Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0434

Datum uitspraak2001-02-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/841
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 5, eerste lid, Wet IB. Belanghebbende betwist dat de inspecteur de niet-persoonlijke inkomensbestanddelen in een huwelijkssituatie terecht aan degene met het hoogste persoonlijke arbeidsinkomen heeft toegerekend. Ongegrond beroep. HR 27 september 1989, nr. 24 279, BNB 1990/61.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer UITSPRAAK op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen twee uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur. 1. Loop van het geding Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 februari 2000, ingediend door A als gemachtigde van belanghebbende. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 2 maart 2000, ingediend door A. De zaken zijn door het Hof gevoegd. De beroepschriften zijn aangevuld bij schrijven van 25 april 2000. De beroepschriften zijn gericht tegen de uitspraken van de inspecteur van 9 februari 2000. Het eerstgenoemde beroepschrift betreft de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 86.979. Het laatstgenoemde beroepschrift betreft de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 100.780. De aanvulling van 25 april 2000 betreft zowel het jaar 1998 als het jaar 1996. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende bij de twee bestreden uitspraken afgewezen. De beroepschriften strekken tot vernietiging van de bestreden uitspraken, tot vermindering van de aanslag 1996 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 48.730 en tot vermindering van de aanslag 1998 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 52.345. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert daarin tot bevestiging van de twee bestreden uitspraken. Ter zitting van 1 november 2000 is verschenen belanghebbende in persoon. Namens de inspecteur zijn verschenen (…). Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend. Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 15 november 2000. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 21 november 2000 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 14 december 2000 van belanghebbende het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht, ƒ 80, heeft belanghebbende tijdig voldaan. 2. Tussen partijen vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is buiten gemeenschap van goederen gehuwd en leeft niet duurzaam gescheiden. Samen met zijn echtgenote woont hij in een monumentenwoning die als eigen woning aan beide echtgenoten ter beschikking staat. In de jaren 1996 en 1998 is onderhoud aan de monumentenwoning verricht. Ter zake van de financiering zijn rentekosten gemaakt. Over beide onderhavige jaren is door belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan, waarna de inspecteur bij de aanslagregeling de niet-persoonlijke bestanddelen bij belanghebbende niet heeft geaccepteerd. Na bezwaar heeft de inspecteur de onderhavige aanslagen bij de bestreden uitspraken gehandhaafd. 2.2. De echtgenote van belanghebbende heeft zowel in 1996 als in 1998 een hoger persoonlijk inkomen dan belanghebbende. 3. Geschil In geschil is, zowel voor 1996 als voor 1998, de toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) op grond waarvan de niet-persoonlijke inkomensbestanddelen in een huwelijkssituatie worden toegerekend aan degene met het hoogste persoonlijke inkomen. 4. Standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd. door belanghebbende: In het onderhavige geval verdienen twee personen ongeveer evenveel. Daarom pleit ik voor een 50/50 verdeling. Het gaat om een groot financieel belang. door de inspecteur: Ik ben het niet eens met de manier waarop belanghebbende de jurisprudentie uitlegt. Artikel 5, eerste lid, van de Wet en HR 27 september 1989, nr. 24 297, BNB 1990/61, zijn van toepassing. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat artikel 5, eerste lid, van de Wet in casu niet toegepast mag worden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat: het door de inspecteur ingenomen standpunt geen betrekking heeft op het aangevoerde bezwaar en mitsdien onbegrijpelijk is; gehuwden vergeleken met ongehuwden achtergesteld worden; toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Wet strijdig is met de bedoeling van de wetgever; het beleid van de wetgever ter zake inconsequent is; artikel 5, eerste lid, van de Wet in strijd is met het internationale recht, met name met de artikelen 12 en 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM) in samenhang met artikel 8 EVRM en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: het IVBPR). Belanghebbende heeft het Hof verzocht om 50% van de gezamenlijke niet-persoonlijke inkomensbestanddelen aan hem toe te rekenen. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij dat redelijk vindt aangezien belanghebbende en zijn echtgenote in de onderhavige jaren ongeveer evenveel verdiend hebben. Bovendien gaat het om een groot financieel belang, aldus belanghebbende. 5.2. Belanghebbende kan zich niet met vrucht beroepen op strijd van artikel 5, eerste lid, van de Wet met bepalingen van het EVRM of het IVBPR. In Hoge Raad 27 september 1989, nr. 24 279, BNB 1990/61, welk arrest ook volgens de pleitnota van belanghebbende ‘de kern van de zaak’ betreft, is immers beslist dat artikel 5 van de Wet geen verboden discriminatie oplevert. In dit arrest overwoog de Hoge Raad onder meer: “7. Toetsing aan artikel 26 IVBPR; gehuwde tegenover ongehuwde belastingplichtigen die een gezamenlijke huishouding voeren 7.1. Voor wat betreft de vraag of toepassing van artikel 5, leden 1 en 2 (tekst 1981) van de Wet met artikel 26 IVBPR in strijd is omdat die wetsbepalingen gehuwden ongunstiger behandelen dan ongehuwde belastingplichtigen die een gemeenschappelijke huishouding voeren, heeft het volgende te gelden. 7.2. Gelijk hiervoor reeds overwogen, is de wetgever bij het tot stand brengen van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, alsook bij de wijziging ervan met ingang van 1973, uitgegaan van de gedachte dat niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten in fiscaal opzicht een economische eenheid vormen, en samentelling van hun inkomens gerechtvaardigd wordt door de omstandigheid dat de draagkracht van een echtpaar bepaald wordt door het gezamenlijke inkomen. Toen het IVBPR op 11 maart 1979 voor Nederland van kracht werd, stond de wetgever voor de vraag of, gelet op artikel 26 van dit Verdrag, dat uitgangspunt nog wel kon worden gehandhaafd. Te verdedigen viel immers dat zulks een door genoemd verdragsartikel niet geoorloofde ongelijke behandeling zou opleveren van gehuwden ten opzichte van andere personen wier draagkracht, evenals die van gehuwden, in gunstige zin wordt beïnvloed doordat zij met een ander een gezamenlijke huishouding voeren, terwijl naar het oordeel van de wetgever aan dit bezwaar niet kon worden tegemoetgekomen door het stelsel van samentelling tot laatstbedoelde categorie van personen uit te breiden, omdat dit praktisch niet realiseerbaar en in vele gevallen onverantwoord zou zijn, alsmede de belastingdienst bij controle voor grote problemen zou stellen. Bij de beoordeling van dit een en ander dient in aanmerking te worden genomen dat, gelet op de door het Burgerlijk Wetboek aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen - met name de verplichting elkaar het nodige te verschaffen, en, in geval van echtscheiding, de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud - de huwelijksband een hechtere economische eenheid in het leven roept dan de eenheid welke ontstaat indien niet met elkaar gehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren. Op grond hiervan kon de wetgever in redelijkheid oordelen dat gehuwde en ongehuwd samenwonende belastingplichtigen niet als in alle opzichten gelijk vielen te beschouwen, en kon hij derhalve het stelsel van samentelling van de inkomens van gehuwden, zoals dat sedert 1973 gold, handhaven zonder in strijd met artikel 26 IVBPR te komen. Aan het vorenstaande doet niet af dat de wetgever - niet om bepaalde verschillen in fiscale behandeling tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden weg te nemen, doch ter verwezenlijking van het beginsel van de fiscale verzelfstandiging van de gehuwde vrouw - de sedert 1973 voor wat betreft het inkomen uit tegenwoordige arbeid bestaande uitzondering op het beginsel van samentelling met ingang van het jaar 1984 heeft uitgebreid tot een aantal andere inkomensbestanddelen. De wetgever kon voor wat betreft de niet tot het persoonlijke arbeidsinkomen behorende inkomensbestanddelen in redelijkheid het beginsel van samentelling handhaven op grond van de overweging dat, gelet op de hiervoor aangeduide verschillen in juridische positie, gehuwden een hechtere economische eenheid vormen dan niet met elkaar gehuwde personen die een gezamenlijke huishouding voeren, zodat zij niet in alle opzichten met laatstbedoelde categorie op een lijn behoeven te worden gesteld. 7.3. (…) 7.4. In dit opzicht kan het middel dus evenmin tot cassatie leiden. 8. Toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM De vraag of het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 2 (tekst 1981) van de Wet buiten toepassing moet blijven wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol, moet ontkennend worden beantwoord. Laatstgenoemd artikel gaat uit van de gedachte dat de verdragsluitende staten bevoegd zijn belastingen te heffen, mits daarbij de in het Verdrag gegarandeerde rechten worden gerespecteerd. Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat het bepaalde in artikel 5, leden 1 en 2 (tekst 1981) van de Wet in verband met het in de artikelen 14 EVRM en 26 IVBPR neergelegde gelijkheidsbeginsel strijdig is met artikel 1 van meergenoemd Protocol, mist dit betoog zelfstandige betekenis naast belanghebbendes beroep op artikel 26 IVBPR. Ook in zoverre faalt het middel derhalve.” 5.3. Zoals onder 5.2. te lezen is, heeft de Hoge Raad beslist dat artikel 5 van de Wet gehuwden op een geoorloofde en verklaarbare wijze anders behandelt dan ongehuwden. Het arrest houdt in dat de wijze waarop de wetgever de inkomenstoerekening heeft geregeld rechtsgeldig is en dus ook alle gevolgen daarvan in individuele gevallen dienen te worden aanvaard. Al hetgeen door belanghebbende is gesteld kan daarin geen verandering brengen. 5.4. Belanghebbende heeft gesteld dat op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 aan gehuwd samenwonenden -evenals overigens aan ongehuwd samenwonenden- de mogelijkheid wordt geboden om de onderhavige inkomensbestanddelen naar eigen keuze voor de belastingheffing in box 1 over beiden te verdelen. Belanghebbende concludeert hieruit dat de wetgever de ongelijkheid in de behandeling van gehuwden en ongehuwden heeft onderkend en voornemens is om deze door invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 weg te nemen. In het onderhavige geval echter, zo overweegt het Hof, betreft het de jaren 1996 en 1998 en is derhalve de Wet van toepassing, zodat deze stelling van belanghebbende niet tot een gegrond beroep kan leiden. Een nieuwe keuze van de wetgever voor de toekomst diskwalificeert niet een eerder, door de rechter gesanctioneerde, keuze. 5.5. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur. Hetgeen belanghebbende overigens gesteld heeft, doet daaraan niet af. 6. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig om de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 7. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is vastgesteld op 23 februari 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 15 november 2000. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.