Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0416

Datum uitspraak2001-02-01
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers99/3476
Statusgepubliceerd


Uitspraak

EvH Gerechtshof Arnhem zesde enkelvoudige belastingkamer nr. 99/3476 Proces-verbaal mondelinge uitspraak belanghebbende : X te : Z ambtenaar : de directeur van de Concerndienst Middelen van de gemeente Almere (hierna: de ambtenaar) aangevallen beslissing : uitspraak van 28 september 1999 op bezwaar soort belasting : gecombineerde gemeentelijke heffingen jaar : 1995 (periode 1 juli 1995-31 december 1995) mondelinge behandeling : op 18 januari 2001 te Arnhem door mr. Lamens, raadsheer, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier waarbij verschenen : de ambtenaar waarbij niet verschenen : belanghebbende, zonder voorafgaande kennisgeving aan het Hof, hoewel overeenkomstig de wet opgeroepen bij aangetekende brief van 18 december 2001, welke brief blijkens de PTT Post-retourkaart op 4 januari 2001 is uitgereikt Gronden: Ontvankelijkheid beroep 1. De onderhavige uitspraak op het bezwaarschrift is met dagtekening 28 september 1999 aan belanghebbende verzonden. De in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: AWB) neergelegde termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift eindigde derhalve op 9 november 1999. Op 14 oktober heeft belanghebbende bij de ambtenaar een bezwaarschrift ingediend tegen bovenstaande uitspraak op bezwaar. De ambtenaar heeft dit bezwaarschrift als een beroepschrift aangemerkt en dit, blijkens de dagtekening van zijn begeleidend schrijven, eerst op 19 november 1999 doorgezonden aan dit Gerechtshof. Het beroepschrift is blijkens een daarop ter griffie van het Gerechtshof geplaatste stempelafdruk bij het Hof ingekomen op 24 november 1999. Mitsdien is het beroepschrift niet ontvangen vóór het einde van de wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift. 2. Nu belanghebbende een beroepschrift heeft ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan en zich niet één van de in artikel 6:15, lid 3 van de AWB genoemde gevallen voordoet waarin het tijdstip van indiening bij het onbevoegde bestuursorgaan bepalend is voor de vraag of het beroepschrift tijdig is ingediend, voorziet de AWB niet in de gevolgen van een verzuim van het onbevoegde orgaan het geschrift zo spoedig mogelijk door te zenden. Volgens Hoge Raad 8 december 1999, nr. 33 594, BNB 2000/38* mag een dergelijk verzuim echter niet voor rekening van de indiener van het geschrift komen. Indien het geschrift binnen twee weken wordt doorgezonden, kan nog juist worden gesproken van een zo spoedig mogelijke doorzending. In overeenstemming hiermee moet bij doorzending op een later tijdstip het geschrift geacht worden te zijn ingediend bij het bevoegde orgaan twee weken na binnenkomst bij het onbevoegde orgaan. Het beroepschrift moet derhalve worden geacht te zijn ingediend bij dit Gerechtshof op 28 oktober 1999, en is derhalve met inachtneming van het hiervoor overwogene tijdig ingediend. Ontvankelijkheid bezwaar 3. De onderhavige beschikking is gedagtekend 29 september 1995. De bezwaartermijn van zes weken eindigde derhalve op 11 november 1995. Het bezwaarschrift is op 14 september 1999 ingediend bij de gemeente Almere. Mitsdien is het bezwaarschrift niet ontvangen vóór het einde van de wettelijke termijn van zes weken. 4. Een bezwaarschrift is ook nog tijdig ingediend, indien dat geschrift vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn door de gemeente Almere is ontvangen. Nu het bezwaarschrift eerst op 14 september 1999 en derhalve later dan een week na afloop van de termijn die eindigde op 11 november 1995, door de gemeente Almere is ontvangen, kan deze regel belanghebbende niet baten. Overigens is belanghebbendes bezwaarschrift eerst gedagtekend op 10 september 1999. 5. Belanghebbende is dan ook door de ambtenaar wegens het overschrijden van de in artikel 6:7 van de AWB neergelegde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. 6. In zijn beroepschrift voert belanghebbende het volgende -zakelijk weergegeven - aan waaraan het te wijten is dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend: de onderhavige aanslag is hem eerst in de zomer van 1999 onder ogen gekomen; belanghebbende was niet de hoofdbewoner van het pand op de a-weg, maar hij was slechts inwonend, hetgeen inhoudt dat hij niet verantwoordelijk was voor zaken als belastingen. 1. Deze omstandigheden kunnen niet tot de conclusie leiden dat sprake is van een situatie waarin redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met het indienen van het bezwaarschrift niet in verzuim is geweest. Hij had zo spoedig mogelijk na het moment waarop hem op het adres te Q de aanmaning bereikte (rond 25 mei 1998) actie moeten ondernemen. Derhalve is er ook geen reden om niet-ontvankelijkheidverklaring op grond van artikel 6:11 van de AWB achterwege te laten. 2. Mitsdien is belanghebbende terecht in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Proceskosten Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de AWB. Beslissing: Het Gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak. Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2001 door mr. Lamens, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mw. mr. Van Hoorn als griffier. Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal. De griffier, Het lid van de voormelde kamer, (E.M. van Hoorn) (J. Lamens) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 februari 2001 Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.