
Jurisprudentie
AC0097
Datum uitspraak2001-01-19
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200002238/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-23
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200002238/1
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad
van State
200002238/1.
Datum uitspraak: 19 januari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid '"[appellante] B.V", gevestigd te [vestigingsplaats] appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 27 april 2000 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 1999, voor zover hier van belang, heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om subsidieverlening op de voet van de Regeling structuurverbetering glastuinbouw (Stcrt. 1997, 187, hierna : de Regeling) afgewezen.
Bij besluit van 26 oktober 1999 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar met toepassing van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 april 2000, verzonden op 2 mei 2000, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht. [redactie: url('AA6455',http://www.rechtspraak.nl/uitspraak/show_detail.asp?ui_id=20078)]
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 mei 2000, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 20 juni 2000 heeft de minister een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2000, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te 's-Gravenhage, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. Piras, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De minister heeft de weigering appellante subsidie te verlenen gehandhaafd op de grond dat het subsidieplafond reeds was bereikt op het moment dat zij haar aanvraag indiende.
2.2. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd, onder meer wegens onjuiste toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waarin is bepaald dat van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, staat de vernietiging op deze grond er in dit geval niet aan in de weg dat de rechtbank de beslissing op bezwaar inhoudelijk toetst, zoals zij heeft gedaan.
2.3. Het hoger beroep is verder uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de minister geen rechtsgrond aanwezig was om bij de vaststelling of het subsidieplafond was bereikt de aanvragen, waaronder pro forma-aanvragen, die niet bij het regiokantoor van Laser in Diemen waren ingediend, buiten beschouwing te laten.
2.4. In de Regeling noch in de "Openstelling Regeling structuurverbetering glastuinbouw" (Stcrt. 1999, 35) is bepaald dat de aanvragen moeten worden ingediend bij het regiokantoor van Laser in Diemen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister de aanvragen die bij een ander regiokantoor zijn ingediend buiten beschouwing heeft moeten laten. Dat in de brochure en in het aanvraagformulier Diemen als plaats van indiening staat vermeld, leidt niet tot een ander oordeel, nu de tekst van de Regeling en van het besluit tot openstelling op dit punt doorslaggevend zijn te achten. Dat appellante, naar zij heeft betoogd, van de publicatie van de openstelling in de Staatscourant eerst heeft kennis genomen, nadat de termijn voor het indienen van een aanvraag was gesloten, is een omstandigheid die voor haar rekening moet blijven.
2.5. In artikel 4:5, eerste lid, van de Awb is bepaald, dat, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
Gelet hierop, heeft de minister terecht het standpunt ingenomen dat hij de pro forma-aanvragen niet zonder meer buiten beschouwing heeft mogen laten, maar dat hij de indieners daarvan in de gelegenheid heeft moeten stellen hun onvolledige aanvraag aan te vullen. Het oordeel van de rechtbank is derhalve juist.
2.6. Ten aanzien van de wijze van indiening van een aanvraag is in de toelichting bij het besluit tot openstelling volstaan met de mededeling dat aanvragen kunnen worden ingediend met behulp van de door Laser te verstrekken formulieren. Daaruit kan, zoals de rechtbank met recht heeft overwogen, geen verplichting tot het gebruik van een standaard aanvraagformulier worden afgeleid. De rechtbank heeft appellante derhalve terecht niet gevolgd in haar betoog dat de aanvragen die niet op het daartoe bestemde formulier zijn ingediend niet moeten worden meegeteld.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door dr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Frenkel, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Frenkel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2001
128-206. Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,