
Jurisprudentie
AB0500
Datum uitspraak2001-03-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/01894
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/01894
Statusgepubliceerd
Indicatie
Een belastingplichtige die zich heeft vergist inzake de toepasselijkheid van de criteria voor het zijn van een bestelauto, moet op grond van het Besluit van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835M (Herstelbeleid), de gelegenheid krijgen zijn motorrijtuig aan te passen.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Centraal bureau motorrijtuigenbelasting Apeldoorn, de inspecteur.
1. Loop van het geding
Belanghebbende heeft op 30 mei 2000 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 3 mei 2000, betreffende de naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting met nummer 0000.00.000.Y9.90001. Belanghebbende concludeert in zijn beroepschrift, naar het Hof verstaat, dat de uitspraak en de naheffingsaanslag moeten worden vernietigd.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en hierin concludeert hij tot bevestiging van de uitspraak.
Ter zitting van 5 februari 2001 zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door A, en de inspecteur.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende is sinds 2 oktober 1992 houder van het motorrijtuig XX-00-XX, een Renault Espace D Van (met dubbele cabine). De Rijksdienst voor het wegverkeer heeft na keuring in 1992 voor de auto een grijs kenteken afgegeven. Bij latere keuringen zijn geen aanpassingen aan de Renault geconstateerd. Belanghebbende betaalde steeds motorrijtuigenbelasting naar het tarief voor een bestelauto.
2.2. Op 6 februari 2000 heeft de inspecteur geconstateerd dat de Renault niet voldeed aan de criteria voor toepassing van het tarief voor een bestelauto: de laadruimte was slechts 96 cm lang en 113 cm hoog bij een hoogte van de cabine van 117 cm.
Op 27 maart 2000 heeft de inspecteur over de periode 26 maart 1998 tot en met 25 maart 2000 de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van f 3.008,- (zonder bestuurlijke boete).
3. Geschil
In geschil is de vraag of de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid had moeten stellen de Renault aan te passen aan de criteria voor toepassing van het tarief voor een bestelauto.
4. Standpunten van partijen
Voor de standpunten wordt verwezen naar de gedingstukken.
Ter zitting heeft belanghebbende het kentekenbewijs, een relaas van weging en een fabrieksomschrijving van de Renault getoond. Hij heeft verklaard dat hij aanneemt dat de auto in deze aannemersuitvoering als bestelauto is aan te merken; dat hij de auto eventueel wil inruilen of aanpassen; dat de door de inspecteur gehanteerde maten juist zijn.
De inspecteur heeft nog verklaard dat verlaging van de aanslag niet aan de orde is.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. Naar het oordeel van het Hof voldoet de Renault niet aan de vereisten voor toepassing van het tarief voor een bestelauto, omschreven in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de wet).
5.2. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet wist dat de Renault een personenauto was in de zin van de wet en hij heeft zich in het bezwaarschrift, in het beroepschrift en ter zitting bereid verklaard de Renault eventueel aan te passen aan de wettelijke eisen voor toepassing van het tarief voor een bestelauto.
5.3. Gelet op het inmiddels verschenen Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835M, gepubliceerd in VN 2001/11.27, had de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid moeten stellen binnen een nader te stellen termijn de Renault aan te passen. Er zijn geen omstandigheden gesteld om aan te nemen dat voor belanghebbende deze gelegenheid niet zou moeten gelden en het genoemde besluit betrekking heeft op alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen.
5.4. Nu de inspecteur belanghebbende niet de gelegenheid tot aanpassen heeft geboden dient de naheffingsaanslag dan ook te worden vernietigd.
6. Proceskosten
Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu belanghebbende niet heeft gesteld dat er sprake is van hogere kosten dan die voor het bijwonen van de mondelinge behandeling, door het Hof geschat op f 35,- als reiskosten per openbaar vervoer, komt dit bedrag voor vergoeding in aanmerking.
7. Beslissing
Het Hof
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de inspecteur en de naheffingsaanslag;
- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 60,- aan belanghebbende te vergoeden en veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van f 35,-, te betalen door de Staat.
Deze schriftelijke uitspraak is gedaan op 8 maart 2000 door mr. Boersma, in tegenwoordigheid van Wessel als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.
Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:
a- de naam en het adres van de indiener;
b- een dagtekening;
c- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d- de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.