
Jurisprudentie
AB0481
Datum uitspraak2001-02-14
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers98.4357
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers98.4357
Statusgepubliceerd
Uitspraak
vC/A
rolnummer: 98.4357
datum vonnis: 14 februari 2001
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector Civiel Recht - Kamer A
Vonnis in de zaak met rolnummer 98.4357 van:
A,
wonende te Naaldwijk,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
procureur: mr M.W.F.M. de Leeuw;
tegen
1. B, en
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V.,
wonende respectievelijk gevestigd te 's-Gravenzande,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
procureur: mr M.A.B. Sassen.
Partijen worden hierna aangeduid als "A", "B" en "C".
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook het tussenvonnis van deze rechtbank van 12 juli 2000 en het proces-verbaal van de op 26 oktober 2000 gehouden comparitie van partijen.
RECHTSOVERWEGINGEN
Beoordeling
in conventie en in reconventie
1. De rechtbank houdt zich aan hetgeen in voormeld tussenvonnis is overwogen en beslist. Met dien verstande dat Makelaar Ros in zijn door A ter gelegenheid van de comparitie van partijen overgelegde brief van 10 oktober 2000 heeft laten weten dat zijn brief van 16 juni 1998 geen taxatierapport is. Bij de feitenvaststelling als vermeld in het tussenvonnis sub 1.16 dient de laatste zinsnede derhalve als niet geschreven te worden beschouwd.
te lage verkoopprijs
2.1 In het tussenvonnis is reeds overwogen dat de verkoopprijs van het pand vanwege het aspect "kosten koper" in ieder geval f 53.696,= te laag was. Met betrekking tot de vraag of en zo ja in hoeverre ook een verkoopprijs van f 895.000,= k.k. als een te lage verkoopprijs moet worden aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt.
2.2 In het tussenvonnis is reeds overwogen dat het min of meer identieke buurpand - na een jaar voor f 1.100.000,= te koop te hebben gestaan - begin februari 1999 voor f 950.000,= k.k. is verkocht, zodat er - gelet op de door A gestelde waardestijging per jaar van 2% - geen reden is om per januari 1997 uit te gaan van een hogere opbrengst dan in de orde van grootte van f 913.000,= k.k.. In het-geen partijen nadien hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander bedrag te geraken. Daarbij speelt in het bijzonder een rol dat de vergelijkbaarheid van de panden in kwestie aanvankelijk door A niet is betwist en het feit dat de lange leegstand en de opbrengst van het buurpand meer sporen met de taxa-ties die B heeft overgelegd dan met de taxatie waarop A zich beroept. Een en ander is naar het oordeel van de rechtbank niet anders, indien er van wordt uitgegaan dat uit-eindelijk - nadat eerst een schriftelijk bod van f 950.000,= is gedaan - in de koopsom voor het buurpand een vergoeding van enkele tienduizenden guldens voor roerende goederen is op-genomen. Gelet op een en ander bepaalt de rechtbank de destijds in aanmerking te nemen koop-prijs in redelijkheid en billijkheid op een be-drag van f 913.000,= k.k..
2.3 Het voorgaande leidt er toe dat het er in de onderhavige procedure voor moet worden gehou-den dat de tussen X Vastgoed en C destijds gehanteerde koopprijs (f 53.696,= + f 18.000,= zijnde) f 71.696,= te laag was.
claim van A of (uitsluitend) van X Vastgoed?
3.1 X Vastgoed heeft als gevolg van de te laag vastgestelde verkoopprijs voor het pand schade ge-leden. B is daarvoor in beginsel jegens X Vastgoed aansprakelijk. Immers, hij heeft in de uitoefening van zijn directiefunctie jegens X Vastgoed wanprestatie gepleegd. C - aan wie de betreffende wetenschap en handelwijze van B kan worden toegerekend en die van de te lage verkoopprijs heeft geprofiteerd - heeft ter zake jegens X Vastgoed onrechtmatig gehandeld en is uit dien hoofde in beginsel ter zake eveneens jegens X Vastgoed voor de betref-fen-de schade aansprakelijk. Dan komt vervolgens aan de orde of deze schade thans door A kan worden gevorderd, gelet op het feit dat deze - zoals in het tussenvonnis is over-wogen - als "afgeleide schade" moet worden aangemerkt. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.
3.2 Tussen A en B bestaat binnen de directie en aandeelhoudersvergadering van X Vastgoed een patstelling. Als oplossing daarvan zou denkbaar zijn dat X Vastgoed zou wor-den geliquideerd en dat op basis daarvan tussen partijen zou worden afgere-kend. Dit punt is ter comparitie ter sprake geweest. A heeft toen verklaard daar niet voor te voelen en heeft zelfs medegedeeld ernaar te streven alle aandelen van X Vastgoed te verwerven. B heeft aangevoerd wel met liquidatie doch niet met overdracht van de aandelen X Vastgoed aan A te kunnen instemmen.
3.3 A vordert in deze procedure schadevergoeding bestaande in de waar-de-da-ling van zijn aandelen in X Vastgoed. Daarbij rijzen twee vragen:
a) kan A, als benadeelde aandeelhouder, vergoeding van die schade jegens B vorderen ?
b) komt dat type schade in dit geval voor vergoeding in aanmerking ?
3.4 Voor wat betreft de onder a) weergegeven vraag zal de hiervóór omschreven pat-stel-ling er toe leiden dat verhaal van de schade door X Vastgoed zo niet onmogelijk, dan toch in ieder geval bij--zonder gecompliceerd zal zijn. Mede gelet op de door B gestelde reden voor de over-dracht van het pand, zou het onverkort volgen van de door de Hoge Raad in het arrest Poot/ABP uitgezette lijn derhalve tot de onaanvaardbare consequentie leiden dat de betreffen-de scha-de, die op zich voor vergoeding aan X Vastgoed in aanmerking zou moeten komen, in feite door haar niet zou kunnen worden verhaald. Met alle gevolgen van dien voor de waarde van de aande-len X Vastgoed. B zou dan gebruik (kunnen) maken van bedoelde pat-stel-ling en aldus niet alleen jegens X Vastgoed te kort schieten doch ook jegens zijn mededirec-teur en -aandeel-hou-der misbruik maken van een daaraan ontleende (machts)positie.
3.5 Het onder 3.4 overwogene voert tot de conclusie dat A in dit bijzon-dere geval wel gerechtigd is om op te treden als eiser tot schadevergoeding jegens B c.q. C in verband met het onttrekken van genoemd pand aan X Vastgoed voor een te lage prijs, zonder dat daarmee nog is gezegd wat voor soort schade voor ver-goe-ding in aanmerking kan komen.
3.6 Dienaangaande - het betreft de in 3.3 onder b) aan de orde gestelde vraag - valt op te merken dat hier geen rol kan spelen de door A gestel-de waarde-da-ling die zijn aandelen in X Vastgoed als gevolg van genoemd handelen door B zou-den hebben ondergaan. Zoals im-mers uit het hierboven onder 2.2 en 3.1 overwo-gene volgt, staat tegenover de onttrekking van het betrok-ken pand aan X Vastgoed door B, voor een te laag bedrag, in beginsel een vorde-ring tot schadevergoeding van X Vastgoed jegens B c.q. C voor zover dat be-drag te laag was, te vermeerderen met de wet-telijke rente daarover vanaf het tijdstip van ont-trek-king.
3.7 Zoals uit het hiervóór overwogene voortvloeit, is in dit geval het probleem gelegen in het feit dat X Vastgoed niet dan wel eventueel slechts na het nemen van praktisch en economisch buiten-ge-wone zware hin-dernissen in staat zou zijn een dergelijke vorde-ring geldend te maken. Ter eliminering van die onder 3.4 als onaanvaardbaar aange-merkte situatie lijkt het vol-doende als A in staat wordt gesteld om in rech-te te bereiken dat B c.q. C (als-nog) jegens X Vastgoed voldoet aan de onder 3.6 om-schreven vordering.
3.8 A heeft dit tot dusver nog niet gevorderd. Hij zal echter in de gelegen-heid worden gesteld om zijn vordering (subsidiair) aldus aan te passen. B c.q. C zal daarop vervolgens mo-gen reageren. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen als hierna ver-meld. De recht-bank verzoekt partijen bij een en ander tevens aandacht te besteden aan de con-crete uit-wer-king van de betaling. Daarbij zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan een uitkomst die aan-sluit bij de tot dusverre feitelijk gerealiseerde situatie, namelijk (zo begrijpt de rechtbank) betaling van de door X Vastgoed over het schadebedrag verschuldigde vennoot-schaps---belasting en 50/50 beta-ling van het daarna resterende bedrag aan de aandeelhouders in het kader van een leningovereenkomst tussen elk van hen en X Vastgoed.
3.9 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. Om proces-economische redenen zal tus-sen-tijds hoger beroep worden uitgesloten.
BESLISSING
De rechtbank:
in conventie en in reconventie
verwijst de zaak naar de rol van 20 maart 2001, ambtshalve peremptoir, voor uitlaten aan de zijde van A als weergegeven in rechtsoverweging 3.8;
sluit op de voet van artikel 337 lid 2 Rv tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis uit;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. Punt, Joele en Van Coeverden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.