Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0445

Datum uitspraak2001-01-31
Datum gepubliceerd2001-03-08
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
ZaaknummersC00/415
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Uitspraak : 31 januari 2001 Rolnummer : C00/415 Rol.nr rb. : KG 00/232 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER A r r e s t in de zaak van: [naam man], wonende te [woonplaats man], appellant, hierna te noemen: de man, procureur mr. M.L.Groen, tegen [naam vrouw], wonende te [woonplaats vrouw], geïntimeerde, hierna te noemen: de vrouw, procureur mr. W. van Leuveren. HET GEDING Bij exploot van 22 maart 2000 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 10 maart 2000, door de president van de recht-bank te s’-Gravenhage tussen de partijen in kort geding gewezen. Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de president daaromtrent in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld. Bij memorie van grieven heeft de man een grief aangevoerd, die is onderverdeeld in 5 subgrieven. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de vrouw de grie-ven bestreden. De partijen heb-ben hun procesdossiers aan het hof over-ge-legd. BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP 1. Tegen de feiten zoals door de president vastgesteld onder 1 in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat. Het hof voegt hier als feit nog aan toe dat de vrouw na het bestreden vonnis beslag heeft gelegd op de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man bij Centraal Beheer. 2. In grief 1 sub b, die het hof eerst zal behandelen, stelt de man dat de president ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden en voert daartoe aan dat de president ten onrechte heeft overwogen dat de beschikking van het hof van 27 augustus 1999 uitgebreid gemotiveerd is, dat de man een redelijke termijn is gegund om zijn financiële situatie te saneren en dat de president de brief van de makelaar P. de Pater sr. ten onrechte in het nadeel van de man heeft laten wegen. Deze grief faalt ten dele omdat deze gericht is tegen overwegingen die de beslissing van de president niet dragen. De overwegingen van de president over de motivering door het hof en de termijn die de man gegund is, zijn immers irrelevant voor de door de man gestelde wijziging van omstandigheden. Voornoemde brief van de makelaar dateert van na de beschikking van het hof en zou in zoverre wel een wijziging van omstandigheden kunnen opleveren. In de onderhavige brief schrijft de makelaar onder andere dat er geen kandidaat is geweest die meer dan ƒ 400.000,- heeft willen bieden en dat de man zich in dit soort biedingen niet kan vinden en het pand voorlopig liever blijft verhuren. Nu de man ongemotiveerd stelt dat de prijs van ƒ 400.000,- te laag zou zijn voor het pand en de makelaar bovendien in de brief stelt dat verkoop van het pand als bedrijfspand moeilijk haalbaar is, omdat er te veel achterstallig constructief onderhoud aan dit pand is, is het hof van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het pand alleen maar voor een bedrag, dat aanzienlijk onder de marktwaarde ligt, van de hand zou moeten doen. De opmerking dat het pand moeilijk te verhuren zal zijn, acht het hof irrelevant. Ook het feit dat de ABN-AMRO bank bij brief van 24 januari 2000 de man onverminderd aan zijn verplichtingen houdt levert geen wijziging van omstandigheden op, nu dit standpunt van de bank niet anders was als ten tijde van de beschikking van het hof. Grief 1 sub b faalt. 3. In grief 1 sub c voert de man aan dat de president ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat sprake is van een evidente misslag van het hof. De man stelt daartoe dat de door het hof gegeven opdracht van (veel) te verstrekkende aard is, omdat het te ver gaat te bepalen dat het pand maar moet worden verkocht of dat op een andere wijze gesaneerd moet worden zonder aan te geven op welke wijze dat zou moeten gebeuren. Het hof heeft in zijn beschikking overwogen dat de draagkracht van de man aanzienlijk zou verhogen als hij het pand in [plaatsnaam] zou verkopen, gelet op de voortschrijdende geconsolideerde verliezen van de B.V. van de man en de man de keuze gegeven het pand te verkopen of om anderszins zijn financiële situatie te saneren. Het hof hoefde niet aan te geven hoe de man zou moeten saneren als hij het pand niet wilde verkopen en de opdracht was gelet op de financiële situatie van de man niet te verstrekkend van aard. Voorts stelt de man dat de termijn die het hof hem gaf voor verkoop of sanering veel te kort was. De termijn is kort, maar gelet op de financiële situatie van de man niet te kort, zodat ook in dit opzicht geen sprake is van een evidente misslag van het hof. De man stelt verder dat de opdracht van het hof onmogelijk is nu hij met handen en voeten gebonden was aan de kredietovereenkomst met de ABN-AMRO bank en verwijst naar de brief van deze bank van 24 januari 2000. In deze brief schrijft de bank dat zij de man onverkort zullen houden aan de verplichtingen voortkomende uit de kredietovereenkomst zoals de in privé te ontvangen huurpenningen van het pand in [plaatsnaam] in de B.V. te storten. Uit deze brief blijkt niet dat de man in overleg met de bank is getreden om zijn financiële situatie te saneren of anderszins de verkoop van het pand aan de orde te stellen, zodat deze grief op alle onderdelen faalt. 4. In grief 1 sub d voert de man aan dat de president ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat tenuitvoerlegging van de betreffende beschikking de man in een zodanige noodtoestand zal brengen, dat ingrijpen in een kort geding gerechtvaardigd is. 5. Gelet op het vorenoverwogene behoeft grief 1 sub a geen behandeling meer. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden be-krach-tigd. BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP Het hof: bekrachtigt het vonnis door de presi-dent van de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de partijen op 10 maart 2000 in kort geding gewezen; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen. Dit arrest is gewezen door mrs. Hehemann, de Bruijn - Lückers en Pannekoek - Dubois en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.