Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0388

Datum uitspraak2001-02-23
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers99/30059
Statusgepubliceerd


Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK Nr. 99/30059 23 februari 2001 Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1993 en 1994. 1. Ontstaan en loop van het geding. Belanghebbende werd voor het jaar 1993 en 1994 aangeslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor de onderhavige jaren gold (hierna: de Wet) van respectievelijk f 120.313,-- en f 116.144,--. Op de tijdig ingediende bezwaren van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken van 28 juli 1999 de bezwaren meerendeels afgewezen en het belastbare inkomen van belanghebbende over bedoelde jaren nader vastgesteld op respectievelijk f 115.313,-- en f 115.948,--. Belanghebbende is tegen deze uitspraken bij beroepschriften van 3 oktober 1999, ingekomen op 6 oktober 1999 en aangevuld met de gronden bij brief (met bijlagen) van 30 november 1999 in beroep gekomen. Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden is de mondelinge behandeling gehouden te Groningen ter zitting van 10 november 2000, alwaar zijn verschenen de belanghebbende en de inspecteur vergezeld van A. Ter zitting heeft de belanghebbende een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd. Op 24 november 2000 heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces_verbaal zijn op 28 november 2000 aangetekend aan partijen verzonden. Bij brief van 18 december 200O heeft belanghebbende verzocht om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Op 18 januari 2001 is het verschuldigde griffierecht voldaan. 2. De feiten. Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast: 2.1 Belanghebbende, van Duitse afkomst, heeft zich op 1 januari 1987 in Nederland gevestigd. Zij is van beroep anesthesioloog, welk beroep zij in de onderhavige jaren deels in loondienst en deels in maatschapsverband uitoefende. De maatschap bestaat uit enkele tientallen maten. 2.2 Voor belanghebbende was haar fiscale positie niet duidelijk. Zij heeft daaromtrent enige malen informatie ingewonnen bij de belastingtelefoon en in het kader van de aanslagregeling telefonisch contact gehad met de aanslagregelend ambtenaar. 2.3 Belanghebbende heeft bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting met betrekking tot het gedeelte van haar inkomen dat zij als lid van de maatschap heeft verworven geen jaarrekening, bestaande uit een balans en verlies- en winstrekening met toelichting, ingediend, doch een opstelling gegeven van haar inkomsten en de daarop betrekking hebbende kosten. Voorts heeft zij bij wijze van berekening van haar ondernemingsvermogen opgave gedaan van de aan het einde van het jaar openstaande declaraties en het saldo van een bank-/girorekening. Deze bank-/girorekening bezigde zij zowel in haar beroep als in privé. Bij het doen van aangifte heeft belanghebbende de vragen op het aangiftebiljet met betrekking tot de fiscale oudedagsreserve niet ingevuld. 2.4 Op 19 september 1996 is tussen de belastingdienst enerzijds en de heer B van C accountants- en belastingadvieskantoor anderzijds namens de maatschappen D een overeenkomst gesloten met betrekking tot de op dat moment nog openstaande bezwaarschriften en aangiften voor de inkomstenbelasting tot en met 1995. De vastlegging van de overeenkomst behoort tot de stukken van het geding. 2.5 In de maatschap, waartoe belanghebbende behoort, is de totstandkoming van de overeenkomst besproken. Belanghebbende heeft zich ten overstaan van de inspecteur niet verzet tegen de overeenkomst. Ter zitting heeft belanghebbende zich geconformeerd aan de overeenkomst. 2.6 Op 1 juli 1993 heeft belanghebbende ter gedeeltelijke financiering van haar woning een bedrag van f.75.000,-- geleend van haar moeder. Deze lening is niet verzekerd door hypotheek op de woning. Naast deze lening heeft belanghebbende voor de financiering van de woning ook een wel door hypotheek verzekerde lening van een bank afgesloten. 3. Het geschil en de standpunten van partijen. Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in aanmerking komt voor dotering aan fiscale oudedagsreserve, aanspraak maakt op aftrek van reiskosten ten behoeve van patiëntenzorg, vermogensaftrek, arbeidskostenforfait en rentevrijstelling. Deze vraag dient volgens belanghebbende bevestigend en volgens de inspecteur ontkennend te worden beantwoord. 4. De overwegingen omtrent het geschil. 4.1 Belanghebbende heeft bij één beroepschrift beroep ingesteld tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift tegen de aanslag betreffende het jaar 1993, alsmede tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaarschrift tegen de aanslag betreffende het jaar 1994. Op grond van het bepaalde in artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is belanghebbende, nu van formele gebreken van het beroepschrift niet is gebleken, ontvankelijk in haar beroep. 4.2 Belanghebbende heeft zich ter zitting geconformeerd aan de tussen de belastingdienst en mr. B namens de maatschap op 19 september 1996 tot stand gekomen overeenkomst. Zij heeft zich, naar vaststaat, tegen het sluiten van deze overeenkomst niet verzet, noch te kennen gegeven zich daarmee niet te kunnen verenigen. Derhalve acht het hof belanghebbende gebonden aan de inhoud van de overeenkomst. 4.3 Voor zover te dezen van belang houdt de overeenkomst onder meer in: "2. Kostenverdeling. Alle kosten met betrekking tot het medisch specialisme worden toegerekend aan de onderneming. Daar staat tegenover dat geen aanspraak kan worden gemaakt op de forfaitaire kostenaftrek bij de inkomsten uit dienstbetrekking. 3. Bij de inkomsten uit dienstbetrekking is het reiskostenforfait van toepassing. Bij de kosten van onderneming kunnen geen reiskosten woning-werk worden geclaimd." Uit de bewoording van vorenstaande bepalingen leidt het hof af dat in de overeenkomst onderscheid is gemaakt tussen de kosten van woon-werkverkeer en de overige aftrekbare kosten, zoals ook de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die gold voor de onderhavige jaren (nader: de Wet), doet in de artikelen 35 en 36. 4.4 Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur vorenstaand onderscheid eveneens gemaakt. Hij heeft derhalve -met toepassing van de door belanghebbende verstrekte gegevens- de kosten van woon-werkverkeer in aanmerking genomen bij de inkomsten uit dienstbetrekking met toepassing van het reiskostenforfait. Tevens is daarbij toepassing gegeven aan de regeling zoals gegeven in de resolutie van 28 september 1992, nr. DB92/4492, zij het dat de inspecteur daarbij de door belanghebbende voor het jaar 1993 onjuist berekende drempel heeft gecorrigeerd. In het licht van de overeenkomst heeft de inspecteur daarmee juist gehandeld. 4.5 Belanghebbende verdedigt de stelling dat de reiskosten die uitgaan boven de kosten van het eenmaal per dag heen en weer reizen op grond van de overeenkomst tot de ondernemingskosten moeten worden gerekend, doch die uitleg van de overeenkomst is niet juist. 4.6 De inspecteur heeft bij de aanslagregeling de overige aftrekbare kosten in aanmerking genomen bij de berekening van de winst uit onderneming. Belanghebbende pleit voor toepassing daarenboven van het arbeidskostenforfait ten aanzien van de inkomsten uit dienstbetrekking. In het licht van de overeenkomst dient dit standpunt van belanghebbende te worden afgewezen. 4.7 Belanghebbende beroept zich op toepassing van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het in aanmerking nemen van kosten van woon-werkverkeer en toepassing van het arbeidskos tenforfait. Zij stelt daarbij dat bij één dan wel enkele collega's de aanslagen zijn geregeld overeenkomstig het door haar ingenomen standpunt. De inspecteur ontkent zulks bij gebrek aan wetenschap en heeft gesteld dat steeds is gestreefd naar toepassing van de overeenkomst. Nu belanghebbende haar standpunt niet verder gespecificeerd heeft onderbouwd faalt haar beroep op dit punt. 4.8 Ter zitting heeft belanghebbende zich ten aanzien van een extra verhoging van het arbeidskostenforfait geconformeerd aan de uitspraak van de Hoge Raad, gepubliceerd in BNB 1999/271, zodat een zodanige verhoging, wat daar overigens van zij, niet alsnog behoeft te worden toegepast. 4.9 Nu belanghebbende bij het doen van aangifte geen vermogensopstelling heeft overgelegd heeft de inspecteur terecht toepassing van de vermogensaftrek geweigerd. Belanghebbende heeft ter zitting een opstelling van haar ondernemingsvermogen gegeven, voor elk van de onderhavige jaren bestaande uit de eindstand van een girorekening en een tweetal vorderingen. De inspecteur betwist de juistheid van deze opstelling. Hij wijst erop dat de girorekening door belanghebbende niet uitsluitend voor ondernemingsdoeleinden wordt gebezigd, doch dat zij die ook gebruikt voor het doen van privébetalingen en daarop ook privéontvangsten incasseert. Belanghebbende erkent de bezwaren van de inspecteur, maar wijst erop dat zij meerdere bankrekeningen bezigt. Op belanghebbende rust, als degene die aftrek vraagt, de bewijslast van de omvang van haar ondernemingsvermogen. Met de door haar gegeven opstelling slaagt zij daarin, naar 's hofs oordeel, niet. De aftrek kan derhalve niet worden verleend. 4.10 Nu de omvang van het ondernemingsvermogen niet is komen vast te staan heeft de inspecteur de toevoeging aan de fiscale oudedagsreserve op grond van het bepaalde in artikel 44c van de Wet terecht verminderd met het gehele bedrag van de dotatie. 4.11 Op grond van artikel 47a, lid 2, letter d, en lid 4, van de Wet bedraagt de rentevrijstelling f.1.000,-- of, zo dit minder is, het bedrag waarmee de rente het bedrag van renten van schulden overtreft, waarbij buiten beschouwing blijven de renten van schulden, welke zijn verzekerd door hypotheek op een eigen woning. 4.12 De door belanghebbende van haar moeder ontvangen lening is, naar vaststaat, niet verzekerd door hypotheek op een eigen woning, zodat de uitzondering op de salderingsverplichting met betrekking tot de voor deze lening betaalde rente niet van toepassing is. Daar dientengevolge de betaalde rente ad f.6.000,-- de ontvangen rente ad f.3.339,-- overtreft resteert geen ruimte voor gehele of gedeeltelijke toepassing van de rentevrijstelling. Hieraan doet niet af dat de onderhavige lening uitsluitend dient ter dekking van de financiering van de eigen woning, noch dat belanghebbende om haar moverende redenen heeft afgezien van een hogere door de bank te verstrekken hypothecaire lening. 4.13 Gelet op al het vorenstaande is het beroep ongegrond. 4.14 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 5. De beslissing. Het hof: bevestigt de uitspraak van de Inspecteur; Gedaan op 23 februari 2001 door mr Drion, raadsheer, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier. Op28 februari 2001 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen. De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.