Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0375

Datum uitspraak2000-11-08
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/67268
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / onderzoek paspoort. In het geval iemand zich legitimeert met een paspoort ter verkrijging van bijvoorbeeld een sofinummer, staat het de betrokken autoriteit vrij dit paspoort te onderzoeken, ook indien er geen concrete aanwijzingen voorhanden zijn dat aan de echtheid van dit paspoort of de juistheid van de daarop vermelde personalia moet worden getwijfeld. Derhalve bestaat geen aanleiding de inbewaringstelling van de vreemdeling die gedurende het onderzoek van zijn paspoort niet van zijn vrijheid is beroofd onrechtmatig te achten. Hij is immers pas aangehouden na voltooiing van het onderzoek aan zijn paspoort en toen was er gelet op de uitkomst van het onderzoek sprake van een concrete aanwijzing van illegaal verblijf. Beroep ongegrond.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 34a Vreemdelingenwet __________________________________________________ Reg.nr : AWB 0/67268 VRWET Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. K.M. van Wijngaarden, advocaat te Rotterdam tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. M.P. Bouma, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1982 en de Franse nationaliteit te hebben. Op 18 oktober 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw). 2. Op 24 oktober 2000 heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. 3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 7 november 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. M.E.M. Jacquemard, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN 1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. 2. Uit het proces-verbaal van de aanhouding is de rechtbank het volgende gebleken. De vreemdeling heeft bij het Belastingkantoor te Rotterdam een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een sofi-nummer. Hij heeft daartoe een Frans paspoort overgelegd. Omdat er twijfels waren omtrent de echtheid van het paspoort is er onder meer een onderzoek ingesteld bij het Frans consulaat. Na onderzoek door personeel van het Franse consulaat is gebleken dat de vreemdeling door middel van valse papieren in het bezit is gekomen van het paspoort en dat de vreemdeling derhalve niet beschikte over de Franse nationaliteit. 3. De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat de staandehouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden omdat het onduidelijk is op grond waarvan de ambtenaar van de Belastingdienst heeft geconcludeerd dat de vreemdeling een mogelijk vals paspoort overhandigde en het, nadat gebleken was dat het geldig paspoort was, eveneens onduidelijk is op grond waarvan is besloten tot een nader onderzoek door de Franse autoriteiten. 4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast. De rechtbank overweegt dat in het geval iemand zich legitimeert met een paspoort ter verkrijging van bijvoorbeeld een sofi-nummer, het de betrokken autoriteit vrij staat dit paspoort te onderzoeken ook indien er geen concrete aanwijzingen voorhanden zijn dat aan de echtheid van dit paspoort of de juistheid van de daarop vermelde personalia moet worden getwijfeld. Derhalve bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding de inbewaringstelling van de vreemdeling die gedurende het onderzoek van zijn paspoort niet van zijn vrijheid is beroofd onrechtmatig te achten. Hij is immers pas aangehouden na voltooiing van het onderzoek aan zijn paspoort en toen was er gelet op de uitkomst van dat onderzoek sprake van concrete aanwijzingen over illegaal verblijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, Vw. 5. De rechtbank is van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdeling, wiens uitzetting is gelast, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. Bovendien wordt de vreemdeling verdacht van het plegen van een strafbaar feit. 6. De rechtbank is van oordeel dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Verweerder heeft op 26 oktober 2000 aan de Franse autoriteiten verzocht de vreemdeling over te nemen. Op 31 oktober 2000 hebben de Franse autoriteiten bericht dat zij daar niet toe bereid zijn. Op 2 november 2000 heeft verweerder aan de autoriteiten van Guinee gevraagd aan te geven op welke datum de vreemdeling gepresenteerd kan worden. Verweerder heeft er nog op gewezen dat de gemachtigde van de vreemdeling heeft aangegeven dat de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend in Belgiƫ en dat dit verzoek is ingediend onder een andere naam en waarin is vermeld dat de vreemdeling afkomstig is uit Guinee. De rechtbank heeft vooralsnog geen grond om aan te nemen dat het onderzoek van verweerder geen positief resultaat zal hebben. 7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. 8. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. 9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken. III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage: RECHT DOENDE: 1. Verklaart het beroep ongegrond; 2. wijst het verzoek om schadevergoeding af. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. Aldus gedaan door mr. J.Th. Drop en uitgesproken in het openbaar op 8 november 2000, in tegenwoordigheid van W.M. Colpa, griffier. afschrift verzonden op: