
Jurisprudentie
AB0431
Datum uitspraak2001-01-21
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/2127
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/2127
Statusgepubliceerd
Indicatie
Nedeco-regeling. Voorwaarde: uitzending gedurende 45 dagen in een jaar, waarbij slechts uitzendperioden van minstens 15 dagen meetellen. Geen opgewekt vertrouwen dat dat hier niet geldt. Geen onredelijke voorwaarde.
Verhuizing in verband met nieuwe dienstbetrekking. Kosten extra huisvesting omdat nieuwe woning later klaar was dan verwacht niet aftrekbaar.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Achtste Enkelvoudige Belastingkamer
PROCES-VERBAAL
van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, hierna de inspecteur, gedagtekend 11 mei 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1996.
Het beroep is behandeld ter zitting van 7 februari 2001. Belanghebbende heeft bij ongedateerde brief, die het Hof op 19 december 2000 ontving, bericht niet bij de behandeling aanwezig te zullen zijn.
Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Belanghebbende stelt dat de Nedeco-regeling (neergelegd in de aanschrijving van 17 januari 1995, IFZ94/1042, BNB 1995/84) (hierna: de regeling) moet worden toegepast, omdat hij in 1996 90 dagen heeft verbleven in landen waarvoor die regeling geldt. Niet in geschil is dat belanghebbende niet voldoet aan de in onderdeel 1.3, onder a, van de regeling opgenomen voorwaarde dat hij in een tijdvak van 12 maanden ten minste 45 dagen was uitgezonden, waarbij slechts uitzendperioden van ten minste 15 dagen in aanmerking worden genomen. Belanghebbende meent dat deze voorwaarde in zijn geval niet moet worden toegepast, omdat hij aan de brief van 2 november 1987 van A het in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen dat de regeling in casu wel zou worden toegepast. Bij brief van 18 december 1987 heeft de destijds bevoegde inspecteur verklaard akkoord te gaan met hetgeen in de hiervoor vermelde brief is vermeld.
2. De passage in de bedoelde brief van 2 november 1987 waarop belanghebbende zich kennelijk beroept, luidt:
“ In ons gesprek is afgesproken dat het A is toegestaan om de uitzenddagen van een medewerker boven 90 uitzenddagen, waarop geen Nedeco-regeling van toepassing is, te behandelen alsof dit wel het geval is. ”
Naar het oordeel van het Hof is deze afspraak redelijkerwijs niet anders te begrijpen dan dat de regeling slechts mag worden toegepast indien en voor zover de belastingplichtige meer dan 90 dagen in een periode van 12 maanden uitgezonden is geweest. Nu belanghebbende - naar niet in geschil is - niet meer dan 90 dagen uitgezonden is geweest, kan hij aan deze brief niet het vertrouwen ontlenen dat de Nedeco-regeling op hem zal worden toegepast. In het midden kan blijven of de in deze brief neergelegde afspraak nog gelding had. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur.
3. Belanghebbende stelt dat het onredelijk is dat de regeling wel wordt toegepast bij drie verblijven van 15 dagen en niet bij 24 verblijven van 14 dagen. Het Hof constateert dat de bedoelde regeling onderscheid maakt tussen ‘uitzending’ enerzijds en ‘dienstreizen van betrekkelijk korte duur’ anderzijds. Bij het vaststellen van de regeling is de Staatssecretaris van financiën (hierna: de staatssecretaris) kennelijk ervan uitgegaan dat het kostenpatroon bij uitzending verschilt van dat bij dienstreizen van betrekkelijk korte duur. Dit uitgangspunt komt het Hof niet bij voorbaat onredelijk voor. Dat daarbij een enigszins arbitraire grens wordt getrokken tussen ‘uitzending’ en ‘dienstreizen van korte duur’ is onvermijdelijk. De getrokken grens van 15 dagen is - naar het oordeel van het Hof - niet onredelijk. Dit in aanmerking nemende heeft de staatssecretaris in redelijkheid kunnen besluiten de regeling slechts toe te passen indien de belastingplichtige in een tijdvak van 12 maanden ten minste 45 dagen was uitgezonden, waarbij slechts uitzendperioden van ten minste 15 dagen in aanmerking worden genomen. Het gelijk is ook in zoverre aan de inspecteur.
4. Belanghebbende stelt dat de regeling in een aantal vergelijkbare gevallen door de Belastingdienst is toegepast. Tegenover de weerspreking door de inspecteur heeft hij deze stelling niet aannemelijk gemaakt.
5. Belanghebbende woonde tot augustus 1996 te D. In verband met de aanvaarding van een dienstbetrekking in B heeft belanghebbende in februari 1996 een perceel grond in C gekocht, waarop hij een woonhuis (hierna: de nieuwe woning) heeft laten bouwen. Belanghebbende heeft zijn woning in D verkocht en heeft deze woning in juli of augustus 1996 verlaten. In verband met vertraging in de oplevering van de nieuwe woning, kon belanghebbende deze toen nog niet betrekken. Hij heeft tot de oplevering van de nieuwe woning in een gehuurde vakantiewoning in E gewoond. Belanghebbende stelt dat de huurkosten van de vakantiewoning zijn gemaakt tot verwerving van zijn inkomsten uit arbeid en dat deze kosten daarom aftrekbaar zijn. Het Hof is van oordeel dat uitgaven voor de huisvesting van een belastingplichtige en zijn gezin niet bijdragen tot een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en in het algemeen moeten worden gerekend tot de sfeer van de inkomstenbesteding en niet tot de sfeer van de inkomstenverwerving. Dat wordt niet anders doordat belanghebbende extra huisvestingskosten heeft moeten maken omdat de woning waarnaar hij in verband met zijn diensbetrekking zou verhuizen, later beschikbaar kwam dan hij aanvankelijk veronderstelde. Ook overigens zijn geen gronden aanwezig om van de hoofdregel af te wijken. Naar het oordeel van het Hof zijn de kosten voor de huur van het vakantiehuis niet aftrekbaar. Het gelijk is ook in zoverre aan de inspecteur.
6. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.
Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De uitspraak is gedaan op 21 februari 2001 door mr. Schaap, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.
Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.
De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.
Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.