
Jurisprudentie
AB0480
Datum uitspraak2001-02-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAwb 01/276 en 01/293
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAwb 01/276 en 01/293
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM
Reg.nr.: Awb 01/276
01/293
UITSPRAAK
van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:
A te B, verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren, verweerder.
I. FEITEN EN PROCESVERLOOP
Bij besluit van 5 februari 2001 (verder: besluit I) heeft verweerder verzoekster vanwege het zonder bouwvergunning bouwen van een directiekeet aan de C te B, kadastraal bekend D, een bouwverbod opgelegd en verzoekster tevens, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om uiterlijk vóór 7 februari 2001 om 15.00 uur de directiekeet te verwijderen.
Daarnaast heeft verweerder verzoekster bij besluit van 6 februari 2001 (verder: besluit II) gelast om het bouwen van een nissenhut onmiddellijk te staken en bepaald dat bestuursdwang zal worden toegepast wanneer de nissenhut op vrijdag 8 (lees: 9) februari 2001 om 17.00 uur niet is verwijderd.
Tegen besluit I heeft verzoekster bij brief van 7 februari 2001 bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft bij brief van gelijke datum de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Tegen besluit II heeft verzoekster bij brief van 9 februari 2001 bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft bij brief van gelijke datum de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Behandeling van beide verzoeken heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 15 februari 2001, waar namens verzoekster zijn verschenen E en F, directeur van respectievelijk medewerker bij verzoekster, bijgestaan door de gemachtigde A.J.D. Fukkink te Rhenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P.H. Speé en J. van Doorn, ambtenaren der gemeente.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op het perceel C te B (verder: het perceel) is het bestemmingsplan “Buitengebied Lienden” (verder: het bestemmingsplan) van toepassing, waarin de betreffende gronden zijn bestemd als “agrarisch gebied” (artikel 6 van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften (verder: de voorschriften)).
Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder 1.1, van de voorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden en de volgens dit artikel mogelijke bouwwerken bestemd voor:
a. de agrarische produktie en bijbehorende voorzieningen.
b. (..)
c. (..)
d. (..)
Het derde, respectievelijk vierde lid, van dit artikel bevat voorschriften omtrent bebouwing op agrarische bouwpercelen, respectievelijk bebouwing buiten de agrarische bouwpercelen.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op het perceel C twee bedrijven zijn gevestigd, te weten het varkensfok- en vermeerderingsbedrijf G en het veehandels- en stalequipmentbedrijf van verzoekster.
De bouw van de in geding zijnde bouwwerken op een perceel op circa 300 meter afstand van de huidige locatie heeft, aldus verzoekster, plaatsgevonden in verband met een op 20 februari 2001 voorgenomen keuring van de gezondheidsdienst namens de Rijksdienst Keuring Vee en Vlees.
Op grond van rijksregelgeving mag op één locatie nog maximaal één UBN (uniek bedrijfsnummer) voorkomen, hetgeen betekent dat het veehandelsbedrijf verplaatst moet worden naar een andere locatie.
Indien daaraan niet wordt voldaan zal het varkensfokbedrijf niet langer worden behandeld als ware de A-status in de zin van de Regeling varkensleveringen toegekend.
Alsdan zou het bedrijf worden aangemerkt als D-bedrijf in de zin van die Regeling, hetgeen betekent dat er geen varkens meer mogen worden geleverd aan andere varkensbedrijven, doch alleen nog varkens voor de slacht mogen worden afgevoerd.
De schade die daarvan het gevolg zou zijn is namens verzoekster ter zitting geraamd op meer dan 1 miljoen gulden (13.000 varkens x fl. 110,=).
Dat zou leiden tot het faillissement van het varkensfokbedrijf en een verlies aan omzet bij het veehandelsbedrijf van 20%.
Verzoekster heeft zich aldus, naar is aangevoerd, gedwongen gezien om de onderhavige locatie in gebruik te gaan nemen voor het veehandelsbedrijf, te meer nu op korte termijn een andere oplossing niet voorhanden is.
Verder is van de zijde van verzoekster aangevoerd dat er al meer dan twee jaar besprekingen met de gemeente zijn gevoerd om de verplaatsing te realiseren.
Weliswaar heeft dat voor wat betreft de toepassing van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) geleid tot een afwijzend besluit van 22 januari 2001, maar daartegen is een bezwaarschrift ingediend.
Ook zijn er volgens verzoekster in de loop van de procedure verwachtingen gewekt van de zijde van de gemeente.
Verweerder heeft wat betreft (het ontbreken van) legaliseringsmogelijkheden met name verwezen naar de inhoud van zijn besluit van 22 januari 2001.
Verder heeft verweerder gesteld dat de financiële belangen van verzoekster niet rechtvaardigen dat zonder bouwvergunning wordt gebouwd.
Verweerder wil ongewenste precedentwerking voorkomen door handhavend op te treden tegen de onderhavige illegale situatie.
De president overweegt als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat, naar ter zitting is gebleken, de bouw van zowel de directiekeet als de nissenhut is voltooid.
Daaruit volgt wat betreft de bouwstoppen dat noch een schorsing noch een afwijzing van de verzoeken om voorlopige voorziening effect kan sorteren.
De president zal zich dan ook inhoudelijk beperken tot de lastgevingen (onder aanzegging van bestuursdwang) om de beide bouwwerken te verwijderen.
Vastgesteld moet worden dat verweerder bevoegd was de onderhavige lastgevingen te doen uitgaan, reeds omdat door verzoekster is gebouwd zonder bouwvergunning, hetgeen op grond van artikel 40 van de Woningwet verboden is.
Voorts staat vast dat de bouwwerken, reeds gelet op de afwezigheid van een bouwperceel ter plaatse, in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat er ook geen binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid is.
De president is vooralsnog van oordeel dat de termijnen van de lastgevingen in dit geval onredelijk kort zijn.
De termijn van verzending van besluit I en de termijn waarop uiterlijk aan de last moet zijn voldaan bedraagt 2 dagen ; tussen het moment van ontvangst van besluit I en de uiterste termijn ligt zelfs maar 1 dag
Ook de termijn tussen verzending van besluit II en de termijn waarop uiterlijk aan de last moet zijn voldaan bedraagt 2 dagen.
Naar het voorlopig oordeel van de president kan niet worden ingezien waarom deze termijnen in dit geval zo uitzonderlijk kort moesten zijn. Er is immers geen sprake van een situatie waarbij onomkeerbare gevolgen zouden intreden indien een langere termijn zou worden gegund of een situatie waarbij (ernstige) schade zou optreden indien de illegale bouw niet zeer snel zou worden verwijderd.
Een ander gebrek, dat alleen aan besluit I kleeft, is dat daarin niet is ingegaan op de mogelijkheid van legalisering en dat verzoekster niet in de gelegenheid is gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken. Niet valt in te zien dat de vereiste spoed zich daartegen zou verzetten (artikel 4:11 Awb).
Voorts overweegt de president als volgt.
Volgens jurisprudentie van de hogere rechter kan alleen in bijzondere gevallen van een bestuursorgaan worden verlangd dat wordt afgezien van handhavend optreden tegen een illegale situatie.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht de president het voldoende aannemelijk geworden dat (vrijwel) vaststaat dat het varkensfokbedrijf op of omstreeks 20 februari 2001 niet langer zal worden aangemerkt als A-bedrijf in de zin van de Regeling varkensleveringen indien het veehandelsbedrijf niet op een andere locatie wordt uitgeoefend.
Evenzeer is aannemelijk geworden dat in dat geval de beide bedrijven zeer grote schade zullen lijden, zoal niet in staat van faillissement zullen komen te verkeren.
Nu verzoekster al meer dan 2 jaar in bespreking is geweest met de gemeente over de mogelijkheid ter plaatse het veehandelsbedrijf te kunnen uitoefenen en eerst op 22 januari 2001 duidelijk werd dat verweerder geen toepassing wilde geven aan artikel 11 van de WRO juncto artikel 06, lid 5.3, van de bestemmingsplanvoorschriften is naar het oordeel van de president een noodsituatie ontstaan.
Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat het zich aanvankelijk liet aanzien dat de besluitvorming zich in voor verzoekster positieve zin zou ontwikkelen, gelet op het positieve advies van het hoofd Beleidsontwikkeling van de afdeling Landelijk Gebied van de provincie Gelderland van 5 december 2000 en het voorstel van verweerder van 14 november 2000 om een relatiebouwperceel ten behoeve van het bedrijf van verzoekster op te nemen.
Bovendien neemt de president in aanmerking dat hem vooralsnog niet is kunnen blijken dat verzoekster op dit moment een reëel alternatief heeft om de veehandelsactiviteiten elders onder te brengen.
Voor wat betreft de legaliseringsmogelijkheden stelt de president op voorhand vast dat op het bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 22 januari 2001 nog een beslissing moet worden genomen.
Ook indien er in het kader van artikel 11 van de WRO geen legalisatie mogelijk zou zijn, dan zijn daarmee de legaliseringsmogelijkheden nog niet uitgeput.
Immers, hoe dan ook heeft de gemeenteraad nog geen besluiten genomen in het kader van artikel 19 WRO dan wel in het kader van een planherziening.
Dat het, gezien de standpuntbepaling van de commissie VROM, al op voorhand vast zou staan dat de gemeenteraad niet zou beslissen in voor verzoekster gunstige zin ziet de president vooralsnog niet in.
Kennelijk heeft, gelet op het besluit van 22 januari 2001 en een notitie van de afdeling VROM van 15 januari 2000, bij de standpuntbepaling van de commissie VROM met name een rol gespeeld dat er geen nieuwe niet-agrarische bedrijven in het buitengebied mogen worden gevestigd.
De juistheid van die motivering is twijfelachtig nu, aangenomen dat verzoekster een niet-agrarisch bedrijf is in de zin van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan, het hier niet zozeer gaat om een nieuw bedrijf, maar om de noodzakelijke verplaatsing van een bestaand bedrijf naar een perceel gelegen in de onmiddellijke omgeving van het perceel C.
Gezien al het vorenstaande ziet de president aanleiding de bestreden besluiten te schorsen.
De president acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:84, vierde lid juncto artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1993, 763) begroot op
fl. 2.840,= aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:82, vierde lid, van de Awb.
III. BESLISSING
De president,
wijst beide verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;
veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ten bedrage van fl. 2.840,= en wijst de gemeente Buren aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
schorst de besluiten van 5 en 6 februari 2001;
bepaalt dat de gemeente Buren aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad fl. 450,= vergoedt.
Aldus gewezen door mr. J.J. Penning, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr. C.M.E. de Man als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2001 in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.