Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0381

Datum uitspraak2001-03-02
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC99/278HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Mr. Mok Nr. C 99/278 Zitting 15 december 2000 Conclusie inzake [Eiser] tegen [Verweerder] Edelhoogachtbaar college, 1. Verweerder in cassatie, [verweerder], heeft [eiser], eiser van cassatie, gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Hertogenbosch, omdat [eiser] schade had veroorzaakt aan de auto van [verweerder] (door daarop te slaan met een stuk hout). Bij vonnis van 18 maart 1999 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld tot een schadevergoeding van f 1.438, vermeerderd met kosten. 2. Tegen dat vonnis heeft [eiser] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een middel dat klaagt dat het vonnis niet de gronden inhoudt waarop het berust en dat de kanton rechter de beslissing tot sluiting van de enquête onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Dat zou daarom het geval zijn omdat de kantonrechter [eiser] op onjuiste gronden niet in de gelegenheid heeft gesteld tegenbewijs te leveren. 3. In de cassatiedagvaarding heeft [eiser] nader uiteengezet dat het vonnis van de kanton rechter in strijd is met art. 194 en art. 178, lid 2, Rv. Ook zou de kantonrechter in strijd hebben gehandeld met een regel van ongeschreven recht, inhoudend dat in kantongerechtsprocedures waarin geen hoger beroep openstaat en partij en in persoon procederen, uit de enkele afwezigheid tijdens een op verzoek van de weder partij plaats vindend getuigenverhoor, zonder dat toepassing is gegeven aan art. 193 Rv, niet de conclusie mag worden getrokken dat deze partij afstand doet van het leveren van tegenbewijs. 4. De onder 3 genoemde redengeving maakt duidelijk dat in het middel geformuleerde motiveringsklachten niet veel meer dan een verpakking van rechtsklachten vormen. Rechtsklachten kunnen echter op grond van art. 100 van de Wet RO in een procedure als deze niet tot cassatie leiden. Ook als men de motiveringsklachten als zelfstandige klachten beschouwt, kunnen deze toch niet beoordeeld worden zonder daarin de juistheid van de rechtsopvattingen waarvan de kanton rechter is uitgegaan te betrekken. Daaruit volgt dat het middel niet kan slagen(1). 5. Neemt men aan dat het middel slechts verborgen rechtsklachten bevat, dan moet eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep worden verklaard. Gaat men er van uit dat het middel motiveringsklachten bevat, die echter niet zonder beoordeling van de rechtsopvattingen waarop het bestreden vonnis steunt, kunnen worden beoordeeld, dan is het resultaat verwerping van het beroep. In die laatste zin zal ik concluderen. 6. Ik concludeer tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiser in de kosten. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1. Vgl. Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie, 1989, nr. 124, p. 239 en i.h.b. de aldaar in noot 5 genoemde rechtspraak; recent in die zin: HR 26 mei 2000, JOL 2000, 318.


Uitspraak

2 maart 2001 Eerste Kamer Nr. C99/278HR Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. A.H. Westendorp, t e g e n [Verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G.C. Makkink. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 21 april 1998 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te veroordelen om aan [verweerder] te betalen een bedrag van ƒ 1.438,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 december 1997. [Eiser] heeft ter zitting de vordering mondeling bestreden. Bij tussenvonnis van 12 november 1998 heeft de Kantonrechter [verweerder] toegelaten tot het leveren van bewijs. De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 18 maart 1999 de vordering van [verweerder] toegewezen. Het vonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het vonnis van de Kantonrechter heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor [verweerder] toegelicht door zijn advocaat. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 De vordering van [verweerder] strekte tot betaling van een bedrag van ƒ 1.438,20 door [eiser]. [Verweerder] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zijn auto door onrechtmatig handelen van [eiser] is beschadigd. [Eiser] heeft deze grondslag betwist. De Kantonrechter heeft [verweerder] toegelaten tot het bewijs ervan. Nadat [verweerder] en zijn echtgenote als getuigen waren gehoord, heeft de Kantonrechter in zijn eindvonnis de vordering van [verweerder] toegewezen. Daarbij heeft de Kantonrechter overwogen dat [eiser] niet is verschenen ter gelegenheid van het getuigenverhoor en “aldus ook [heeft] nagelaten om eventueel tegenbewijs te leveren”. Het middel klaagt dat (i) de beslissing tot sluiting van de enquête aldus onbegrijpelijk gemotiveerd is, (ii) [Eiser] op onjuiste gronden niet in de gelegenheid gesteld is tegenbewijs te leveren en (iii) het vonnis aldus niet de gronden inhoudt waarop het berust. 3.2 Hoewel het hiervoor met (iii) aangeduide onderdeel van het middel een van de gronden bevat als bedoeld in art. 100 RO, steunt dat onderdeel volledig op de beide andere in het middel opgenomen klachten en heeft het geen zelfstandige betekenis. De klachten onder (i) en (ii) kunnen slechts worden opgevat als rechtsklachten, nu zij - ook blijkens de daarop gegeven toelichting - aan de Kantonrechter verwijten dat deze heeft geoordeeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 178 lid 2 en 194 Rv., alsmede met een regel van ongeschreven recht, inhoudende dat in een procedure als de onderhavige uit de enkele afwezigheid van de in persoon procederende partij bij een getuigenverhoor, dat wordt gehouden op verzoek van de wederpartij zonder toepassing van art. 193 Rv., niet de conclusie mag worden getrokken dat die partij daarmee afstand doet van het leveren van tegenbewijs. Rechtsklachten kunnen echter op grond van art. 100 RO in een procedure als de onderhavige niet tot cassatie leiden. [Eiser] moet daarom in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard. 4. Beslissing De Hoge Raad: verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3.000,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 2 maart 2001.