Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0432

Datum uitspraak2001-01-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/2241
Statusgepubliceerd


Indicatie

Huisvesting van de belastingplichtige buiten zijn woonplaats. Temijn van twee jaar is verstreken. Geen aftrek. Niet aannemelijk dat belanghebbende zijn inkomsten uit arbeid hoofdzakelijk in de werkruimte heeft verworven


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Achtste Enkelvoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 23 mei 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997. Het beroep is behandeld ter zitting van 7 februari 2001. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. Gronden 1. Belanghebbende is hoogleraar in dienstbetrekking bij a-universiteit (hierna: de universiteit). In verband met deze werkzaamheden bezit hij, naast zijn hoofdverblijf in Z, sinds 1992 een woning in A (hierna: de tweede woning). Belanghebbende verblijft in het onderhavige jaar 40 à 50 uur per week op de universiteit voor het verrichten van werkzaamheden en de rest van de dagen maandag tot en met vrijdag in de tweede woning. Belanghebbende heeft op de universiteit de beschikking over een werkruimte, soortgelijk aan de werkruimte in de tweede woning. In geschil is of de kosten van de tweede woning behoren tot de aftrekbare kosten. 2. Voor zover de kosten van de tweede woning moeten worden aangemerkt als kosten van huisvesting van de belastingplichtige buiten zijn woonplaats, oordeelt het Hof als volgt. De kosten die verband houden met huisvesting van de belastingplichtige buiten zijn woonplaats zijn aftrekbaar gedurende ten hoogste twee jaren (artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; hierna: de Wet). Belanghebbende is sinds 1992 hoogleraar aan de universiteit en beschikt sinds 1992 in verband met zijn dienstbetrekking over de tweede woning. De hiervoor bedoelde termijn van twee jaren is derhalve verstreken, zodat de kosten van de tweede woning niet aftrekbaar zijn. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur. 3. De inspecteur stelt dat de kosten die verband houden met de werkruimte in de tweede woning niet tot de aftrekbare kosten behoren, omdat belanghebbende aldaar het gezamenlijke bedrag van zijn inkomsten uit arbeid niet hoofdzakelijk in de werkruimte in de tweede woning verwerft (artikel 36, eerste lid, onderdeel b, aanhef en onder 1°, van de Wet). Het Hof oordeelt als volgt. De inkomsten uit arbeid van belanghebbende bedragen, blijkens zijn aangifte, in het onderhavige jaar ƒ 209.563. Belanghebbende heeft in een brief van 14 maart 2000 aan de inspecteur verklaard dat zijn werkweek als hoogleraar 80 uur bedraagt en dat hij daarvan tien uren op de universiteit verblijft. Ter zitting is belanghebbende daarvan in zoverre teruggekomen dat hij heeft verklaard 40 à 50 uur per week op de universiteit werkzaam te zijn. Gelet hierop acht het Hof niet aannemelijk dat belanghebbende zijn inkomsten van de universiteit (ƒ 181.722) voor meer dan de helft in de hier bedoelde werkruimte heeft verworven. Daaruit volgt dat belanghebbende zijn inkomsten uit arbeid niet hoofdzakelijk in deze werkruimte heeft verworven. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur. Proceskosten Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 21 februari 2001 door mr. Schaap, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door de het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.