Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC0847

Datum uitspraak2001-08-17
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersNr. 234/01
Statusgepubliceerd


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Nr. 234/01 17 augustus 2001 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede enkelvoudige belastingkamer, op het verzet gedaan namens de erven van X wonende te Z tegen de beschikking van de voorzitter van de belastingkamer van 22 juni 2001. De voorzitter heeft bij voormelde beschikking uitspraak gedaan op het namens belanghebbende ingestelde beroep tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling heffingen van het Wetterskip Fryslân te Leeuwarden, gedaan op het bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing over het jaar 2000. Ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (:Awb) juncto artikel 27b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt ten behoeve van de Staat van degene, die beroep instelt, een griffierecht geheven, hetwelk in deze zaak f. 60,-- bedraagt. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, tweede lid Awb is het bij het hof ingestelde beroep niet-ontvankelijk, indien het verschuldigde griffierecht niet is gestort binnen vier weken, nadat de griffier van het hof degene, die het beroep heeft ingesteld, schriftelijk op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen. Vaststaat, dat de griffier belanghebbende op het door hem opgegeven adres bij schrijven van 10 april 2001 en daarna bij aangetekend schrijven van 14 mei 2001 heeft verzocht het verschuldigde griffierecht te betalen. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven. Omdat de betaling van het griffierecht is uitgebleven heeft de voorzitter bij voormelde beschikking het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze beschikking is belanghebbende tijdig in verzet gekomen bij een verzetschrift dat door hem is ingediend op 29 juni 2001. De gemachtigde belanghebbende heeft niet gevraagd om over zijn verzet te worden gehoord, terwijl het hof geen aanleiding heeft gevonden hem uit eigen beweging te horen. De gemachtigde van belanghebbende stelt in zijn verzetschrift dat de beslissing van de belastingkamer is gedaan op basis van bevooroordeling en dat zijn argumenten zijn genegeeerd door het hof. Het hof is van oordeel dat de gemachtigde van belanghebbende geen omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat de termijnoverschrijding van de betaling van het griffierecht verschoonbaar is te achten. Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat het verzet ongegrond is. Het gerechtshof, uitspraak doende, verklaart het verzet ongegrond. Gedaan op 17 augustus 2001 door mr. Pruiksma, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier Lorist en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier. Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer. Op 22 augustus 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.