
Jurisprudentie
AB0440
Datum uitspraak2000-03-31
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers19-H-00
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers19-H-00
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Uitspraak : 31 maart 2000
Rek.nummer: 19-H-00
Rek.nr rb.: 99-1022
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[naam vrouw],
wonende te [woonplaats vrouw],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. M.E.H.G. le Clercq-Tijks,
tegen
[naam man],
wonende te [woonplaats man],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
HET GEDING
Uit de relatie tussen de vrouw en de man is op 17 juni 1998 het kind geboren. De man heeft aangifte gedaan van die geboorte. Het kind is niet erkend.
De man heeft op grond van artikel 1:204 lid 3 BW verzocht de toe-stem-ming van de vrouw tot erkenning van het kind door die van de rechtbank te vervangen, nu de vrouw haar toestemming daar-toe heeft geweigerd.
Bij beschikking van 15 november 1999 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage vervangende toestemming verleend tot erken-ning van [het kind] door de man.
De vrouw is van die beschikking op 12 januari 2000 in hoger beroep geko-men en heeft ver-zocht deze te vernietigen en, opnieuw beschikken-de, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het inleiden-de verzoek van de man alsnog af te wijzen.
De man heeft een verweerschrift ingediend waarin wordt ver-zocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Op 1 maart 2000 is de zaak mondeling behandeld door mr. Schue-ring als raadsheer-commissaris.
BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
1. Vaststaat dat de man de biologische vader is van [het kind]. Niet gebleken is dat hij gehuwd is.
2. De vrouw heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar stelling dat de man geen belang heeft bij de erkenning, aange-zien de man na de geboorte van [het kind] geen contact heeft gehad met [het kind] en der-halve geen band met haar heeft opgebouwd welke gelijk is te stellen met family life als bedoeld in artikel 8 EVRM.
Voorts meent zij dat vol-doende is gebleken dat bij erkenning door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belan-gen van het kind zouden worden ge-schaad. In haar toelichting stelt zij -kort samenge-vat- dat zij zich door de man geïntimideerd voelt en dat dit de verhou-ding tussen haar en [het kind] schaadt. Zij ervaart de houding van de man als bedrei-gend voor haar en [het kind]. De vrouw raakt hierdoor uit balans, hetgeen ook zijn weerslag vindt in de relatie met [het kind]. Het moeilijke en dwingende karakter van de man en zijn wisse-len-de gemoedstoe-stand maakte de relatie tussen de partij-en vanaf het begin conflictueus en moeizaam. De man is zeer labiel en onberekenbaar en is voor-heen lange tijd onder behan-de-ling geweest van een psychiater. Door de negatieve ervarin-gen uit het verleden verzet de vrouw zich tegen een erkenning door de man. Volgens de vrouw is de onrust door het verzoek van de man weer opgelaaid en wordt haar rust met [het kind] zorgeloos verder te leven verstoord. Zij meent dat haar bezwaren tegen de erkenning zwaarder wegen dan de belan-gen van de man.
3. De man heeft zich verweerd en gesteld - kort samengevat- dat er geen enkele aanleiding is om aan te nemen dat de erken-ning van [het kind] door hem de belangen van de vrouw bij een onge-stoorde verhouding met [het kind] of de belangen van [het kind] zou schaden. Hij heeft zich nooit opgedrongen aan de vrouw of de vrouw bedreigd. Volgens hem heeft de vrouw, vanaf het moment dat ze zwanger was, afstand genomen van de man en heeft zij alles gepro-beerd om te voorkomen dat de man een band zou krijgen met [het kind], zowel voor als na de geboorte. De man meent dat dit echter geen reden is om erkenning tegen te houden. De man is onder behandeling geweest van een psychiater, echter vanwege depres-sieve buien en niet omdat hij onberekenbaar of labiel zou zijn. Ter staving heeft de man een brief van zijn psychi-ater overgelegd, vermeldend dat de man op hem geen labiele of onberekenbare indruk heeft gemaakt en dat hij zich niet kan voorstellen dat de houding van de man schadelijk zou kunnen zijn voor [het kind].
Ter terechtzitting is namens de man verklaard dat de man in de toe-komst niet van plan is om contact met [het kind] af te dwingen en geen contact met [het kind] te willen hebben zolang de vrouw daar niet mee instemt. Hij wil slechts het juridische vaderschap, zodat [het kind] weet dat het niet aan hem te wijten is indien er geen contact zal zijn en dat [het kind] altijd de mogelijkheid heeft om wanneer zij daarover zelf kan beslissen en daar behoefte aan heeft bij hem te komen.
4. De bijzonder curator mr. Baumgarten heeft ter terechtzit-ting verklaard dat de grief van de vrouw ter zake van het ontbreken van family life tussen de man en [het kind], niet aan de man mag worden tegengeworpen, aangezien de vrouw geen contact tussen de man en [het kind] heeft toegelaten en dit derhal-ve door haar eigen toedoen is gekomen. Overigens is er volgens hem wel dege-lijk sprake van family life als bedoeld in artikel 8 EVRM, gezien de door de man overge-legde en onweer-sproken lijst van kontak-ten tussen hem en de vrouw en [het kind] en de daar-uit voort-vloei-ende inte-resse van de man in [het kind]. De bijzonder curator heeft in hoger beroep geen nieuwe argumen-ten gehoord dan ten tijde van de behandeling in eerste aanleg. Volgens hem kan niet worden gesteld dat de erkenning de belan-gen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [het kind] of de belangen van [het kind] zouden schaden. Primair wordt verzocht de bestre-den beschik-king te bekrach-ti-gen en subsidi-air de defini-tieve beslissing aan te houden in afwach-ting van een onderzoek door de raad voor de kinderbe-scherming.
5. Naar het oordeel van het hof treft de primaire stelling van de vrouw geen doel. Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, dan wel de toestem-ming van het kind van twaalf jaar of ouder, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de recht-bank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de ver-wekker is van het kind, hetgeen in casu vaststaat. Artikel 1:204 BW stelt niet als voorwaarde dat er sprake moet zijn van family life. De vraag of hiervan sprake is kan derhalve in het midden worden gela-ten. Anders dan de vrouw stelt, heeft de man als biologische vader van [het kind] een te respecteren belang bij de erkenning.
6. Ten aanzien van de beoordeling of de erkenning door de man de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind schaden, is het hof - gelet op het besprokene ter zitting en gezien de stukken - van oordeel dat in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandighe-den zijn aangedragen die tot een anders-luidend oordeel moeten leiden dan de beslissing van de rechtbank. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist om aan de man vervangende toe-stemming te verlenen om [het kind] te erken-nen. Het hof neemt deze gronden hier-bij over.
Dat de erkenning door de man de ongestoorde verhouding tussen de vrouw en [het kind] zal schaden, aangezien de man een zeer dwin-gend karakter heeft en dientengevolge de kontakten met hem conflictueus zijn, zoals de vrouw heeft gesteld, acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voorts is niet voldoende aanneme-lijk gemaakt, mede gelet op de brief van psychia-ter E. Dyckhoff d.d. 2 februari 2000, dat de houding van de man scha-de-lijk zou kunnen zijn voor [het kind].
7. Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslis-sing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te gelasten.
8. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking moet worden be-krach-tigd.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Schuering, Hehemann en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijge-staan door Leka-hena als griffier en uitge-spro-ken ter open-ba-re te-rechtzit-ting van 31 maart 2000.