
Jurisprudentie
AB0471
Datum uitspraak2001-03-07
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersAV 5086
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersAV 5086
Statusgepubliceerd
Uitspraak
GERECHTSHOF TE ARNHEM
pkn: 07-840044-00
avnr: 5086 - 06
Het gerechtshof te Arnhem heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door de officier van justitie in het arrondissement Zwolle in de strafzaak tegen
DE VERDACHTE,
Geboren in het jaar 1976,
.
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 14 februari 2001, houdende de afwijzing van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal gehoord en de raadsman van verdachte in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 15 februari 2001.
OVERWEGINGEN:
De officier van justitie heeft in zijn appelmemorie aangevoerd dat gelet op de aanwezigheid (en de inhoud) van het opgemaakte (aanvullende) proces-verbaal, zoals dat thans (15 februari 2001) in ieder geval in kopie van het reeds in een eerder stadium aangeleverde proces-verbaal aanwezig was en waaruit voldoende blijkt van het bestaan- en derhalve van het voortduren- van de ernstige bezwaren alsook de gronden jegens verdachte, de gewraakte beschikking dient te worden vernietigd en het bevel tot verlenging van de gevangenhouding alsnog dient te worden verleend.
Het hof is na onderzoek gebleken dat de rechtbank de beslissing op de vordering tot verlenging van de gevangenhouding na de eerste mondelinge behandeling op 7 februari 2001 heeft aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het dossier te completeren met het aanvullende (de voortgang en verdere resultaten van het onderzoek jegens verdachte bevattende) proces-verbaal.Tijdens de voortzetting van de behandeling van de vordering op 14 februari 2001 bleek noch de rechtbank,noch de raadsman van verdachte,noch de officier van justitie de beschikking te hebben over het toegezegde proces-verbaal.De officier van justitie is er op dat moment niet in geslaagd het betreffende proces-verbaal te traceren.
Het hof oordeelt dat door deze gang van zaken de verdachte en diens raadsman in een zodanig ernstige mate zijn belemmerd in het voeren van de verdediging dat sprake is van schending van het in artikel 6 EVRM besloten recht op een eerlijke behandeling en het daaraan ten grondslag liggende beginsel van "equality of arms" -waarbij het hof tevens in aanmerking neemt dat ter zitting van het hof in raadkamer gebleken is dat de raadsman ondanks de toezegging van de officier van justitie dienaangaande en diverse rappellen nog steeds geen aanvulling van de stukken heeft ontvangen. Aldus dient naar het oordeel van het hof de officier van justitie alsnog niet ontvankelijk te worden verklaard in diens vordering tot verlenging van de gevangenhouding. Anders dan de rechtbank heeft overwogen laat deze beslissing geen ruimte meer voor een beoordeling van de vraag of er nog steeds ernstige bezwaren tegen verdachte bestaan als bedoeld in artikel 67, derde lid Wetboek van Strafvordering.
De beschikking waarvan beroep dient derhalve te worden vernietigd nu het hof tot een ander oordeel komt.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof vernietigt de beschikking waarvan beroep en verklaart alsnog de officier van justitie niet-ontvankelijk in diens vordering tot verlenging van de gevangenhouding.
Aldus gegeven op 7 maart 2001 door mrs voorzitter, 1e raadsheer, 2e raadsheer, p.g. en griffierBoerwinkel, voorzitter, Van Kuijck en Dee, raadsheren, in tegenwoordigheid van Berendsen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.