
Jurisprudentie
AC0325
Datum uitspraak2001-02-22
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903659/1.
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903659/1.
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
199903659/1.
Datum uitspraak: 22 februari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1 . burgemeester en wethouders van Aalsmeer,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "[vergunninghouder] Studio's B.V."(ShowBizCity), gevestigd te [plaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 oktober 1999 in het geding tussen:
de inspecteur van de ruimtelijke ordening voor de provincies Noord
Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland
en
appellanten sub 1.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 december 1997 hebben burgemeester en wethouders van Aalsmeer (hierna: burgemeester en wethouders) besloten de afwijkingen van de op 1 oktober 1996 aan [vergunninghouder] Studio's B.V. (hierna ook: appellante sub 2) voor het perceel [adres] te [plaats] verleende bouwvergunning onder nader omschreven voorwaarden te gedogen.
Bij besluit van 16 juni 1998 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door de Inspecteur van de ruimtelijke ordening voor de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland (hierna: de inspecteur van de ruimtelijke ordening) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 21 oktober 1999, verzonden op 3 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de inspecteur van de ruimtelijke ordening ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders binnen twee maanden een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 14 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 1999, en appellante sub 2 bij brief van 10 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 1999, hoger beroep ingesteld. Burgemeester en wethouders hebben hun hoger beroep aangevuld bij brief van 16 februari 2000. Appellante sub 2 heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 22 februari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 augustus 2000 heeft de inspecteur van de ruimtelijke ordening een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2000, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. T. Barkhuysen, advocaat te Amsterdam, en R. Gosseling en A. Walta, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Appellante sub 2 is, met bericht, niet verschenen. De inspecteur van de ruimtelijke ordening, vertegenwoordigd door drs. C.Y. Molenaar-Mandersloot, ambtenaar ten departemente van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, is als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Voor de feiten gelegen tussen de door [vergunninghouder] Studio's B.V. op 26 januari 1996 ingediende bouwaanvraag en het besluit van burgemeester en wethouders van 17 december 1997 zij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank.
2.2. Het geschil betreft de vraag of burgemeester en wethouders in de beslissing op bezwaar van 16 juni 1998 terecht hebben overwogen dat zij de bevoegdheid missen handhavend op te treden tegen het gebruik van het studiocomplex aan de [adres] als entertainment-uitgaansgelegenheid ShowBizCity, zodat zij evenmin, nu het door hen genomen gedoogbesluit geen betrekking kon hebben op bedoeld gebruik, aan dat besluit de door de inspecteur van de ruimtelijke ordening gewenste voorschriften of voorwaarden konden verbinden.
2.3. Evenmin als de rechtbank kan de Afdeling burgemeester en wethouders volgen in hun stelling dat hun in het besluit van 4 december 1997 neergelegde standpunt omtrent het al dan niet kunnen handhaven van het gebruik ter plaatse onherroepelijk is geworden en derhalve thans niet meer aan de orde kan zijn. Dat besluit heeft uitsluitend betrekking op het verzoek van de inspecteur van de ruimtelijke ordening de opening van ShowBizCity op 9 december 1997 te verhinderen, en betreft niet de inhoud van een gedoogbesluit. Bovendien heeft de inspecteur bezwaar gemaakt tegen het besluit van 4 december 1997 en is op dit bezwaar, dat niet is ingetrokken, tot op heden niet beslist.
2.4. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat ShowBizCity - een thematisch uitgaanscentrum waarin zijn gevestigd theaters, restaurants, cafés, bars, winkels, een discotheek, een evenementenhal en een soap galerij - niet op een lijn is te stellen met de voorheen ter plaatse geëxploiteerde TV-studio's. Uit planologisch oogpunt is daartoe onvoldoende dat sprake is van een media-gerelateerd uitgaanscentrum. Het thans bestaande gebruik is derhalve wezenlijk anders dan in de bouwaanvraag was voorgesteld, te weten uitbreiding van studio's met opslagruimte en een parkeergarage, en wordt dan ook niet gedekt door de verklaring van geen bezwaar en de verleende vergunning en vrijstelling. Dat bij de bouwaanvraag is aangegeven dat de activiteiten onder meer bestaan uit het organiseren van evenementen met maximaal 2.500 bezoekers per dag maakt dat niet anders. Uit dit enkele gegeven kan niet worden afgeleid dat met de bouwaanvraag een gebruik werd beoogd als thans in geding is.
2.5. De Afdeling onderschrijft tevens het oordeel van de rechtbank dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid toekomt tegen dit strijdig gebruik op te treden. Gebruik dat bij de anticipatie niet was beoogd blijft op grond van artikel 8, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan "Bebouwde Kom Dorp 1969 2e wijziging" behorende planvoorschriften verboden. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde weigering aan het gedoogbesluit de door de inspecteur gewenste voorschriften of voorwaarden te verbinden niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering dat burgemeester en wethouders de bevoegdheid ontbreekt tegen dat gebruik handhavend op te treden.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Ter zitting is gebleken dat burgemeester en wethouders geen gevolg hebben gegeven aan de bepaling in de aangevallen uitspraak dat zij binnen twee maanden een nieuw besluit dienen te nemen met in achtneming van die uitspraak. De Afdeling gaat er van uit dat burgemeester en wethouders dit alsnog binnen twee maanden na deze uitspraak zullen doen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H.B. van der Meer, Voorzitter, en mr. C.A. Terwee-van Hilten en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Wilbers-Taselaar
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2001
110-71.
Verzonden: 22 FEB. 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,