
Jurisprudentie
AB0406
Datum uitspraak1998-04-09
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
ZaaknummersH01.97.0219
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
ZaaknummersH01.97.0219
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beroep tegen fictief besluit op bezwaar is niet mede gericht tegen reëel besluit op bezwaar, indien tegen laatste zelf ook reeds beroep is ingesteld.
Ter beschikking stellen van huurwoonwagen is publiekrechtelijke rechtshandeling.
Ter beschikking stellen van huurwoonwagen is publiekrechtelijke rechtshandeling.
Uitspraak
RAAD VAN STATE
No. H01.97.0219.
Datum uitspraak: 9 april 1998.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante] te [woonplaats]
(appellante)
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 29 januari 1997 in het geschil tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Arnhem.
Procesverloop
Bij brief van 9 januari 1995 hebben burgemeester en wethouders van Arnhem geweigerd ten behoeve van appellante een huurwoonwagen ter beschikking te stellen met een breedte van vier en een half dan wel vier meter.
Tegen deze brief heeft appellante bij schrijven ingekomen bij de gemeente op 17 januari 1995 bezwaar gemaakt.
Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift heeft appellante bij brief van 7 juli 1995 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij besluit van 28 juli 1995 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Het advies waarop dit besluit steunt is aangehecht.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 9 augustus 1995 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Bij uitspraak van 29 januari 1997, verzonden op die dag, heeft de rechtbank het beroep voorzover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 28 juli 1995 ongegrond verklaard. Deze uitspraak, die is gepubliceerd in JB 1997/94, is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, ingekomen op 13 februari 1997, hoger beroep ingesteld.
De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 maart 1997. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 1 augustus 1997 hebben burgemeester en wethouders een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 1998, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr M.F.J.N. van O., advocaat te Nijmegen, en mevrouw mr M.J.A. van den H., ambtenaar der gemeente, hun standpunt hebben toegelicht.
Overwegingen
Ten aanzien van het hoger beroep gericht tegen de beslissing van de rechtbank het beroep voorzover gericht tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren en burgemeester en wethouders niet te veroordelen in de proceskosten in beroep.
Ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb, wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.
Ingevolge artikel 6:20, zesde lid, van de Awb, kan het bezwaar of beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
Burgemeester en wethouders hebben bij besluit van 28 juli 1995 alsnog op het bezwaarschrift van appellante beslist. Onder verwijzing naar voornoemde artikelonderdelen heeft de rechtbank het beroep mede aangemerkt als gericht tegen het besluit van 28 juli 1995. Appellante behoefde niet ten tweede male griffierecht te betalen. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank van in dit kader gemaakte extra proceskosten in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake, omdat deze kosten zijn aan te merken als gemaakt ten behoeve van het beroep gericht tegen het uitdrukkelijke besluit.
De rechtbank heeft daaraan de conclusie verbonden dat het beroep voorzover gericht tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat er geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling van burgemeester en wethouders in de proceskosten in beroep.
De Afdeling acht de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring juist, doch heeft bezwaren tegen de daartoe gebezigde gronden.
Anders dan de rechtbank in het procesverloop tot uitdrukking heeft gebracht, heeft appellante twee beroepschriften ingediend: één tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op bezwaar en één tegen het uitdrukkelijke besluit van 28 juli 1995.
Hieruit volgt dat sprake is geweest van twee parallelle procedures die de rechtbank gevoegd heeft behandeld.
Omdat burgemeester en wethouders hangende de beroepsprocedure alsnog op het bezwaar hadden beslist, had appellante geen processueel belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een tijdige beslissing op haar bezwaar.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling - bijvoorbeeld de uitspraak van 23 januari 1997, H01.96.0476, RAwb 1997, nr. 88 - vormt de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan. Hieruit volgt reeds dat het beroep wat dit onderdeel betreft niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.
Het hoger beroep is wat dit onderdeel betreft ongegrond. De aangevallen uitspraak moet in zoverre, met verbetering van gronden, worden bevestigd.
Vervolgens moest evenwel worden bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond was gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een zodanige grond kan gelegen zijn in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroep is tegemoetgekomen. De Afdeling heeft eerder - bijvoorbeeld in haar uitspraak van 8 december 1997, no. E03.96.1201, NJB 1998, p. 365, nr. 13 - het alsnog nemen van een uitdrukkelijk besluit hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.
Het vorenstaande brengt met zich dat ook in het onderhavige geval sprake is van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, zodat de beslissing van de rechtbank dat er geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling van burgemeester en wethouders in de proceskosten in beroep onjuist is.
Het hoger beroep is wat dit onderdeel betreft gegrond. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd.
De Afdeling acht in het licht van het vorenstaande termen aanwezig alsnog toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
Ten aanzien van het hoger beroep gericht tegen de beslissing van de rechtbank het beroep voorzover gericht tegen het besluit van 28 juli 1995 ongegrond te verklaren.
In dit kader gaat het uitsluitend om het begrip besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dit artikel luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
"1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.".
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak dient de weigering van burgemeester en wethouders een huurwoonwagen ter beschikking te stellen te worden aangemerkt als een beschikking in de zin van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen. Aan het oordeel dat geen sprake is van een rechtshandeling naar burgerlijk recht heeft bijgedragen dat de beslissing tot het ter beschikking stellen van een huurwoonwagen tevens een subsidie-element bevat. In zoverre is het verhuren van een woonwagen niet wezenlijk anders dan het verstrekken van een geldlening door burgemeester en wethouders aan de bewoner van een woonwagen. Dit subsidie-motief heeft de Afdeling rechtspraak, ook in het geval geen gemeentelijke subsidieregeling voorhanden was, als voldoende grondslag aangemerkt voor het aanvaarden van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uitgangspunt daarbij is dat de terbeschikkingstelling van een huurwoonwagen de verwerkelijking van een overheidstaak betreft en niet een economische transactie.
Dit is bij de stand van wetgeving ten tijde van het besluit van 28 juli 1995 niet anders. Weliswaar is juist dat per 1 oktober 1992, respectievelijk 1 januari 1993 de Wet geldelijke steun woonwagens en de Regeling geldelijke steun huurwoonwagens zijn ingetrokken, maar ook nadien is nog sprake van de uitoefening van een overheidstaak in de vorm van steunverlening aan woonwagenbewoners.
De beslissing omtrent het ter beschikking stellen van een huurwoonwagen draagt in verband daarmee het karakter van een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
De inwerkingtreding van de door burgemeester en wethouders in dit verband genoemde Besluiten Woninggebonden Subsidies 1993 en 1995 en het Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH) per 1 oktober 1992, 1 januari 1995, respectievelijk 1 januari 1993 brengt daarin vooralsnog geen verandering. Een en ander laat immers onverlet dat het bouwen - en daaruit voortvloeiend het voor de verhuur ter beschikking stellen - van woonwagens een noodzakelijk element bleef van de gemeentelijke uitvoering van het Rijksbeleid inzake de deconcentratie van de woonwagencentra en de realisatie van kleine woonwagencentra.
Het voorgaande leidt - zonder dat de Afdeling aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak toekomt - tot de conclusie dat het hoger beroep wat dit onderdeel betreft wegens schending van artikel 1:3 van de Awb gegrond is en dat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het besluit van 28 juli 1995 vernietigen.
Er zijn termen aanwezig om burgemeester en wethouders te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft beslist dat er geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling van burgemeester en wethouders in de proceskosten in beroep;
II. vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep tegen het besluit van 28 juli 1995 ongegrond is verklaard;
III. Iverklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 1995 alsnog gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 28 juli 1995;
V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
VI. veroordeelt burgemeester en wethouders in de door appellante in verband met het beroep en hoger beroep gemaakte kosten tot bedrag van in totaal ƒ 3606,--. Van dit bedrag is ƒ 3550,-- toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het bedrag dient aan appellante te worden vergoed door de gemeente Arnhem;
VII. gelast dat door de gemeente Arnhem aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep gestorte recht (ƒ 500,--) wordt vergoed.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 1998.
2
mrs. W.M.G. Eekhof-de Vries, A.G. van Galen, C. de Gooijer