
Jurisprudentie
AB0387
Datum uitspraak2001-03-02
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 01/102 BESLU V03
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
ZaaknummersAWB 01/102 BESLU V03
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE GRONINGEN
SECTOR BESTUURSRECHT
Reg.nr.: AWB 01/102 BESLU V03
U I T S P R A A K
van de president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
[verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker], verzoeker,
gemachtigde: mr. H. van Pijkeren, advocaat te Zierikzee,
ten aanzien van het besluit van 16 januari 2001, nr. Viss.01/487, van
de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,
gemachtigde: mr. H. Nagel, ambtenaar ter departement.
1. PROCESVERLOOP
Verweerder heeft bij voornoemd besluit afwijzend beslist op het verzoek van verzoeker een toestemmingsbewijs ten behoeve van het vaartuig YE 91 te verlenen voor het door hem uitoefenen van mosselvisserij in het Eems-Dollardgebied.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 22 januari 2001 op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, een bezwaarschrift ingediend.
Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de president gevraagd met betrekking tot meergenoemd besluit van verweerder een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het hem wordt toegestaan op mosselen te vissen op dezelfde wijze als ware hij in het bezit van de noodzakelijke toestemming op grond van het Eems-Dollardverdrag.
Verweerder heeft op 30 januari 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft verweerder op 7 februari 2001 nog een nader stuk ingezonden.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzon-den.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 15 februari 2001.
Verzoeker is aldaar bij gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. P.J. Kooiman, J.M.M. Kouwenhoven en M. Datema.
2. RECHTSOVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administra-tief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De feiten.
Verzoeker heeft op 2 januari 2001 verzocht om hem een zogenoemde Eems-Dollardvergunning te verlenen voor het schip de Yerseke 91.
Door verweerder is dit verzoek aangemerkt als een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 41, vierde lid, van het zogeheten Eems-Dollardverdrag.
Verweerder heeft dit geweigerd, omdat verzoeker naast deze toestemming tevens dient te beschikken over een vergunning als bedoeld in de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren (hierna: de Beschikking). Voor een dergelijke vergunning, zo heeft verweerder betoogd, komt verzoeker evenwel niet in aanmerking omdat aan hem in de jaren 1987 tot en met 1991 geen mosselzaadvergunning is verleend.
Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij is van mening dat het standpunt van verweerder in strijd is met het Eems-Dollardverdrag, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen een privaatrechtelijke toestemming en een publiekrechtelijke vergunning. Verder, zo stelt verzoeker, verbiedt het Eems-Dollardverdrag de visserij op mosselen niet. Voorts heeft verzoeker naar voren gebracht dat uit het bepaalde in het Eems-Dollardmilieuprotocol evenmin een vergunningplicht als bedoeld in de Beschikking voortvloeit.
Beoordeling van het verzoek.
Tussen partijen is primair in geschil of voor de mosselvisserij in het Eems-Dollardgebied naast de toestemming op grond van artikel 41 van het Eems-Dollardverdrag tevens een vergunning als bedoeld in de Beschikking is vereist.
Dienaangaande overweegt de president het volgende.
Op 8 april 1960 is gesloten het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van met de grens verband houdende vraagstukken en andere tussen beide landen bestaande problemen (Algemeen Verdrag), Trb. 1960, 67. Dit Algemeen Verdrag is goedgekeurd bij Rijkswet van 9 mei 1963 (Stb. 1963, 198) en is in werking getreden met ingang van
1 augustus 1963.
Blijkens artikel 1 van het Algemeen Verdrag wordt, voorzover hier van belang, ter regeling van de samenwerking in de Eemsmonding het Eems-Dollardverdrag gesloten.
Het Eems-Dollardverdrag (Trb. 1960, 69) is eveneens goedgekeurd bij Rijkswet van 9 mei 1963
(Stb. 1963, 198) en is in werking getreden met ingang van 1 augustus 1963.
Ingevolge artikel 1 van het Eems-Dollardverdrag zullen de Verdragsluitende Partijen in de Eemsmonding in het besef van hun gemeenschappelijke belangen en met inachtneming van de bijzondere belangen van de andere Verdragsluitende Partij overeenkomstig de daarnavolgende artikelen in een geest van goede nabuurschap samenwerken, teneinde een verbinding van hun havens met de zee te waarborgen die aan de zich wijzigende eisen voldoet. Dit doel behoort -onder handhaving van de wederzijdse rechtsstandpunten ten aanzien van het verloop van de staatsgrens- door middel van een praktische regeling van de vraagstukken die beide staten betreffen, te worden bereikt.
Artikel 35, eerste lid, van het Eems-Dollardverdrag bepaalt -voor zover hier van belang- dat het toezicht op de visserij en de jacht in het in artikel 41, eerste lid, aangegeven gebied gemeenschappelijk wordt uitgeoefend. Voor de Duitse vissers en jagers zijn evenwel de Duitse ambtenaren belast met het toezicht op de visserij en de jacht bevoegd, voor de Nederlandse vissers en jagers de Nederlandse ambtenaren belast met het toezicht op de visserij en de jacht.
In voornoemd artikel 41, eerste lid, is een deel van het gebied in de Eemsmonding aangewezen als gemeenschappelijk visserijgebied.
De president stelt op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat binnen dit gemeenschappelijk gebied ook betwist Nederlands grondgebied is gelegen. Dit is het gedeelte in de Eemsmonding dat naar Nederlandse rechtsopvatting tot het Nederlandse grondgebied behoort.
Vervolgens is het de vraag of in dit zogeheten "betwist gebied", zijnde het gebied waar Nederland en Duitsland rechtsbevoegdheid claimen, de Visserijwet en de daarop gebaseerde besluiten, regelingen en beschikkingen van toepassing zijn.
Op grond van artikel 1, vierde lid, onder c, van de Visserijwet 1963 wordt onder "kustvisserij" verstaan: het vissen in de bij algemene maatregel van bestuur als kustwater aangewezen wateren.
In artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970 is als kustwater als bedoeld in voornoemd artikellid onder meer aangewezen de Waddenzee en het Nederlands gedeelte van de Dollard en de Eems, binnen de aldaar genoemde grenzen.
Naar het voorlopig oordeel van de president volgt uit het vorenstaande dat het zogeheten "betwist gebied" voor het naar Nederlandse rechtsopvatting Nederlandse gedeelte van de Dollard en de Eems valt onder de begripsbepaling kustwater.
In hetgeen verzoeker ter bestrijding van dit standpunt van verweerder heeft aangevoerd acht de president geen gronden gelegen om tot een ander oordeel te komen.
Dit betekent dat verzoeker naast de schriftelijke toestemming als bedoeld in het Eems-Dollardverdrag tevens op grond van de artikelen 4 en 11 van de Beschikking, in onderlinge samenhang bezien, dient te beschikken over een vergunning van verweerder, wil hij in het in dit gebied als kustwater aangewezen gedeelte op mosselzaad kunnen en mogen vissen.
Vast staat echter dat verzoeker een dergelijke vergunning niet heeft en evenmin heeft aangevraagd.
De president stelt voorts vast dat in artikel 41, vierde lid, onder a en b, van het Eems-Dollardverdrag -ondubbelzinnig- is bepaald dat de benodigde schriftelijke toestemming om binnen het gemeenschappelijk visserijgebied voor de uitoefening van de visserij ten zuidoosten van de verbindingslijn tussen de grote lichttoren van Borkum en de Grote Kaap van Rottumeroog wordt verleend aan alle vissers die reeds minstens een jaar hun woonplaats hebben aan de Eems van Norddeich tot Uskwerd voor de duur van de tijd dat zij in dit gebied hun vaste woonplaats hebben. Niet in geschil is dat verzoeker aan dit vereiste voldoet.
De president ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of verweerder in dit geval terecht een koppeling heeft gelegd tussen de verlening van de schriftelijke toestemming op grond van het Eems-Dollardverdrag en het verlenen van een vergunning krachtens de Beschikking.
Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat hij het beleid voert dat geen schriftelijke toestemming wordt verleend, indien geen vergunning op grond van de Beschikking mogelijk is.
De president acht dit beleid niet onredelijk noch anderszins onaanvaardbaar. De president neemt daarbij in aanmerking dat het verlenen van de schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 41, vierde lid, onder b, van het Eems-Dollardverdrag geen enkele ruimte laat voor een afzonderlijke afweging van de bij de visserij betrokken -algemene- belangen ten opzichte van de -individuele- belangen van de aanvrager. In dit licht bezien en uitgaande van het feit dat -zoals hiervoor is overwogen- het betwist gebied kustwater is als bedoeld in de Beschikking acht de president het niet onbegrijpelijk dat verweerder het verlenen van de toestemming laat afhangen van de vraag of een vergunning als bedoeld in de Beschikking verkregen is of kan worden. Het verlenen van een schriftelijke toestemming is immers zinledig, indien betrokkene niet tevens in het bezit is van een vergunning in de zin van de Beschikking. Ter uitvoering van dit beleid is
-aldus verweerder- aan vissers eerder vergunning en toestemming verleend voor het vissen in respectievelijk betwist gebied en in het gemeenschappelijk visserij gebied, zij het op andere vissen in de zin van de Visserijwet dan zaad van schaal- en schelpdieren als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onder c, van die wet.
Verweerder heeft verder betoogd dat verzoeker niet in aanmerking kan komen voor een vergunning op grond van de Beschikking, gelet op het beleid dat hij sinds 1992 vanuit het oogpunt van natuurbescherming voert. Dit beleid -waarvan de uitgangspunten ook zijn opgenomen in de zogeheten Regeringsbeslissing Structuurnota Zee- en kustvisserij van 21 januari 1993- is gericht op de fixering van het aantal vergunningen voor het vissen van mosselzaad. Concreet houdt dit beleid in dat voor een vergunning slechts in aanmerking komen bedrijven die in de periode van 1987 tot en met 1991 tenminste twee jaren een vergunning hebben gekregen. Verzoeker komt, zo heeft verweerder gesteld, op grond van dit beleid niet in aanmerking voor een vergunning. Dit wordt ook niet door verzoeker betwist.
Gesteld noch is de president gebleken dat dit standpunt van verweerder, dat is gebaseerd op beleid dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds meerdere malen als kennelijk niet onredelijk heeft aangemerkt, onjuist zou zijn.
Gezien al het vorenstaande kan naar het voorlopig oordeel van de president het bestreden besluit de rechtmatigheidstoets doorstaan.
De president kent aan dit gegeven groot gewicht toe bij de belangenafweging in het kader van artikel 8:81, eerste lid, Awb. Bij afweging van de onderscheiden belangen komt dan ook doorslaggevende betekenis toe aan het belang van verweerder bij handhaving van het besluit.
Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
3. BESLISSING
De president van de Arrondissementsrechtbank te Groningen,
RECHT DOENDE,
- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.
Aldus gegeven door mr. P.J.W.M. Vermeulen als president en in het openbaar uitgesproken
op 2 maart 2001 door voornoemde fungerend president, in tegenwoordigheid van A.M. van der List-van Winden als griffier.
De griffier, wnd. De president, fgd.
Afschrift verzonden op: 2 maart 2001
typ: fz