
Jurisprudentie
AB0385
Datum uitspraak2001-03-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers37729 KGZA 01-60
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers37729 KGZA 01-60
Statusgepubliceerd
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Rolnummer: 37729 KGZA 01-60
Uitspraak: 2 maart 2001
Vonnis in kort geding in de zaak tussen:
[eiseres],
wonende te Rheden,
eiseres bij dagvaarding van 5 februari 2001,
procureur: mr.M.T. Spronck,
en
[gedaagde],
verblijvende te Den Haag, maar
woonplaats gekozen hebbend te Zutphen,
gedaagde,
procureur: mr. H. Witteveen
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde].
1 Het verloop van de procedure
[eiseres] heeft doen concluderen voor eis overeenkomstig de dagvaarding.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd, waarna partijen hun standpunt nader hebben doen toelichten.
2 De feiten
2.1 [gedaagde] is onder meer wegens het op 17 juni 1998 wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden en het meermalen verkrachten van [eiseres] bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 23 december 1998 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien jaren onder aftrek van voorarrest.
Bij dat vonnis is [gedaagde] voorts veroordeeld om een bedrag van f 25.000,-- te betalen aan [eiseres] als voorschot op de door [eiseres] geleden schade.
[eiseres] was op 17 juni 1998 omstreeks 2.00 uur met de fiets op weg naar huis, toen [gedaagde] haar vastgreep en de hiervoor bedoelde feiten gedurende een periode van meerdere uren pleegde.
2.2 Het door [gedaagde] en de officier van justitie tegen dat strafvonnis ingestelde hoger beroep is op 22 respectievelijk 26 april 1999 ingetrokken.
2.3 Krachtens door de president van de rechtbank te Zwolle verleend verlof heeft [eiseres] op 8 oktober 1998 ten laste van [gedaagde] beslag doen leggen onder het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen te Amsterdam op een aan [gedaagde] toekomend tegoed van thans f 72.424,57.
2.4 Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken van deze rechtbank van 23 maart 2000 is voor recht verklaard dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van de feiten, die bewezen zijn verklaard in het hiervoor bedoelde strafvonnis en is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
2.5 Door de jegens haar gepleegde misdrijven heeft [eiseres] haar studie aan de kunstacademie moeten staken, als gevolg waarvan zij de aan haar gedane uitkeringen krachtens de Wet Studie Financiering, tot een bedrag van f 4.545,07 dient terug te betalen.
3 De vordering, de grondslag en het verweer
3.1 [eiseres] vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van een (nader) voorschot van f 75.000,-- , althans een in redelijkheid vast te stellen bedrag, op de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten voert zij daartoe het volgende aan.
3.2 De door de strafrechter bewezen verklaarde feiten hebben haar van een jong zelfverzekerd, vrolijk persoon veranderd in een angstig, schrikachtig en zeer wantrouwend meisje, dat zich overal onveilig voelt, nergens alleen naar toe durft en noodgedwongen veel thuis blijft. Mede door de door haar gevolgde therapie is langzaamaan enige verbetering merkbaar.
3.3 [eiseres] begroot haar totale schade voorlopig inclusief wettelijke rente en met aftrek van het reeds bij strafvonnis toegekende voorschot van f 25.000,-- op een bedrag van afgerond f 280.000,--.
Naast de schadepost hiervoor onder 2.4 genoemd, stelt zij het bedrag aan smartengeld op een bedrag van f 75.000,--.
Als gevolg van de angsten, waaraan zij lijdt heeft zij ten behoeve van haar vervoer een auto aan moeten schaffen, waarmee een bedrag van f 15.000,-- was gemoeid.
Aan therapiekosten heeft zij tot en met januari 2001 een bedrag van f 11.400,-- voldaan. De vervoerskosten in verband met deze therapie worden door haar geraamd op een bedrag van f 2.880,--.
Door het gedwongen afbreken van haar studie heeft zij haar voornemen, om na afronding van haar studie drie dagen per week in dienstverband te gaan werken bij de werkgever bij wie zij vóór 17 juni 1998 reeds werkzaam was en de overige twee dagen betaalde freelance opdrachten uit te voeren, niet kunnen realiseren; zij werkt thans uitsluitend in parttime dienstverband bij deze werkgever. Het verlies aan verdienvermogen wordt door haar begroot op een bedrag van f 100.000,--, gerekend over een periode van 10 jaar.
[eiseres] en haar partner hadden geen kinderwens. Ondanks het gebruik van anticonceptiva door [eiseres] is zij van haar partner zwanger geworden, doordat de werking van de anticonceptie pil is kunnen worden verstoord door hetgeen haar op 17 juni 1998 is overkomen. De kosten gemoeid met de kosten van verzorging en opvoeding van haar kind worden door haar geraamd op f 50.000,--.
3.4 Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop in het navolgende zonodig nader wordt ingegaan.
4 De beoordeling
4.1 Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding moet het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening nodig dient te zijn. In de afweging van de belangen van partijen moet mede worden betrokken het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen aan het afwijzen van de vordering in kort geding.
4.2 De schadeplichtigheid van [gedaagde] terzake van de bij het meergenoemde strafvonnis bewezen verklaarde feiten staat onherroepelijk vast nu het strafvonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Gesteld noch gebleken is dat hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van deze rechtbank van 23 maart 2000, zodat [gedaagde] ook uit dien hoofde gehouden is de schade van [eiseres] te vergoeden.
4.3 Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat op de omvang van de onderscheiden onderdelen van de door [eiseres] gestelde schade af te dingen valt.
Met betrekking tot de opgevoerde therapiekosten staat onweersproken vast dat deze voor een -zij het overigens ondergeschikt- deel betrekking hebben op de partner van [eiseres].
Ten aanzien van de aangeschafte auto is niet ondenkbaar dat de bodemrechter desgeadieerd het daarop betrekking hebbende bedrag enigszins zal matigen.
Niet uitgesloten is voorts dat de bodemrechter -zonodig na getuigenverhoren en/of deskundigenonderzoek- een geringer bedrag ter zake van verlies aan arbeidsvermogen en mogelijk geen of in ieder geval een geringere vergoeding van kosten in verband met de zwangerschap van [eiseres] en de geboorte van haar kind zal toekennen.
Hetgeen hiervoor is overwogen neemt evenwel niet weg dat meer dan voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter wegens materiële schade en smartengeld, inclusief wettelijke rente over in elk geval het smartengeld sedert 17 juni 1998, een bedrag van in totaal tenminste f 100.000,-- zal toekennen, waarvan het smartengeld een zeer substantieel deel zal uitmaken wegens de zeer angstaanjagende, diep vernederende en zeer gewelddadige feiten, die [eiseres] op 17 juni 1998 gedurende vele nachtelijke uren heeft moeten ondergaan. Meer dan voldoende aannemelijk is dat die door [eiseres] als levensbedreigende feiten een zeer ernstige en door de aard van die feiten langdurige en onherstelbare inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [eiseres] hebben gevormd en in elk geval ook in de nabije toekomst -naar te hopen valt: in steeds afnemende mate- nog zullen vormen.
4.4 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de totale schade van [eiseres] tot een bedrag van f 100.000,-- meer dan voldoende aannemelijk is en een eventueel restitutierisico daarmee verwaarloosbaar klein is.
Van [eiseres] kan onder de weergegeven omstandigheden niet worden gevergd dat zij een beslissing in een bodemprocedure, die -mogelijk na hoger beroep en beroep in cassatie- in kracht van gewijsde is gegaan, afwacht alvorens haar reeds aantoonbaar geleden schade te kunnen verhalen.
Daarmee is haar spoedeisend belang bij de voorziening als gevorderd genoegzaam gegeven.
4.5 Als de in het ongelijk te stellen partij zal [gedaagde] worden belast met de kosten van de procedure.
De beslissing:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] bij wege van voorschot op de door haar geleden en te lijden materiële en immateriële schade te betalen een bedrag van f 75.000,-- (zegge: vijfenzeventig duizend gulden);
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen en tot heden begroot op f 3.035,75 te voldoen als volgt:
1 aan de griffier van deze rechtbank
door storting op rekeningnummer 1923.25.922 ten name van
DS 547 Arrondissement Zutphen
Postbus 9008, 7200 GN Zutphen
ter zake van
a in debet gesteld griffierecht f 1.020,--
b kosten inleidende dagvaarding door
deurwaarder Wey te Zutphen gemaakt f 55,75
c salaris procureur van [eiseres],
mr. M.T. Spronck te Apeldoorn f 1.550,--
________
subtotaal f 2.625,75
2 aan [eiseres]
ter zake van niet in debet gesteld griffierecht f 410,--;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. de Visser, fungerend president, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 maart 2001.
Con/col. Vi