Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0483

Datum uitspraak2001-02-28
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers98/3988
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector Civiel Recht - Enkelvoudige Kamer Vonnis in de zaak met rolnummer 98/3988 van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V., gevestigd te Oostzaan, eiseres, procureur: mr. P.J.M. Schmidt auf Altenstadt, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B ADVIESGROEP B.V., en 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C BEHEER B.V., beide gevestigd te ‘s Gravenzande, gedaagden, procureur: mr. P.J.L.J. Duijsens. Partijen worden hierna aangeduid als ‘A’, ‘B Adviesgroep’ en ‘C Beheer’ of als ‘gedaagden’. De rechtbank heeft kennis genomen van de stuk-ken, waaronder het vonnis in het incident d.d. 24 oktober 2000. RECHTSOVERWEGINGEN Feiten 1.1 Directeur/enig aandeelhouder van zowel B Adviesgroep als C Beheer is de heer D. 1.2 Bij vonnis van 26 augustus 1998 van deze rechtbank is B Adviesgroep veroordeeld tot betaling van ƒ 1.206.686,66, met wettelijke rente en kosten, aan A. Van dit vonnis is B Adviesgroep in appel gegaan; op 25 april 2000 heeft het Hof in die zaak (tussen)arrest gewezen, waarin ondermeer twee bewijsopdrachten aan B Adviesgroep worden gegeven en een deskundigenonderzoek wordt gelast. 1.3 Bij brief en fax (om 16.24 uur) van 1 september 1998 van (de advocaat van) A aan de advocaat van B Adviesgroep is op grond van voornoemd vonnis betaling gevorderd van in totaal ƒ 2.092.415,75. Betaling heeft niet plaatsgevonden. 1.4 Op 1 september 1998 is door B Adviesgroep aan C Beheer het kantorencomplex c.a. te ’s-Gravenzande verkocht en geleverd (om 17.15 uur) voor ƒ 2.000.000,--. In de akte van levering is opgenomen: In verband met een door koper als moedervennootschap van het concern gewenste interne reorganisatie verkoopt verkoper hierbij per heden en levert hij ter uitvoering daarvan hierbij aan koper, die hierbij per heden van verkoper koopt en aanvaardt (…). De koopprijs is voldaan door interne betaling middels verrekening in de tussen verkoper en koper bestaande rekening-courantverhouding. Verkoper verleent daarvoor kwijting aan de koper. De heer D is hierbij opgetreden als vertegenwoordiger van zowel koper als verkoper. 1.5 Op het verkochte rust een eerste hypotheek van ƒ 2.300.000,-- van de Rabobank. Deze hypotheek is verleend op 15 januari 1991 toen het kantorencomplex door C Beheer gekocht werd voor ƒ 2.867.700,--. In de leveringsakte van 1 september 1998 staat hierover vermeld: De hypotheek blijft - gelet op het feit dat verkoper tot het concern van koper behoort - op het verkochte rusten. 1.6 Bij exploit van 18 september 1998 is het voormelde vonnis aan B Adviesgroep betekend, met bevel om binnen 2 dagen tot betaling over te gaan en met aanzegging tot executie. Een herhaling hiervan is gedaan bij exploit van 6 oktober 1998. Betaling heeft niet plaatsgevonden. Andere verhaalsobjecten dan het verkochte kantorencomplex zijn niet aanwezig. Vordering, grondslag en verweer 2.1 A vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de in 1.4 genoemde koopovereenkomst en de daaruit voortvloeiende levering, te vernietigen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure. 2.2 A legt aan haar vordering ten grondslag dat de koopovereenkomst vernietigbaar is op de voet van art. 3:45 BW. A stelt dat de rechtshandeling tot verkoop en levering onverplicht is verricht - derhalve paulianeus - en dat B Adviesgroep en C Beheer, die vertegenwoordigd worden door D voornoemd, wisten of konden weten dat hierdoor benadeling van Corgow in haar verhaalsmogelijkheid het gevolg zou zijn. A voert aan dat zij in haar verhaalsmogelijkheid is benadeeld doordat zij op het enige (substantiële) vermogensbestanddeel van B Adviesgroep (het kantorencomplex) geen verhaal (meer) kan halen (door beslaglegging) door de verkoop en levering van het kantorencomplex aan C Beheer. 2.3 Gedaagden voeren gemotiveerd verweer. Beoordeling 3.1 Door gedaagden is aangevoerd dat het gezien het tussenarrest van het Hof van 25 april 2000 onrechtmatig is van A om aan uitvoering van het genoemde rechtbankvonnis vast te houden. Subsidiair stellen gedaagden de rechtbank voor de onderhavige zaak aan te houden dan wel een comparitie van partijen te gelasten. Naar het oordeel van de rechtbank kan A geen onrechtmatigheid van handelen worden verweten nu A gebruik maakt van haar recht om het vonnis van de rechtbank van 26 augustus 1998, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, ten uitvoer te leggen. Dat B Adviesgroep hiervan in hoger beroep is gegaan, staat hieraan niet in de weg. Om redenen van proces-economie ziet de rechtbank geen heil in aanhouding van de onderhavige zaak totdat er eindarrest is gewezen door het Hof. Een comparitie van partijen acht de rechtbank thans niet zinvol, gelet op de na te geven beslissing(en). 3.2 Tussen partijen is niet in geschil dat A als schuldeiser heeft te gelden in de zin van art. 3:45 BW. Door A is eerstens aangevoerd dat zij door de verkoop en levering van het litigieuze kantorencomplex is benadeeld in haar verhaalsmogelijkheid, hetgeen door gedaagden betwist wordt. Vast staat dat het kantorencomplex in 1991 door B Adviesgroep is gekocht voor ƒ 2.867.700,-- en op 1 september 1998 voor ƒ 2.000.000,-- is verkocht. Door A is aangevoerd dat deze (ver)koopprijs niet reëel is gezien de stijging van de onroerendgoed prijzen in de afgelopen jaren. Verder heeft A aangevoerd dat de algemeen bekende gedragslijn van hypotheek verstrekkende instellingen is om tot een bedrag van 75% van de executiewaarde te financieren en de Rabobank al in 1991 een hypotheek heeft genomen van ƒ 2.300.000,--. Hier tegenover hebben gedaagden enkel aangevoerd dat de koopprijs wel reëel en in overeenstemming is met de huidige waarde en dat de zaak bij executoriale verkoop, na aftrek van de hypotheekschuld, (nagenoeg) geen overwaarde zou hebben. De rechtbank zal voorbij gaan aan het verweer van gedaagden, nu zij nagelaten hebben op de gemotiveerde stellingen van A hun verweer nader te onderbouwen. Nog daargelaten het voorgaande staat in ieder geval vast dat door de verkoop en levering van het kantorencomplex de mogelijkheid van verhaal door A op B Adviesgroep, is gefrustreerd. Door B Adviesgroep is overigens ook niet betwist de stelling van A dat er verder geen overige vermogensbestanddelen zijn waarop A haar vordering zou kunnen verhalen. In zoverre staat ook op die grond de benadeling vast. 3.3 Verder is door gedaagden als verweer gevoerd dat de verkoop en levering niet onverplicht gebeurde, maar “was allang gepland en stond in verband met een reeds jarenlang bestaand voornemen om het bedrijfspand in C Beheer te brengen en de rekening-courantschuld van B Adviesgroep aan C Beheer af te lossen”. Verder was er een plicht terzake van “gegronde aansprakelijkheid” van één van de dochters van C Beheer, waarvoor betaling van ƒ 350.000,-- diende te geschieden. Bij conclusie van antwoord stellen gedaagden dat zij alsnog bewijsstukken in het geding zullen brengen van een aanzienlijke vordering van C Beheer op B Adviesgroep. Nu gedaagden geen enkel (bewijs)stuk in het geding hebben gebracht waaruit zou kúnnen blijken dat de rechtshandeling van verkoop en levering verplicht (in de zin van vaste Hoge Raad-jurisprudentie) geschiedde, zal de rechtbank aan dit verweer voorbij gaan. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de in de leveringsakte genoemde “gewenste interne reorganisatie” onvoldoende is om aan te nemen dat voor de verkoop en levering een rechtsplicht (voor B Adviesgroep) bestond. 3.4 Tenslotte is door gedaagden als verweer opgeworpen dat zij - op het moment van overdracht - geen kennis droegen van de (mogelijke) benadeling. Ook dit verweer wordt verworpen door de rechtbank. Uit de hiervoor onder 1.2 tot 1.4 weergegeven feiten blijkt dat daags na veroordeling tot betaling door B Adviesgroep haar enige (substantiële) vermogensbestanddeel is verkocht. B Adviesgroep stelt dat zij pas na 1 september 1998 heeft kennis genomen van het vonnis van de rechtbank en de brief-fax van 1 september 1998 eerst onder ogen heeft gekregen na de overdracht. Onbetwist staat echter vast dat de vordering tot betaling per fax om 16.24 uur is verzonden aan de advocaat van B Adviesgroep (zie rov. 1.3) en dat de overdracht pas om 17.15 uur diezelfde dag plaatsvond. Daarenboven is door A aangevoerd dat haar procureur al op 31 augustus 1998 over het vonnis van de rechtbank beschikte. Niet gesteld of gebleken is dat B Adviesgroep niet wist dat op 26 augustus 1998 het vonnis van de rechtbank was te verwachten. Zij had derhalve rekening kúnnen houden met de mogelijkheid dat de vordering in reconventie van A in de procedure die leidde tot het vonnis van 26 augustus 1998, zou kunnen worden toegewezen, hetgeen in casu ook geschied is. Echter ook op andere grondslag is sprake van - kort gezegd - een rechtsvermoeden van wetenschap van benadeling nu er sprake is van de situatie als bedoeld in art. 3:46 lid 1 sub 5 (en/of sub 6). Immers door B Adviesgroep (schuldenaar) is verkocht en geleverd aan C Beheer (schuldeiser), waarbij beide rechtspersonen door één en dezelfde persoon, de heer D in zijn hoedanigheid van directeur/enig aandeelhouder, werden vertegenwoordigd. Nu gedaagden tegenover al deze feiten en omstandigheden en het bewijsvermoeden van art. 3:46 BW hun standpunt niet met concrete te bewijzen feiten en omstandigheden hebben onderbouwd, passeert de rechtbank het algemene bewijsaanbod van gedaagden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verweer van gedaagden dat zij reeds in 1996 “derhalve langer dan een jaar voor 1 september 1998” afgesproken hadden dat de eigendom zou worden overgedragen, geen hout snijdt en vermoedelijk berust op een verkeerde lezing/interpretatie van art. 3:46 lid 1, 1e zin BW; de aldaar genoemde termijn van een jaar ziet op het inroepen van de nietigheid van de rechtshandeling na het verrichten van de rechtshandeling (in casu 1 september 1998) en niet op een voornemen daartoe. 3.5 Het voorgaande leidt er toe dat de vordering van A zal worden toegewezen. Gedaagden zullen als de in het ongelijk te stellen partijen, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. BESLISSING De rechtbank: - vernietigt de koop- en leveringsovereenkomst, zoals neergelegd in de akte van levering van 1 september 1998, tussen B Adviesgroep en C Beheer; - veroordeelt gedaagden in de kosten van het geding aan de zijde van A, tot op deze uitspraak begroot op ¦ 518,10 (excl. BTW) aan verschotten en ¦ 1.720,-- aan salaris; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dozy en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.