaruit voortvloeiend lagere giften aftrek tot een bedrag van f.371,--.
2.8 Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de navorderingsaanslag gehandhaafd.
3. Het geschil.
Het geschil betreft de bijtelling fictief loon ad f. 37.050,-- en de daarmee gepaard gaande correctie op de drempel van de giftenaftrek en het te laag in aanmerking genomen arbeidskostenforfait.
4. De standpunten van partijen.
Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.
5. De overwegingen omtrent het geschil.
5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 12a, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (nader: de wet LB) wordt ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet het in een kalenderjaar genoten loon tenminste gesteld op f.78.000,--, dan wel, indien aannemelijk is dat ter zake van soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is, gesteld op dat lagere loon. In artikel 22, lid 2, van de Wet is bepaald dat het begrip loon voor de inkomstenbelasting moet worden opgevat overeenkomstig de bepalingen betreffende de loonbelasting.
5.2 Te dezen staat vast dat belanghebbende een aanmerkelijk belang heeft, in vorenbedoelde zin, in B BV. Tevens staat tussen partijen vast dat belanghebbende werkzaamheden verricht ten behoeve van B BV. Op grond van het bepaalde in artikel 4, aanhef en letter d, van de wet LB, juncto artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965, dienen belanghebbendes werkzaamheden voor B BV te worden geacht in dienstbetrekking te zijn verricht, zodat belanghebbende wordt aangemerkt als werknemer van B BV. Derhalve is het bepaalde in artikel 12a van de wet LB, alsmede artikel 22 van de Wet, op belanghebbende van toepassing.
5.3 Belanghebbende heeft gesteld dat zijn werkzaamheden voor B BV slechts 4 tot 6 uren per week, dan wel 6 tot 8 uren per week, in beslag namen en wegens de aard van de werkzaamheden maximaal kunnen worden gewaardeerd tegen het minimumloon.
5.4 De inspecteur stelt daartegenover dat belanghebbende in de tijd van de eenmanszaak alleen verantwoordelijk was voor alle werkzaamheden, dat belanghebbende toen aanspraak maakte op zelfstandigenaftrek, zodat hij impliciet aangaf tenminste 1225 uren per jaar te werken, en dat bij het boekenonderzoek is gebleken dat op zeer vele facturen is vermeld "behandeld door dhr. X". De inspecteur concludeert daaruit dat belanghebbende meer uren voor B BV heeft gewerkt dan hij thans stelt. Tevens wijst de inspecteur op de hoogte van het salaris van de heer D, waaruit de inspecteur concludeert dat de bijtelling van loon niet te hoog is.
5.5 Hoewel belanghebbende aangeeft dat B BV voor een deel van de werkzaamheden externe deskundigen inschakelt, acht het hof, nu belanghebbende de bij het boekenonderzoek niet gemotiveerd bestrijdt, onaannemelijk dat belanghebbendes werkzaamheden voor B BV beperkt bleven tot de maximaal 8 uren per week die belanghebbende uiteindelijk stelt. Hierbij komt dat uit het door belanghebbende overgelegde overzicht van zijn autogebruik voor 1997 blijkt dat belanghebbende zelf ten behoeve van B BV in dat jaar omstreeks 10.000 kilometer gereden heeft. Dit, samen met de werkzaamheden die blijkens de vermelding op de facturen door belanghebbende zijn verricht, moeten, naar 's hofs inschatting, aanzienlijk uitkomen boven de door belanghebbende gestelde tijdsbesteding. De door de inspecteur geschatte tijdsbesteding van 19 uur per week komt het hof meer aannemelijk voor, zodat het hof hiervan zal uitgaan.
5.6 Uitgaande van werkzaamheden gedurende 19 uren per week acht het hof een bijtelling van fictief loon ad f.37.050,-- niet te hoog.
5.7 Ingevolge het bepaalde in de tweede volzin van artikel 12a van de wet LB wordt het fictief loon niet lager gesteld dan het hoogste loon van overige werknemers die bij de vennootschap of daarmee verbonden vennootschappen in dienst zijn.
De meer genoemde heer D is een dergelijke werknemer. Door de inspecteur is gesteld, hetgeen door belanghebbende is erkend, dat de heer D een salaris genoot van tenminste f.88.452,-- op jaarbasis, zodat ook op die grond niet kan worden gezegd dat de bijtelling op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Hieraan doet niet af dat de heer D specialistische kennis bezat, daar belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hem toegerekende loon, gelet op wat gebruikelijk is in het economische verkeer waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, op een lager bedrag behoort te worden gesteld dan dat van de heer D.
6. De conclusie
Belanghebbendes beroep tegen de bestreden uitspraak faalt derhalve.
7. De proceskosten
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
8. De beslissing.
Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Gedaan op 17 augustus 2001 door mr. Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. Gerrits en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.
Op 22 augustus 2001afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.