
Jurisprudentie
AB0496
Datum uitspraak2001-03-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02054/00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02054/00
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Mr Jörg
Nr. 02054/00
Zitting 19 december 2000
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is in een door hem uitgelokt proefproces door de rechtbank te ’s-Gravenhage bij vonnis van 31 januari 2000 ter zake van “overtreding van het in artikel 2.8.1 lid 1 sub f Algemene plaatselijke verordening der gemeente Noordwijk bepaalde” veroordeeld tot een geldboete van ƒ 500,- subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verzoeker heeft mr K. Jurriëns, advocaat te Noordwijk, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat de rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 2.8.1 van de APV Noordwijk verbindend te achten.
4. De rechtbank heeft een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsman heeft -kort gezegd- aangevoerd, dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien het thans in het geding zijnde artikel 2.8.1. APV Noordwijk (hierna: de APV) onverbindend moet worden verklaard.
Daartoe is aangevoerd, dat het onderwerp dat wordt geregeld in de Scheepvaartverkeerswet (hierna: de wet) geen zelfstandige ruimte laat aan de gemeente om zelf regels te stellen ten aanzien van de door genoemde wet geregelde materie.
Voorts wordt gesteld, dat voor zover meergenoemde bepaling uit de APV al moet worden gezien als een nadere regeling als bedoeld in artikel 42 van genoemde wet, niet de gemeenteraad het tot regelen bevoegde orgaan is doch, gelet op het bepaalde in artikel 2 van de wet, het college van Burgemeester en Wethouders, zodat genoemde APV-bepaling door een onbevoegd orgaan is vastgesteld.
Tenslotte is aangevoerd dat het anders benaderen van jetski’s dan andere snelle motorvoertuigen (in neem aan dat is bedoeld: motorvaartuigen, NJ) strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank kan de raadsman hierin niet volgen. Artikel 2.8.1 van de APV luidt als volgt:
“Het is verboden op het strand:
1......
f. een motorvaartuig te hebben, te brengen, of daarmede de zee te kiezen.”
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de jetski valt onder de term ‘motorvaartuig’ als hier bedoeld, zodat deze verbodsbepaling betrekking heeft op de jetski.
Vervolgens wordt geoordeeld, dat de wet blijkens de considerans betrekking heeft op het scheepvaartverkeer op de binnenwateren en de zee.
Onder het begrip ‘scheepvaartwegen’ zoals omschreven in artikel 4, lid 1 van de wet valt niet het strand.
Artikel 2.8.1 van de APV heeft blijkens de tekst alleen toepassing op het strand, nu de reikwijdte van deze bepaling ophoudt wanneer de zee is gekozen, zodat dit artikel reeds om die reden niet treedt in het onderwerp dat door de wet wordt bestreken.
Voor zover de achterliggende bedoeling van de gemeentelijke wetgever is geweest om tegen te gaan, dat met jetski’s op zee in de onmiddellijke nabijheid van de kust zou worden gevaren, kan daarvoor een grondslag worden gevonden in artikel 42 van de wet. Op grond van die bepaling staat het gemeenten vrij om voor de strook van 1 km vanaf de kust regels te stellen voor de veiligheid van de recreatie aan zee.
Niet valt in te zien waarom dit niet door middel van het strafbaar stellen van bepaalde handelingen zou kunnen.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 2 van de wet niet mag worden afgeleid, dat slechts het college van Burgemeester en wethouders daartoe bevoegd zou zijn.
Dit college wordt in laatstgenoemde bepaling aangemerkt als bevoegd gezag terzake van de toepassing van die wet. Artikel 42 van de wet geeft echter een bevoegdheid om aanvullende regels te stellen, voor zover deze niet in strijd zijn met de wet en creëert daarmede een aanvullende bevoegdheid, naast de toepassing van de wet. Artikel 2 ziet dus niet op de bevoegdheid als gegeven in artikel 42 van de wet.
Dus ook als de betwiste bepaling van de APV wordt bezien in het licht van de mogelijke achterliggende bedoeling, is zij niet in strijd met de wet. Voor onverbindendverklaring is dan ook geen aanleiding.
Tenslotte ziet de rechtbank geen aanleiding zich uit te spreken over de vraag of genoemde bepaling een verboden onderscheid maakt tussen verschillende soorten vaartuigen, aangezien bedoeld onderscheid ziet op in lid 2 van meergenoemde bepaling opgenomen mogelijkheid tot het verstrekken van ontheffing van meergenoemd verbod; deze kwestie ligt op het terrein van de bestuursrechter.”
5. Ingevolge art. 2.8.1, eerste lid aanhef en onder f, APV Noordwijk is het verboden op het strand een motorvaartuig te hebben, te brengen of daarmede zee te kiezen. Dat in de APV onder het begrip motorvaartuig de jetski is begrepen, volgt uit het tweede lid van art. 2.8.1 APV Noordwijk, inhoudende dat de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen van het in lid 1 onder f gegeven verbod niet geldt voor jetski’s.
6. De Scheepvaartverkeerswet geeft regels voor het verkeer van schepen en andere vaartuigen op de binnenwateren en de Nederlandse territoriale zee.
7. Art. 42, eerste lid, Scheepvaartverkeerswet luidt:
“1. De bevoegdheid van besturen van provincies, gemeenten, waterschappen en havenschappen tot het stellen van regels blijft ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, gehandhaafd, voor zover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.”
8. De totstandkomingsgeschiedenis van de Scheepvaartverkeerwet houdt met betrekking tot de aanvullende regelgevende bevoegdheid van lagere publiekrechtelijke lichamen onder meer in:
“Voor de kustgemeenten zal vorenbedoelde bevoegdheid tot het stellen van aanvullende bepalingen in beginsel ook bestaan voor de strook van 1 km vanaf de kust in de territoriale zee. Het zal hierbij gaan om bepalingen die deels de verkeersveiligheid van de kustgebonden recreatievaart, deels de regeling van de recreatie aan zee tot doel hebben.”
(Handelingen II, 20 289, 1987 - 1988, nr. 3, p. 29)
9. Voor zover het middel er vanuit gaat dat de bevoegdheid van de gemeente beperkt is tot het stellen van regels in verband met de veiligheid (waarmee kennelijk wordt bedoeld de verkeersveiligheid van de kustgebonden recreatievaart, NJ), miskent het dat blijkens de vorenweergegegeven passage uit de wetsgeschiedenis van de Scheepvaartverkeerswet de gemeente ook bevoegd is regels te stellen die de regeling van de recreatie aan zee tot doel hebben. De juistheid van het oordeel van de rechtbank dat het art. 2.8.1, eerste lid aanhef en onder f, APV Noordwijk opgenomen verbod is geschreven met het oog op de regeling van de recreatie aan zee wordt in het middel - terecht - niet betwist. Als vanaf het strand met een jetski de zee wordt gekozen, kan dat immers hinder opleveren voor de badgasten (iets dat ook andere onderdelen van die bepaling proberen te voorkomen) en gevaar voor de waterrecreanten die zich dichtbij het strand in zee bevinden. Van algemene bekendheid is dat jetski’s zodanig ondiep steken dat zij al volledig bruikbaar zijn daar, waar langs het strand wordt gepootjebaad of gezwommen. Op grond van het vorenoverwogene heeft de gemeente Noordwijk door het uitvaardigen van het verbod om met een motorvaartuig vanaf het strand de zee te kiezen haar bevoegdheid niet overschreden. Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat is het derhalve tevergeefs voorgesteld.
10. De stelling dat de gemeente aan de haar toekomende bevoegdheid om regels c.q. aanvullende bepalingen op te stellen geen vorm mag geven middels een verbodsbepaling, vindt geen steun in het recht.
11. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - is mij niet duidelijk waarom de in het middel gestelde omstandigheid dat het verbod met een motorvaartuig vanaf het strand de zee te kiezen overbodig zou zijn omdat onveilig varen al strafbaar is gesteld in de APV Noordwijk (ik neem aan dat wordt gedoeld op art. 2.8.3 APV, NJ) tot onverbindendverklaring van art. 2.8.1, eerste lid aanhef en onder f, APV Noordwijk zou dienen te leiden. Zou de raadsman het gebod om na zonsondergang op een voertuig verlichting te voeren even overbodig vinden omdat het al verboden is de veiligheid op de weg in gevaar te brengen? Ook deze klacht faalt.
12. De klacht dat de gemeente Noordwijk onjuist gebruik van haar wetgevende bevoegdheid heeft gemaakt omdat het verbod jetski’s op het strand te verbieden in de APV is opgenomen met het doel jetski’s is de onmiddellijke nabijheid van het strand te weren, kan evenmin tot cassatie leiden. Ook indien dat het geval zou zijn, is de gemeente daartoe bevoegd nu zij - gelijk de rechtbank heeft overwogen - blijkens de hiervoor onder 8 weergegeven passage uit de parlementaire geschiedenis die heeft geleid tot de Scheepvaartverkeerswet bevoegd is om voor de strook van 1 km vanaf de kust aanvullende bepalingen te stellen betreffende onder meer de recreatie aan zee.
13. Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.
14. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uitspraak
13 maart 2001
Strafkamer
nr. 02054/00
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank
te ‘s-Gravenhage van 31 januari 2000, parketnummer 09/501662-97, in de
strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Leiden van 29 september 1997 - de verdachte ter zake van “overtreding van het in artikel 2.8.1 lid 1 sub f Algemene Plaatselijke Verordening der gemeente Noordwijk bepaalde” veroordeeld tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2. Het verkorte vonnis is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K. Jurriëns, advocaat te Noordwijk, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door art. 2.8.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Noordwijk verbindend te achten.
3.2. Het middel heeft, gelet op de daarop gegeven toelichting, in het bijzonder het oog op het laatste verbod van art. 2.8.1, eerste lid aanhef en onder f, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Noordwijk, luidende:
“Het is verboden op het strand:
(...)
f. een motorvaartuig te hebben, te brengen of daarmee zee te kiezen”.
3.3. De Rechtbank heeft het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer omtrent de verbindendheid van bedoelde bepaling samengevat en verworpen onder het hoofd “Verweer met betrekking tot de verbindendheid van artikel 2.8.1. van de APV Noordwijk” op blz.3 e.v. van het verkorte vonnis. Het oordeel van de Rechtbank dat de desbetreffende bepaling verbindend is, is juist. Daaraan doet niet af de stelling van het middel dat “onveilig varen” afzonderlijk in de APV strafbaar is gesteld. Voorzover met het middel in aansluiting op het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer beoogd wordt een beroep te doen op de in de Scheepvaartverkeerswet neergelegde regeling, moet daarbij in aanmerking worden genomen dat de wetsgeschiedenis leert dat de op art. 42, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet gebaseerde gemeentelijke bevoegdheid tot het stellen van aanvullende bepalingen voor de strook van 1 km vanaf de kust in de territoriale zee deels de verkeersveiligheid van de kustgebonden recreatievaart, deels de regeling van de recreatie aan zee tot doel kan hebben (Kamerstukken II 1987-1988, 20 289,
nr. 3, blz. 29).
3.4. Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren
A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 maart 2001.
Mr. Orie is buiten staat dit arrest te ondertekenen.