Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0499

Datum uitspraak2001-03-08
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/01810
Statusgepubliceerd


Indicatie

Een belastingplichtige die zich heeft vergist inzake de toepasselijkheid van de criteria voor het zijn van een bestelauto, moet op grond van het Besluit van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835M (Herstelbeleid), de gelegenheid krijgen zijn motorrijtuig aan te passen


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Centraal bureau motorrijtuigenbelasting Apeldoorn, de inspecteur. 1. Loop van het geding Belanghebbende heeft op 19 mei 2000 beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 11 april 2000, betreffende de naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting met nummer 0000.00.000.Y8.90001. Belanghebbende concludeert in zijn beroepschrift dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en hierin concludeert hij tot bevestiging van de uitspraak. Ter zitting van 5 februari 2001 is alleen de inspecteur verschenen. Belanghebbende heeft aan de griffie laten weten dat hij in verband met taalproblemen niet ter zitting kon verschijnen. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is sinds 7 juli 1998 houder van het motorrijtuig XX-XX-00, een Opel Monterey, Turbo diesel 4x4. De auto is voor het eerst op de openbare weg toegelaten op 20 januari 1993; deel I van het kentekenbewijs is afgegeven op 9 juni 1997. Belanghebbende betaalde steeds motorrijtuigenbelasting naar het tarief voor een bestelauto. 2.2. Op 20 februari 2000 heeft de inspecteur geconstateerd dat door het ontbreken van een in de wet omschreven vaste wand ("tussenschot") de Opel niet voldeed aan de criteria voor toepassing van het tarief voor een bestelauto: het tussenschot was te laag. Voorts heeft de inspecteur geconstateerd dat er een dakverhoging was aangebracht zonder het oorspronkelijke plaatwerk te verwijderen waarbij niettemin de ruimte groot genoeg was voor plaatsing van een "fiscaal blok" als omschreven in artikel 3, eerste lid, onderdeel b 1o van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. 2.3. De inspecteur heeft belanghebbende op 21 februari 2000 een vooraankondiging voor het opleggen van een naheffingsaanslag gezonden. Belanghebbende heeft vervolgens de inrichting van zijn auto aangepast en deze door de inspecteur laten beoordelen op 2 maart 2000. Daarbij bleek dat de Opel na de aanpassing viel aan te merken als bestelauto. 2.4. Op 20 maart 2000 heeft de inspecteur over de periode 9 september 1998 tot en met 8 maart 2000 de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van f 4.164,- (zonder bestuurlijke boete). 3. Geschil In geschil is de vraag of de inspecteur belanghebbende had moeten waarschuwen dat de Opel niet voldeed aan de criteria voor toepassing van het tarief voor een bestelauto. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten wordt verwezen naar de gedingstukken. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Naar het oordeel van het Hof voldeed de Opel in het naheffingstijdvak niet aan de vereisten voor toepassing van het tarief voor een bestelauto, omschreven in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de wet). In beginsel kon de inspecteur dan ook de meer verschuldigde belasting naheffen 5.2. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur hem eerst had moeten waarschuwen waaruit het Hof afleidt dat hij niet wist dat de Opel een personenauto was in de zin van de wet. Ook het aanwezig hebben van een "valse" dakverhoging (waarbij in het midden kan blijven wie deze verhoging heeft aangebracht) duidt niet op kennis van belanghebbende omtrent de wettelijke eisen nu bij deze auto de aanwezigheid van een dakverhoging niet relevant was voor de kwalificatie bestelauto of personenauto. 5.3. Nu belanghebbende de auto binnen veertien dagen na de vooraankondiging heeft aangepast aan de voor een bestelauto geldende inrichtingseisen, heeft hij voldaan aan de vereisten voor het herstelbeleid als verwoord in het inmiddels verschenen Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835M, gepubliceerd in VN 2001/11.27. Er zijn geen omstandigheden gesteld om aan te nemen dat voor belanghebbende deze gelegenheid niet zou moeten gelden terwijl het genoemde besluit betrekking heeft op alle nog niet onherroepelijk vaststaande aanslagen. De inspecteur heeft dan ook ten onrechte de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd. 5. De overige grieven van belanghebbende kunnen buiten behandeling blijven. 6. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Beslissing Het Hof - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak van de inspecteur en de naheffingsaanslag en - gelast de inspecteur het griffierecht ad f 60,- aan belanghebbende te vergoeden, te betalen door de Staat. Deze uitspraak is gedaan op 8 maart 2000 door mr. Boersma, in tegenwoordigheid van Wessel als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste: a- de naam en het adres van de indiener; b- een dagtekening; c- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d- de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.