
Jurisprudentie
AB0390
Datum uitspraak2001-02-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers293/99
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers293/99
Statusgepubliceerd
Uitspraak
BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK
Nr. 293/99 23 februari 2001
Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de Gemeente X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de Belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting voor het tijdvak 1 februari 1998 tot en met 31 maart 1998.
1. Ontstaan en loop van het geding.
Aan belanghebbende werd voor het tijdvak 1 februari 1998 tot en met 31 maart 1998 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) opgelegd tot een bedrag van ƒ 1.221.383,-- waarin begrepen ƒ 1.206.383,-- aan enkelvoudige belasting en ƒ 15.000,-- aan boete.
Op het tijdig ingediende bezwaarschrift van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 maart 1999 de aanslag gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift, hetwelk op 25 mei 1999 ter griffie van het hof is ingekomen en dat is aangevuld bij schrijven (met 9 bijlagen), ingekomen op 29 juli 1999.
Nadat de inspecteur zijn verweerschrift heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 19 december 2000, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren namens de gemeente de heer A en de heer mr B, werkzaam bij C belastingadviseurs, alsmede de inspecteur en een medewerker van zijn inspectie.
Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.
2. De feiten.
2.1 Voor de feiten verwijst het hof naar de gedingstukken.
3. Het geschil en de standpunten van partijen.
3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of terecht een vergrijpboete is opgelegd, ofwel is er sprake van grove schuld. Primair dient echter beoordeeld te worden of belanghebbende in haar beroep kan worden ontvangen.
3.2 Voor de motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.
3.3 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.
4. De overwegingen omtrent het geschil.
Formeel
4.1 Op grond van de artikelen 6:7, 6:8, eerste lid, en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan hij die bezwaar heeft tegen de uitspraak van de inspecteur binnen zes weken na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep komen.
4.2 De uitspraak op het bezwaar van belanghebbende is gedateerd 8 maart 1999. Het beroepschrift is op 25 mei 1999 ter griffie van het gerechtshof binnengekomen. Derhalve niet binnen zes weken.
4.3 Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.4 Ter zitting is hieromtrent zijdens de gemeente gesteld dat de uitspraak van de inspecteur door haar is aangemerkt als motivering en dat zij ervan uitging dat de eigenlijke uitspraak nog zou volgen.
4.5 De inspecteur stelt dat voldoende duidelijk op de uitspraak staat aangegeven dat het betreft de uitspraak op het bezwaar en dat het duidelijk moet zijn geweest dat het niet slechts de motivering betrof.
Hij betreurt het dat nadien een tweede maal uitspraak is gedaan maar van verwarring kan zijns inziens om die reden geen sprake zijn geweest.
4.6 Vaststaat dat de uitspraak op het bezwaar is gevolgd door een tweede uitspraak op het bezwaar. De tweede uitspraak is gedateerd 23 april 1999. De beroepstermijn van de eerste en eigenlijke uitspraak liep af op 19 april 1999. Het hof acht denkbaar dat de voorgaande gang van zaken, het tweemaal doen van uitspraak verwarring schept bij belanghebbende omtrent de beroepstermijn, doch in casu kan daar, gelet op de datering van de tweede uitspraak, geen sprake van zijn geweest.
Voor wat betreft de kwalificatie van de uitspraak d.d. 8 maart 1999 overweegt het hof dat hierop is aangegeven dat het gaat om een "Uitspraak op het bezwaarschrift". Bovendien is bij de uitspraak een toelichting gevoegd inhoudende de wijze waarop tegen de uitspraak beroep
kan worden ingesteld. Hieruit leidt het hof af dat het voor de gemeente voldoende duidelijk moet zijn geweest, te meer daar zij zich in de procedure heeft laten bijstaan door een deskundige, dat het stuk d.d. 8 maart 1999 de uitspraak op het bezwaar betrof.
Van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 Awb is naar 's hofs oordeel geen sprake.
4.7 Hoewel het hof, gelet op het vorenstaande, aan een inhoudelijk beoordeling van het geschil niet toekomt zal het hieraan toch een overweging ten overvloede wijden nu de inspecteur ter zitting heeft toegezegd een dergelijke overweging te zullen volgen.
Het hof maakt uit de overgelegde stukken op dat sprake is geweest van een complex geheel van enerzijds door de gemeente gesloten overeenkomsten en anderzijds daarmee niet overeenstemmende bedoelingen. Alles overziend is het hof van oordeel dat belanghebbende niet het verwijt van grove schuld kan worden gemaakt.
4.8 Het hiervoor onder rechtsoverweging 4.6 overwogenene brengt mee dat het hof belanghebbende in het door haar ingestelde beroep niet kan ontvangen.
5. De conclusie.
Het hof zal belanghebbende in haar beroep niet-ontvankelijk verklaren.
6. De proceskosten.
Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
7. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep.
Gedaan op 23 februari 2001 door mr Aardema, vice-president en voorzitter, mr Huiskes, raadsheer, en mr Wolt, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en voornoemde griffier.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2001 te Leeuwarden door mr. Drion, raadsheer.
Op 28 februari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.
De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.