Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0505

Datum uitspraak2001-02-27
Datum gepubliceerd2001-08-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers99/6168 AWBZ
Statusgepubliceerd


Uitspraak

99/6168 AWBZ U I T S P R A A K in het geding tussen: [A], wonende te [B], appellante, en Stichting Regionaal Indicatieorgaan 's-Hertogenbosch, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante heeft haar echtgenoot [C] gedaagde verzocht om in aanmerking te komen voor zorg in de vorm van hulp bij de gezinsverzorging. Gedaagde heeft bij brief van 7 december 1998 kennis gegeven van de afwijzing van dit verzoek. [C], voornoemd, heeft bij ongedateerde, doch binnen enkele dagen na dagtekening van de brief van 7 december 1998 gefaxte, brief bezwaren geuit tegen deze afwijzing. Bij brief van 7 januari 1999 is namens gedaagde aan appellante kennis gegeven van het feit dat op 28 december 1998, een indicatie is gesteld voor ondersteuning bij het ver-richten van specifieke huishoudelijke werkzaamheden voor 3 uur per week, voor de duur van 4 weken. Namens appellante is [C], voornoemd, bij brief van 7 februari 1999 van laatstgenoemde brief in beroep gekomen. De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak van 9 november 1999 niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellante is door [C], voornoemd, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 januari 2001. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door [C], voornoemd. Voor gedaagde is daar verschenen W.J.M. Peters, beleidsmedewerker jurisprudentie Wvg en geïntegreerde indicatiestelling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. II. MOTIVERING In dit geding ziet de Raad zich ambtshalve voor de vraag geplaatst of een advies van een indicatieorgaan, zoals in casu gedaagde, inzake de indicatie van een verzekerde voor een aanspraak op zorg als bedoeld in de artikelen 9a en 9b van de AWBZ, moet worden aan-gemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad overweegt als volgt. De Raad verwijst kortheidshalve naar hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 december 2000, registratienummer 99/4788 AWBZ, onder meer gepubliceerd in AB kort 2001,66, waarin is aangegeven dat een (positief of negatief) advies van een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de AWBZ niet kan worden aangemerkt als een beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad heeft in het onderhavige geval geen aanleiding gevonden om tot een anderslui-dend oordeel te komen. De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde de namens appellante geuite bezwaren tegen zijn advies van 7 december 1998 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Hieruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is beslist over de vergoeding van griffierecht, niet in stand kan blijven. Gelet hierop zal de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het inleidend bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dit brengt voorts mee dat het beroep - uitsluitend in zover als zojuist aangegeven - gegrond zal worden verklaard. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 255,-- aan verletkosten en f 33,90 aan reiskosten. Beslist wordt als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover bij die uitspraak is beslist over de vergoeding van griffierecht; Verklaart het beroep gegrond; Vernietigt het bestreden besluit; Verklaart het inleidend bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot f 288,90; Bepaalt dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 170,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr R.M. van Male en mr drs N.J. van Vulpen-Grootjans, als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2001. (get.) M.I. 't Hooft. (get.) A.H. Huls. GdJ 262