
Jurisprudentie
AB0429
Datum uitspraak2001-03-02
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1279
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/1279
Statusgepubliceerd
Indicatie
Belanghebbende maakt m.b.t. aanslag IB 1997 aanspraak op aftrek van een bedrag van ƒ 1370, zijnde het bedrag dat is terug te voeren op extra verhogingen van het arbeidskostenforfait in verband met de stimulering van het arbeidsaanbod.
Hof: in het midden kan blijven of de wetgever met wijziging van art. 37, lid, Wet IB 1964 en nieuw regime per 1 januari 2001 adequaat heeft gereageerd op HR 12 mei 1999, BNB 1999/271. Immers , belanghebbende kan niet met vrucht aanvoeren dat rechter moet voorzien in rechtstekort, aangezien de wetgever niet gehouden was de rechtsongelijkheid op te heffen met terugwerkende kracht tot 1997.
Uitspraak
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
Vierde Meervoudige Belastingkamer
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z, belanghebbende,
tegen
een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur.
1. Loop van het geding
Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 maart 2000.
Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 februari 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1997.
De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van f 100.486.
Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.
Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van f 99.102.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.
Ter zitting van de Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer van 10 november 2000 zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, A. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en met een tweetal bijlagen overgelegd. Deze stukken worden tot de gedingstukken gerekend.
Het lid van de Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer heeft de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer.
Ter zitting van de Vierde Meervoudige Belastingkamer van 16 februari 2001 zijn verschenen belanghebbende en, namens de inspecteur, A en B. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Ook deze pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.
2. Tussen partijen vaststaande feiten
2.1. Belanghebbende was in het onderhavige jaar (1997) werkzaam als EDP-auditor. Hij deed voor het onderhavige jaar aangifte van een belastbaar inkomen van ƒ 99.102.
2.2. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar op zijn inkomsten uit arbeid de werkelijk gemaakte kosten in aftrek gebracht. Het bedrag van de kosten was ƒ 7.868 -/-ƒ 800 (drempel kosten computer) -/- ƒ 320 (ontvangen kostenvergoeding) = ƒ 6.748. Het in aftrek te brengen bedrag heeft hij verhoogd met ƒ 1.370, onder vermelding van “extra aftrek ogv uitspraak hof Leeuwarden 29-1-97”.
2.3. Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur het aangegeven inkomen gecorrigeerd met het onder 2.2. vermelde bedrag van ƒ 1.370 en met ƒ 14 (minder giftenaftrek door de ontstane verhoging van de drempel) en het inkomen waarnaar hij de aanslag oplegde vastgesteld op ƒ 100.468.
2.4. Tegen de opgelegde aanslag heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.
3. Geschil
Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht aanspraak maakt op aftrek van het bedrag van ƒ 1.370, zijnde het bedrag dat is terug te voeren op extra verhogingen van het arbeidskostenforfait van artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verband met de stimulering van het arbeidsaanbod.
4. Standpunten van partijen
Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Ter zitting van 16 februari 2001 is daaraan door belanghebbende toegevoegd dat hij heeft kennisgenomen van de arresten van de Hoge Raad van 24 januari 2001, nrs. 35.603 en 35.604, en dat hij van oordeel is dat de afweging in zijn geval anders moet uitvallen dan in de daarbij berechte gevallen. Hij wijst daartoe op de in de van hem afkomstige stukken aangegeven verschillen tussen de kwesties inzake het arbeidskostenforfait en het autokostenforfait. In zijn arrest van 12 mei 1999, nr. 33.320, BNB 1999/271 (met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting over het jaar 1994), heeft de Hoge Raad duidelijk de mogelijkheid opengehouden dat zijn oordeel over het voorzien in een rechtstekort in een volgende zaak anders kan luiden. Tot en met 1994 ging het nog om geringe bedragen, maar -zo berekent belanghebbende- tot en met 2000 loopt het bedrag dat is gemoeid met het verschil in behandeling op tot ƒ 6.850 bij belastingplichtigen bij wie het verschil wordt geëffectueerd in de derde tariefschijf. Deze omvang van het belang, gevoegd bij de omstandigheid dat de wetgever voor het jaar 2000 wél heeft ingegrepen, maar alleen voor het verschil in behandeling dat in dat jaar aan de reeds bestaande ongelijkheid werd toegevoegd terwijl de wetgever de ruimte had om ook die ongelijkheid op te heffen, maakt dat de uitkomst van de arresten van 24 januari 2001 hier niet maatgevend is.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 mei 1999, nr. 33.320, BNB 1999/271, als zijn oordeel gegeven dat verhogingen van het arbeidskostenforfait per 1 januari 1992 en 1 januari 1994 hebben geleid tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling binnen de groep werkenden, nu bij een klein gedeelte van die groep de door de verhogingen bewerkstelligde tegemoetkoming voor werkenden wegvalt tegen de reeds bestaande mogelijkheid van aftrek van kosten indien deze hoger zijn dan het oude (reële) forfait. Aan het slot van het arrest overweegt de Hoge Raad: “Naar uit het hiervoor overwogene volgt, doet zich hier niet de situatie voor waarin duidelijk is hoe de rechter in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort zou moeten voorzien, maar zijn ter opheffing van de discriminatie verschillende oplossingen denkbaar en is de keuze daaruit mede afhankelijk van algemene overwegingen van overheidsbeleid. Dit brengt mee dat de rechter niet aanstonds zelf in het rechtstekort behoort te voorzien, maar zulks vooralsnog aan de wetgever dient over te laten. Het middel is derhalve gegrond. Gewezen zij echter op de (…) mogelijkheid dat de afweging terzake in de toekomst anders moet uitvallen. De Hoge Raad gaat ervan uit dat de regering met de nodige spoed een wetsontwerp zal indienen dat recht doet aan de op de Nederlandse Staat rustende verdragsverplichtingen op dit punt.”
5.2. Voor het jaar 2000 heeft de wetgever in het hiervóór vermelde arrest van de Hoge Raad aanleiding gevonden tot het treffen van de maatregel van artikel 37, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst voor 2000). Met ingang van 2001 is de ongelijke behandeling binnen de groep van werkenden verdwenen doordat op het belastbaar loon niet langer aftrekbare kosten op de voet van de regelingen in die Wet zoals die luidde vóór 2001 in mindering kunnen worden gebracht.
5.3. Naar het oordeel van het Hof kan in de onderhavige procedure in het midden blijven de vraag of de wetgever met de onder 5.2. vermelde wetswijzigingen adequaat heeft gereageerd op het onder 5.1. vermelde arrest van de Hoge Raad. Immers, belanghebbende kan niet met vrucht aanvoeren dat de rechter op enigerlei wijze zou moeten voorzien in het rechtstekort dat hem treft, aangezien de wetgever in ieder geval niet gehouden was de rechtsongelijkheid binnen de groep van werkenden op te heffen met terugwerkende kracht tot het onderhavige jaar 1997, dat is gelegen vóór het jaar waarin door het arrest van de Hoge Raad het bestaan van de ongelijkheid in rechte kwam vast te staan. Hetgeen belanghebbende in dat verband aanvoert kan niet leiden tot een andere beslissing.
5.4. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan de inspecteur is.
6. Proceskosten
Nu belanghebbende in het ongelijk is gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
7. Beslissing
Het Hof verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak is vastgesteld op 2 maart 2001 door mrs. Schaap, Onnes en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
mede te ondertekenen.
De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Cassatie
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.