
Jurisprudentie
AB0475
Datum uitspraak2001-02-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers01/130 WAOCON
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers01/130 WAOCON
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN
sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 84 van de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 01/130 WAOCON
Inzake
[verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster,
gemachtigde mr. W.A.H.A. Veeren te Zoetermeer,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder,
gemachtigde mr. K. van der Wal, werkzaam bij de uitvoeringsinstelling USZO te Heerlen.
Procesverloop
Bij brief van 13 december 2000 heeft verweerder verzoekster in kennis gesteld van een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Verzoekster heeft tegen dit besluit op 22 januari 2001 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 8 februari 2001 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist.
Verweerder heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het verzoek is -gelet op het bepaalde in art. 88h WAO voor zover het de medische gegevens in het kader van de WAO betreft- met gesloten deuren ter zitting behandeld op 23 februari 2001. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet laten vertegenwoordigen.
Motivering
Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Ten aanzien van de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening overweegt de president voorts als volgt.
Verzoekster, die is geboren op 13 februari 1955, is vanaf 1980 als docente lichamelijke opvoeding voor 36,84 klokuren per week in dienst van het Friesland College te Leeuwarden.
Op grond van art. H-54 sub d van de CAO-BVE kan de werkgever van verzoekster haar dienstverband op grond van ziekte of arbeidsongeschiktheid opzeggen, indien deze tenminste 24 maanden heeft geduurd en herstel binnen zes maanden na deze 24 maanden niet is te verwachten. Op grond van art. H-56 van deze CAO dient de werkgever bij ontslag op voormelde grond een zelfde dan wel gelijkwaardig dienstverband aan te gaan met de werknemer in een betrekkingsomvang die overeenkomst met zijn restvaliditeit, tenzij dit op grond van door de werkgever te stellen en zonodig te bewijzen omstandigheden redelijkerwijze van deze niet valt te vergen.
Op 23 november 1998 is verzoekster wegens onder meer nekklachten voor 50% uitgevallen voor haar werk. Op 28 april 1999 heeft verzoekster een operatie ondergaan. Sedert die datum is verzoekster geheel arbeidsongeschikt.
Bij besluit van 7 december 1999 heeft verweerder verzoekster met ingang van 22 november 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierbij is overwogen dat verzoekster weliswaar in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten maar dat zij ingevolge haar beperkingen voor arbeid op en na 22 november 2000 onvoldoende mogelijkheden heeft op de arbeidsmarkt.
Ter beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van verzoekster heeft verweerder een medisch onderzoek laten verrichten door de verzekeringsarts L. Das en een arbeidskundige onderzoek door arbeidsdeskundige L.A. Koopman. Das stelt in zijn rapport van 11 oktober 2000 als diagnose "status na spondylose" en concludeert dat er bij verzoekster sprake is van toename van beperkingen voor arbeid ten opzichte van de vorige beoordeling. Hij acht terugkeer van verzoekster in de eigen functie mogelijk, maar niet te verwachten binnen een termijn van één à twee maanden. Hij adviseert om in mei 2001 over te gaan tot een medische herbeoordeling.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de WAO-uitkering van verzoekster met ingang van 14 februari 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Hiertoe is overwogen dat verzoekster met de door Das vastgestelde beperkingen voor arbeid in staat is functies als portier, lokettist en advertentie-acquisiteur te verrichten.
Verzoekster stelt zich -onder meer en voor zover van belang- in de eerste plaats op het standpunt dat Das geen zorgvuldig lichamelijk onderzoek heeft gedaan. Verder acht zij het onzorgvuldig dat vooruitlopend op een herbeoordeling in mei 2001 haar WAO-uitkering reeds met ingang van 14 februari 20091 wordt herzien.
Ter zitting is namens verzoekster benadrukt dat zij een spoedeisend belang heeft omdat verweerder haar functies heeft geduid die bij haar huidige werkgever niet beschikbaar zullen zijn. Als de bezwaarschriftprocedure en een eventuele bodemprocedure bij de rechtbank afgerond zullen zijn, zal verzoekster inmiddels op grond van de CAO allang door haar werkgever ontslagen zijn. Zij wil voorkomen dat er door het bestreden besluit een onomkeerbare situatie voor haar ontstaat.
De president is echter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Anders dan verzoekster is de president van oordeel dat door het bestreden besluit geen onomkeerbare situatie voor verzoekster zal ontstaan. In de eerste plaats omdat het bestreden besluit geen uitspraken doet over (rechts)feiten die van wezenlijk belang zijn voor een mogelijk ontslagprocedure die de werkgever van verzoekster zal opstarten. Het bestreden besluit behelst uitsluitend een oordeel over de arbeidsongeschiktheid van verzoekster (en de daarbij behorende hoogte van haar uitkering) per 14 februari 2001. Het besluit bevat derhalve geen beslissing over de vraag of herstel als bedoeld in art. H-54 sub d van de CAO is te verwachten dan wel over de mogelijkheden van verzoekster om op enig moment in haar eigen werk bij het Friesland College terug te keren, welke mogelijkheden van belang zouden kunnen zijn in het kader van een eventueel door haar werkgever op te starten ontslagprocedure. In de tweede plaats reeds om de reden dat de in het bestreden besluit genomen beslissingen niet bindend zijn voor een eventuele ontslagprocedure, nu zo'n procedure een eigen toetsings- en begrippenkader kent. Om deze laatste reden kan een spoedeisend belang ook niet gelegen zijn in de omstandigheid dat de werkgever de rapporten van de medische en arbeidskundige adviseurs die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd als bewijsmiddel zou kunnen gebruiken voor zijn ontslagbeslissing.
De conclusie van de president is dan ook dat niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit op enigerlei wijze voor verzoekster onomkeerbare gevolgen heeft voor een eventuele ontslagprocedure; haar verzoek moet daarom, gelet op de betrokken belangen, wegens het ontbreken van een spoedeisend belang worden afgewezen.
De president ziet geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
De president van de rechtbank:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.
w.g. B.M. van der Doef w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.
Schriftelijke uitspraak verzonden op: 9 maart 2001