Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0487

Datum uitspraak2000-12-13
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers00/435
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Gerechtshof Arnhem Tweede enkelvoudige belastingkamer nummer 00/435 U i t s p r a a k op het beroep van X te Z (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de bij na te noemen beschikking aan haar verstrekte verklaring als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet. 1. Beschikking en bezwaar 1.1. Met dagtekening 9 november 1999 is aan belanghebbende een verklaring als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet (hierna: de Wet) toegezonden waarin is vermeld dat belanghebbende voldoet aan de voor het jaar 2000 geldende voorwaarden voor de ziekenfondsverzekering. 1.2. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur op 21 januari 2000 uitspraak gedaan waarbij (a) de in 1.1. bedoelde beschikking is herroepen, (b) het tegen die beschikking gerichte bezwaar is afgewezen, en (c) in plaats van de herroepen beschikking - kennelijk met toepassing van artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) - een nieuwe beschikking is genomen. 1.3. In laatstbedoelde beschikking is belanghebbende meegedeeld: "Uit onze gegevens per 1 oktober 1999 is gebleken dat u als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000." (hierna: de verklaring). Tevens is in de genoemde uitspraak meegedeeld: "Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u in beroep gaan bij het Gerechtshof. Op de achterzijde van deze uitspraak staat vermeld hoe u dan dient te handelen.". 2. Geding voor het Hof 2.1. Belanghebbende heeft bij dit Hof beroep ingesteld tegen de in 1.2. bedoelde uitspraak. 2.2. Belanghebbende heeft voorts de President verzocht om de werking van het besluit dat is neergelegd in de in 1.2. bedoelde uitspraak te schorsen en bij wege van voorlopige voorziening te beslissen dat belanghebbende gedurende de periode van behandeling van het onderwerpelijke beroepschrift wordt behandeld als zou zij niet voldoen aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000. Bij zijn uitspraak van 13 december 2000 heeft de President dit verzoek afgewezen. 2.3. De Inspecteur heeft met betrekking tot het onderwerpelijke beroepschrift een verweerschrift ingediend. 2.4. Bij de mondelinge behandeling op 13 december 2000 te Arnhem is verschenen en gehoord belanghebbende. De Inspecteur is met schriftelijke kennisgeving aan het Hof niet verschenen. 3. De vaststaande feiten 3.1. Belanghebbende drijft een onderneming. Het vastgestelde belastbare inkomen van belanghebbende bedroeg - over het jaar 1995 nihil - over het jaar 1996 ƒ 1.718 - over het jaar 1997 ƒ 4.201 gemiddeld derhalve ƒ 1.973 3.2. De Inspecteur is op de voet van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen van 13 december 1999, Stcrt. 1999, 248, (hierna de Regeling) bij zijn in 1.3 bedoelde verklaring van dit gemiddelde uitgegaan bij zijn positieve antwoord op de vraag of belanghebbendes inkomen voldoet aan de in artikel 3d van de Wet gestelde voorwaarden. 3.3. Belanghebbende is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. 3.4. Belanghebbende was ten tijde van het geven van de in 1.3. bedoelde verklaring tegen ziektekosten verzekerd bij een particuliere ziektekostenverzekeraar. 4. Het geschil, de standpunten en de conclusies van partijen 4.1. Partijen houdt verdeeld of de Inspecteur terecht de in 1.3. bedoelde verklaring heeft verstrekt, hetgeen belanghebbende bestrijdt en de Inspecteur verdedigt. 4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. 4.3. Belanghebbende verzoekt het bestreden besluit te vernietigen en de Inspecteur te gelasten een verklaring af te geven dat zij niet voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Wet. 4.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak. 5. Beoordeling van het geschil Belanghebbende heeft zich ter zitting verenigd met het oordeel van het Hof dat de Inspecteur terecht de in 1.3 bedoelde verklaring heeft verstrekt. Het beroep faalt. 6. Proceskostenveroordeling Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur. Aldus gedaan te Arnhem op 13 december 2000 door mr Van Schie, vice-president, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Den Ouden als griffier. (R. den Ouden) (P.M. van Schie) De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 januari 2001 Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: - de naam en het adres van de indiener; - de dagtekening; - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; - de gronden van het beroep in cassatie. De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.