Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AC0655

Datum uitspraak2001-07-06
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers490/00
Statusgepubliceerd


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK 490/00 6 juli 2001 Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer op het beroep van de heer X en mevrouw Y te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van het waterschap Velt en Vecht (: de heffingsambtenaar), gevestigd te Coevorden, gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbenden tegen de hen opgelegde aanslagen verontreinigingsheffing en ingezetenenomslag voor het jaar 2000. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Gedagtekend 2 februari 2000 zijn aan belanghebbenden voor het jaar 2000 twee op een biljet verenigde aanslagen verontreinigingsheffing en ingezetenenomslag opgelegd van respectievelijk f. 363,66 en f. 70,-. 1.2. Na tijdige indiening van het bezwaarschrift op 8 maart 2000 zijn deze aanslagen bij uitspraak van de heffingsambtenaar van 25 mei 2000 gehandhaafd. 1.3. Belanghebbenden zijn van die uitspraak tijdig in beroep gekomen op 26 juni 2000. Daarbij hebben zij uitstel gevraagd ter aanvulling van het beroepschrift. 1.4. Op 24 juli 2000 zijn de aanvullende gronden van het beroep van belanghebbenden ter griffie ingekomen. 1.5. Bij brief van 22 september 2000 met bijlagen, door de griffie ontvangen op 25 september 2000, hebben belanghebbenden verdere aanvullende gronden naar voren gebracht. 1.6. Op 27 november 2000 is het verweerschrift met bijlagen van de heffingsambtenaar ingekomen. Daarna hebben partijen conclusies gewisseld. 1.7. Na de oproeping voor de zitting van 9 april 2001 hebben belanghebbenden bij brief van 18 maart 2001, ingekomen 20 maart 2001, hun eindgrieven geformuleerd. 1.8. Van alle gedingstukken zijn afschriften aan de wederpartij gezonden. Voor de onder 1.7. genoemde brief is dat gebeurd met de mededeling dat de heffingsambtenaar desgewenst ter zitting inhoudelijk kan reageren. 1.9. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 april 2001 te Leeuwarden. Op de zitting zijn verschenen belanghebbenden en de heffingsambtenaar die werd bijgestaan door een collega. Zowel belanghebbende X als de heffingsambtenaar hebben hun respectievelijke pleitnota's overgelegd en voorgedragen. 1.10. Het hof heeft in deze zaak op 23 april 2001 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal, met schriftelijke ontvangstbevestiging, ter post bezorgd op 7 mei 2001 aan partijen is verzonden. 1.11. Op 10 mei 2001 heeft belanghebbende X per fax op de wijze als bedoeld in artikel 27d, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (: AWR) verzocht vorenbedoelde mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. 1.12. De griffier heeft belanghebbende met schriftelijke ontvangstbevestiging, ter post bezorgd op 15 mei 2001, gewezen op het verschuldigde griffierecht, als bedoeld in het derde lid van voormeld artikel 27d AWR, van f. 80,-. Belanghebbende heeft vervolgens op 28 mei 2001 dat griffierecht voldaan. 1.13. Op verzoek van een van de belanghebbendes - zie brief van 5 juli 2001 - heeft het hof de schriftelijke uitspraak op een later tijdstip aan partijen verzonden. 1.14. Van alle genoemde en nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. 2. De feiten Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat het volgende als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij onbetwist, althans onvoldoende betwist, vast: 2.1. Het waterschap is op 1 januari 2000 ontstaan uit een fusie tussen de waterschappen 't Suydevelt, De Vechtlanden, een gedeelte van het waterschap Groot Salland, het waterschap Meppelerdiep en een gedeelte van het Zuiveringsschap Drenthe. Tot de taak van het waterschap behoren waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer in Zuidoost-Drenthe en Noordoost-Overijssel. Belanghebbenden zijn ingelanden van het waterschap Velt en Vecht. 2.2. De thans bestreden aanslag verontreinigingsheffing (naar 3 vervuilingseenheden) en ingezetenenomslag (naar een vast tarief van f 70,-) tot een totaalbedrag van f 433,66 is opgelegd krachtens en in overeenstemming met de vigerende kostentoedelingsverordening, omslagverordening, en de verordening verontreinigingsheffing. Die verordeningen zijn, evenals de begroting voor het dienstjaar 2000, op 5 januari 2000 vastgesteld door het voorlopig algemeen bestuur van het waterschap. 2.3. De colleges van Gedeputeerde Staten van Drenthe en Overijssel hebben op 11 januari 2000 aan de kostentoedelingsverordening van het nieuwe waterschap Velt en Vecht hun goedkeuring verleend. Op 13 januari 2000 is in de regionale pers melding gemaakt van vaststelling en goedkeuring van begroting en verordeningen. 2.4. In bezwaar hebben belanghebbenden zich op het standpunt gesteld dat de stijging van het tarief zoals vastgesteld door het nieuwe waterschap, ten opzichte van de periode voordien als extreem hoog en buiten proporties moet worden beschouwd. Belanghebbenden voelen zich voorts bezwaard door het naar hun zeggen ontbreken van voldoende communicatie tussen waterschapsbestuur en ingelanden inzake deze tariefsstijging. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift is de heffingsambtenaar niet aan het bezwaar tegemoetgekomen, in verband waarmee de aanslag werd gehandhaafd. 3. Het geschil en de standpunten van partijen 3.1. In geschil is de hoogte van het tarief van de beide heffingen. 3.2. In beroep herhalen belanghebbenden hun in bezwaar aangevoerde grieven. De heffingsambtenaar, zich op het standpunt stellend dat aan alle wettelijke voorschriften inzake vaststelling en ter visie leggen van de onderwerpelijke verordeningen en de begroting is voldaan, concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 3.3. Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. 3.4. Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren. 4. De overwegingen omtrent het geschil 4.1. Nu niet blijkt dat aan de wijze waarop verordeningen en begroting zijn vastgesteld gebreken kleven die tot (partiële) onverbindendheid of zelfs nietigheid ervan zouden kunnen leiden, dient de materiële rechtskracht van die verordeningen uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van het beroep. 4.2. In zoverre heeft dan te gelden dat die verordeningen als vrucht van wetgevende arbeid van de wetgever in materiële zin (het algemeen bestuur van het waterschap) wat het daarin opgenomen tarief betreft, niet aan toetsing door de belastingrechter zijn onderworpen. 4.3. Dat wordt niet anders indien, zoals hier, sprake is van een tariefsstijging die ten opzichte van het vorig dienstjaar sterk uitgaat boven het voorheen kennelijk voor dergelijke verhogingen gehanteerde inflatiepercentage, zij het dat toen van het huidige fusieverband in waterschapsland nog geen sprake was. 4.4. Overigens zij in dit verband opgemerkt dat de heffingsambtenaar in de gedingstukken en ter terechtzitting afdoende verklarende toelichting op de aangevochten stijging van het tarief heeft gegeven. Daarbij bleek niet van enige discrepantie tussen begroting van de aan de waterschapstaak (inclusief de waterzuivering) verbonden kosten en de daaruit te berekenen hoogte van het tarief van de omslag over de ingelanden. Voor de hoogte van het tarief van de verontreinigingsheffing geldt hetzelfde. 4.5. Dat belanghebbende ingelanden om hen moverende redenen van oordeel zijn dat met een lager voorzieningenniveau (en dus met lagere waterschapslasten) ook had kunnen worden volstaan, doet niet terzake: de democratisch verkozen vertegenwoordigers van belanghebbende ingelanden zijn op het niveau van algemeen bestuur van het waterschap, met uitsluiting van ieder ander gremium, geroepen de uit de waterschapstaak noodwendig voortvloeiende belastingdruk vast te stellen, om vervolgens die belastingdruk via het tarief van de waterschapsomslag over belanghebbende ingelanden te verdelen. 4.6. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbenden bij de uitoefening van de waterschapstaak geen belang zouden hebben. Ook is niet in geschil dat belanghebbenden voor een correct aantal vervuilingseenheden in de verontreinigingsheffing zijn betrokken. 4.7. Indien juist zou zijn de stelling van belanghebbenden dat de communicatie tussen waterschapsbestuur en ingelanden inzake de onderhavige materie onvoldoende zou zijn geweest, zou dat weliswaar te betreuren zijn, maar geen grond bieden voor vernietiging van de thans besteden uitspraak. Opgemerkt zij overigens dat het bestuur, onvoldoende weersproken, gemotiveerd heeft doen stellen dat aan alle wettelijke voorschriften inzake tervisielegging en besluitvorming is voldaan. 4.8. De heffingsambtenaar heeft de stelling van belanghebbenden weersproken dat de begroting enkel op aannames is gebaseerd, en opgemerkt dat de begroting is gebaseerd op ervaringen en cijfers van de bij de fusie betrokken waterschappen. De aldus vervaardigde raming van kosten en lasten is vervolgens gecorrigeerd door rekening te houden met toekomstige ontwikkelingen (investeringen, rente, inflatie). Niet valt in te zien dat aldus een raming van over de ingelanden te verdelen kosten is gemaakt die onvoldoende met de realiteit in verbinding staat. 4.9. De wijze waarop de provinciale besturen van Drenthe en Overijssel toezicht hebben gehouden op de gang van zaken rond de vaststelling van de begroting kan niet aan het oordeel van de belastingrechter worden onderworpen. 4.10. Voor zover belanghebbenden van oordeel mochten zijn dat tariefsstijgingen tot een hoogte als de onderhavige slechts gefaseerd behoren te worden ingevoerd, moet dat oordeel stranden op de constatering dat het algemeen bestuur van het waterschap in een bestuurlijke afweging van alle betrokken belangen voor een zodanige fasering niet heeft gekozen. Geheel terzijde zij opgemerkt dat het waterschap Velt en Vecht een afzonderlijke Kwijtscheldingsregeling waterschap Velt en Vecht heeft vastgesteld waarop in voorkomende gevallen en beroep kan worden gedaan. Het daartegen mogelijk aan te voeren bezwaar dat alsdan het buiten invordering gelaten belastingbedrag over de anderen ingelanden wordt "uitgesmeerd" en aldus voor hen hogere lasten veroorzaakt hetgeen belanghebbenden wellicht als ongewenst beschouwen, doet, wat er ook van de juistheid zij, daar niet aan af. 4.11. Geen van de aangevoerde grieven kan leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak, zodat het aldus in al zijn onderdelen ongegrond bevonden beroep dient te worden verworpen. 5. De conclusie Het beroep treft geen doel. 6. De proceskosten Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. De beslissing Het hof verklaart het beroep ongegrond. Gedaan op 6 juli 2001 door mr. Pruiksma, vice-president, mrs. Huiskes en Fransen, raadsheren, in tegenwoordig-heid van de griffier mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier. De griffier De voorzitter van de tweede meervoudige kamer mr. M. Hiemstra mr. H.S. Pruiksma Afschrift aangetekend aan partijen verzonden op: 22 augustus 2001. De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden