
Jurisprudentie
AB0418
Datum uitspraak2001-03-02
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers139/99
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers139/99
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 139/99
2 maart 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen (nader: GS) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem in rekening gebrachte leges.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Bij schriftelijke kennisgeving van 18 december 1997 is aan de belanghebbende een bedrag van f. 956,25 aan leges in rekening gebracht.
Op het tegen die beschikking door belanghebbende ingediende bezwaarschrift hebben GS bij beschikking van 27 januari 1999 uitspraak gedaan, waarbij het bezwaar ongegrond werd verklaard en het bedrag van de leges ambtshalve verminderd werd tot f 948,75.
De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen door middel van een beroepschrift, dat op 10 maart 1999 is ingekomen en welke werd aangevuld bij brief ingekomen op 18 april 2000.
GS hebben een vertoogschrift (met bijlagen) ingezonden.
De zaak is behandeld ter zitting van 2 oktober 2000 gehouden te Leeuwarden.
Verschenen zijn de belanghebbende, zijn gemachtigde en de door hem meegebrachte getuige A, alsmede de door GS gemachtigde ambtenaar.
Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende - zonder bezwaar van de zijde van de gemachtigde van GS - de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd. De gemachtigde van GS heeft geen bezwaar tegen overlegging van de tot de pleitnota behorende bijlage.
Het gerechtshof heeft op 16 oktober 2000 mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal per aangetekende post, ter post bezorgd op 30 oktober 2000 aan partijen is verzonden.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
Bij brief, ingekomen op 27 november 2000, heeft belanghebbende verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke overeenkom-stig artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen.
De belanghebbende heeft het verschuldigde griffierecht tijdig voldaan.
2. De feiten.
Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:
2.1 Belanghebbende is gebruiker van een perceel landbouwgrond waarop een dijklichaam van een niet meer als waterkering in gebruik zijnde dijk is gelegen.
2.2 Belanghebbende wenst het dijklichaam te verwijderen, waarbij de vrijkomende materialen worden uitgeslecht op het perceel, dan wel het dijklichaam zover af te vlakken dat het perceel beter te bewerken valt.
2.3 Bij brief van 30 december 1996 heeft belanghebbendes gemachtigde aan GS primair verzocht te verklaren dat geen ontgrondingsvergunning is vereist voor de vorenvermelde werkzaamheden. Subsidiair verzocht de gemachtigde een ontgrondingsvergunning te verlenen.
2.4 De provincie Groningen heeft haar beleid met betrekking tot bescherming van karakteristieke natuur- en landschapswaarden vastgelegd in het Streekplan Groningen 1994. Het beleid met betrekking tot het dijkenlandschap is neergelegd in de nota "Oude Groninger dijken" deel I en deel II. Het onderhavige dijklichaam maakt deel uit van de in deel II van die nota behandelde slaperdijken.
2.5 Bij brief van 22 januari 1997 hebben GS onder meer meegedeeld dat afgraving van dijken, overeenkomstig de toelichting bij artikel 1, lid 1, sub j, van de Ontgrondingenverordening Groningen 1989, niet kan worden begrepen onder het begrip "egaliseren van land- en tuinbouwgronden", zodat een vergunning is vereist en dat zulks "aan de normale/standaard procedure blijft onderworpen".
2.6 De (subsidiaire) aanvraag van een ontgrondingsvergunning is vervolgens door belanghebbende aangevuld.
2.7 Bij besluit van 16 december 1997 (verzonden 18 december 1997) hebben GS de gevraagde ontgrondingsvergunning geweigerd.
Bij schriftelijke kennisgeving van 18 december 1997 is aan belanghebbende een bedrag van f. 1.092,50 aan leges in rekening gebracht.
2.8 Bij uitspraak van 27 januari 1999 op het bezwaar van belanghebbende hebben GS het bezwaar ongegrond verklaard en het bedrag van de leges ambtshalve verminderd tot f.1.083,75, zijnde het legesbedrag ingevolge de tarieven voor het jaar 1996.
2.9 Op 10 maart 1999 is belanghebbende in beroep gekomen bij het hof.
2.10 Ter zitting heeft belanghebbende afgezien van het doen horen van de meegebrachte getuige.
3. Het geschil.
Te dezen zijn in geschil de volgende vragen:
a. bestaat een wettelijke basis voor de heffing van leges ?
b. kan weigering van een ontgrondingsvergunning een rechtsgeldige aanleiding zijn voor legesheffing ?
c. is door het willekeurig toepassen van het vergunningsvereiste de legesheffing willekeurig ?
d. is de legesverordening in strijd met het verbod op toepassing van het draagkrachtbeginsel, met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1, lid 1, van de Grondwet, met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (nader: IVBP) ?
e. hebben GS ten onrechte geen beoordeling op grond van de hardheidsclausule toegepast ?
f. overschrijdt de progressie in de tariefstelling de grenzen van het rechtmatige ?
4. De standpunten van partijen.
Verwezen wordt naar de gedingstukken. Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd. Door partijen werden ter voormelde zitting aan hun standpunten geen nadere gronden aangevoerd.
5. De overwegingen omtrent het geschil.
5.1 Op grond van artikel 223 van de Provinciewet heeft de provincie Groningen de Legesverordening provincie Groningen 1993 (nader: de Verordening) met tarieventabel vastgesteld.
5.2 De Verordening heeft koninklijke goedkeuring verkregen op 6 november 1992 en is gepubliceerd in het provinciaal blad van Groningen 1992 nummer 49. De tarieventabel 1996 is gepubliceerd in het provinciaal blad van Groningen 1995 nummer 42 en de tarieventabel 1997 in het provinciaal blad van Groningen 1996 nummer 49.
5.3 Door belanghebbende is niet bestreden dat de leges aanvankelijk zijn geheven overeenkomstig de tarieventabel 1997 en ambtshalve zijn verlaagd tot een bedrag overeenkomstig de tarieventabel 1996.
5.4 Belanghebbende voert aan dat de Ontgrondingenwet in de tekst voor het jaar 1996 geen mogelijkheid kent voor legesheffing, terwijl die wet in de tekst voor het jaar 1997 (artikel 6) wel in legesheffing voorziet.
Belanghebbende ziet daarbij voorbij aan de omstandigheid dat het in het voor het jaar 1997 geldende artikel 6 gaat om legesheffing door de rijksoverheid, hetwelk in het onderhavige geval niet aan de orde is.
Nu de Ontgrondingenwet geen regels stelt met betrekking tot legesheffing door provincies terzake van door die provincies te verstrekken ontgrondingsvergunningen, en die heffing overigens is gebaseerd op een goedgekeurde en op de Provinciewet berustende legesverordening, ontbreekt een wettelijke basis voor de onderhavige legesheffing niet.
5.5 Belanghebbende stelt voorts dat de weigering van een ontgrondingsvergunning geen rechtsgeldige aanleiding voor legesheffing kan zijn. Bij deze stelling, wat daar ook van zij, ziet belanghebbende voorbij aan de omstandigheid dat als belastbaar feit in de Verordening is gedefinieerd het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning ingevolge de Ontgrondingenverordening Groningen 1989 krachtens artikel 2 en artikel 11. De provincie Groningen heeft in het onderhavige geval leges geheven terzake van het in behandeling nemen van belanghebbendes (subsidiaire) aanvraag voor een vergunning.
5.6 Belanghebbende wijst erop dat in de Ontgrondingenverordening Groningen een aantal categorieën van ontgrondingen zijn vrijgesteld van het vergunningvereiste en noemt daarbij de aanleg van een roeibaan te Harkstede. Naar belanghebbendes opvatting is daarmee door het willekeurig toepassen van het vergunningvereiste in de Ontgrondingsverordening de heffing van leges terzake van het in behandeling nemen van een aanvraag voor een ontgrondingsvergunning tevens willekeurig geworden. Het staat het bestuur van de provincie Groningen vrij om op bestuurlijke gronden in de Ontgrondingenverordening vrijstellingen voor het vergunningvereiste op te nemen. Als gevolg van een dergelijke vrijstelling zullen geen leges geheven kunnen worden daar zich alsdan geen belastbaar feit voordoet. Op geen enkele wijze is te dezen aannemelijk geworden dat het provinciebestuur bij het opnemen van de vrijstelling zodanig willekeurig heeft gehandeld dat zulks -als afgeleide- voor wat betreft de legesheffing leidt tot een willekeurige belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.
5.7 Belanghebbende acht de afwijkende tariefstelling voor het in behandeling nemen van aanvragen voor een ontgrondingsvergunning ten behoeve van de grof-keramische industrie in strijd met het verbod op toepassing van het draagkrachtbeginsel, met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1, lid 1, van de Grondwet en met artikel 26 van het IVBP.
Naar 's hofs oordeel is ontgronding ten behoeve van kleiwinning voor de grof-keramische industrie niet vergelijkbaar met de incidentele ontgronding zoals het gevolg is van het afgraven van het dijklichaam. De strijd met door belanghebbende genoemde beginselen, de Grondwet en het IVBP doet zich te dezen derhalve niet voor.
5.8 Belanghebbende stelt vervolgens dat GS ten onrechte geen beoordeling van de legesheffing op grond van de hardheidsclausule hebben toegepast.
Vooropgesteld dient te worden dat toepassing van de hardheidsclausule, vervat in artikel 10 van de Verordening, een discretionaire bevoegdheid van GS is, die niet aan beoordeling van het hof is onderworpen.
Nu belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat GS met toepassing van artikel 10 van de Verordening een begunstigend beleid voeren waarvan ten aanzien van belanghebbende in zijn nadeel is afgeweken, danwel in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen afwijkend heeft gehandeld, kan belanghebbendes klacht niet leiden tot vermindering van het geheven legesbedrag.
5.9 Ter zitting is namens GS onweersproken gesteld dat aanvragen voor vergunningen voor ontgrondingen waarbij een grotere hoeveelheid specie vrijkomt doorgaans ingewikkelder van aard zijn en meer werkzaamheden en kosten aan de zijde van de provincie opleveren.
De door belanghebbende aangevochten differentiatie in de tariefstelling voor ontgrondingen aan de hand van de hoeveelheid vrijkomende specie, alsmede de daaraan gekoppelde in de tarieventabel opgenomen publicatiekosten, laten deswege naar 's hofs oordeel niet een zodanige progressie van het tarief zien dat daardoor de grenzen van het rechtmatige zijn overschreden.
5.10 Gelet op het voorgaande is belanghebbendes beroep in zoverre ongegrond. Nu GS echter na belanghebbendes bezwaar ongegrond te hebben verklaard het bedrag van de geheven leges ambtshalve hebben verlaagd tot het tarief zoals dat gold voor het jaar 1996, welk tarief toepassing dient te vinden nu de aanvraag nog in 1996 is ingediend, dient de uitspraak alsnog te worden vernietigd en het bedrag van de te heffen leges te worden bepaald zoals dat reeds ambtshalve is vastgesteld.
6. De conclusie.
De in geding zijnde uitspraak kan niet in stand blijven.
7. De proceskosten
Daar het beroep slechts leidt tot een formele vernietiging van de uitspraak en inhoudelijk ongegrond is acht het hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Wel dienen GS het betaalde griffierecht ad f.85,-- aan belanghebbende te vergoeden.
8. De beslissing.
Het gerechtshof:
vernietigt de uitspraak waarvan beroep en vermindert het bedrag van de geheven leges tot f.1.083,75;
bepaalt dat het betaalde griffierecht ad f.85,-- aan belanghebbende wordt vergoed door GS.
Gedaan op 2 maart 2001 door mr. H.S. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mrs. F.J.W. Drion en H.H.A. Fransen, raadsheren, in tegenwoordigheid van de griffier dhr. J.M. Gerrits, ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Op 7 maart 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.