
Jurisprudentie
AB0371
Datum uitspraak2000-12-21
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/8492
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 99/8492
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afghanistan / Hazara.
Het enkele feit dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Hazara's in Afghanistan brengt niet mee dat hij om die reden als vluchteling aangemerkt dient te worden. Uit de beschikbare informatie blijkt weliswaar dat de Hazara's in Afghanistan een kwetsbare groep vormen, doch daaruit blijkt niet dat er aanwijzingen zijn dat met betrekking tot deze groep sprake zou zijn van zodanige grootschalige vervolging op etnische gronden dat van prima facie vluchtelingschap zou moeten worden gesproken. Evenals in het geval van andere risico-groepen zal eerder tot vluchtelingschap moeten worden geconcludeerd. Dit laat echter onverlet dat de vreemdeling aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijke feiten en omstandigheden bestaan, die zijn vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw rechtvaardigen.
Uitspraak
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
U I T S P R A A K
artikel 8:77 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
artikel 33a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr: AWB 99/8492 VRWET H
inzake: A, wonende/verblijvende te B, eiser, gemachtigde: mr. K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie;
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: drs. F.A.M. Wuijts, juridisch medewerker ten kantore van de Landsadvocaat te 's-Gravenhage.
1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1.1 Eiser, geboren op [...] 1971, heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 17 juli 1998 in Nederland. Op 18 juli 1998 heeft hij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning
tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Bij beschikking van 22 december 1998, aan eiser uitgereikt op 14 januari 1999, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet ingewilligd. De aanvraag om toelating als
vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid. Bij dezelfde beschikking is eiser in het bezit gesteld van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv), met ingang van 18 juli 1998 geldig tot 18 juli 1999.
Eiser heeft op 8 februari 1999 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft bij beschikking van 10 augustus 1999 het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
1.2 Bij beroepschrift van 2 september 1999 heeft eiser tegen deze laatste beschikking beroep ingesteld bij deze rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 28 november 2000. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.
2. OVERWEGINGEN
2.1 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.
De onderbouwing van de aanvragen
2.2 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvragen -voor zover hier van belang en samengevat- het volgende aangevoerd. Eiser is afkomstig uit Kabul en behoort tot de bevolkingsgroep der shi'itische Hazara's. Vanwege zijn
afkomst heeft hij zich steeds voor de Taliban verborgen moeten houden. In 1997 is de broer van eiser door de Taliban opgepakt. Eind mei/begin juni 1998 werd eiser door de Taliban gearresteerd. Eiser werd verdacht van lidmaatschap
van de Hazb-e-Wahdat en het verborgen houden van wapens. Tijdens de detentie werd eiser geslagen en bedreigd door de Taliban. Na drie dagen zag eiser de kans om tijdens het avondgebed via een WC-raam (en) een gat van 45 centimeter
te ontsnappen. Hij is meteen Afghanistan ontvlucht.
De bestreden beschikking en de standpunten van partijen
2.3 Verweerder heeft aan de bestreden beschikkingen de volgende overwegingen ten grondslag gelegd. Het enkele behoren tot de bevolkingsgroep der shi'itische Hazara's vormt op zichzelf onvoldoende grond om tot vluchtelingschap te
concluderen. Eiser is nimmer lid of sympathisant van een politieke partij of beweging geweest. Het is dus niet aannemelijk dat hij door de Taliban als tegenstander wordt beschouwd. De vlucht uit het WC-raam is niet geloofwaardig dan
wel aannemelijk. Niet alleen vanwege de in het algemeen kleine afmetingen van een dergelijk raam maar evenzeer vanwege het feit dat niet aannemelijk is dat de Taliban hun gevangenissen op zo'n slechte manier beveiligen dat eiser op
een dergelijk eenvoudige wijze kon ontsnappen zonder ook maar een enkele bewaarder te zijn tegengekomen.
2.4 In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte de geloofwaardigheid van zijn relaas in twijfel trekt. Het gebouw waarin eiser werd vastgehouden was geen officiële gevangenis maar een oud schoolgebouw. Het raam
in de WC was dientengevolge groter dan in een normale gevangenis, namelijk circa één à anderhalve meter hoog. Eiser kon gemakkelijk de metalen draden die voor het raam waren aangebracht verbuigen. De 45 centimeter waarover eiser in
de correcties en aanvullingen heeft gesproken slaat op de grootte van de ruimte waardoor eiser is ontsnapt. Eiser heeft bovendien een geschikt moment uitgekozen om te ontsnappen, namelijk de tijd van het avondgebed.
De hoofdzaak blijft dat shi'itische Hazara's in Afghanistan door de Taliban hard aangepakt worden. Zij worden zonder enige aanleiding opgepakt en omgebracht. Nu de Taliban vrijwel geheel Afghanistan in zijn macht heeft
bestaat er geen vestigingsalternatief voor eiser in eigen land. Uit de inhoud van het bezwaarschrift kan niet worden geconcludeerd dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Mede gelet op de weigerachtige houding van verweerder om de
verklaringen van eiser voor juist aan te nemen had eiser gehoord moeten worden.
2.5 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en ter zitting zijn ingenomen standpunt gehandhaafd.
Wettelijk kader
2.6 Eiser legt aan de aanvragen en het onderhavige beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland als vluchteling dan wel wegens klemmende redenen van humanitaire aard.
2.7 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd wegens de kennelijke ongegrondheid ervan, onder meer indien zij is gegrond op omstandigheden ten tijde
van de bestreden beschikking die, hetzij op zichzelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating kon bestaan.
2.8 Ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vw kan het verlenen van een vergunning tot verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang ontleend.
2.9 Verweerder voert met het oog op de bevolkings- en werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen -behoudens verplichtingen voortvloeiende uit
internationale overeenkomsten- slechts voor verlening van een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen
van humanitaire aard. Dit beleid is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc).
Beoordeling van het beroep
2.10 Ten aanzien van het beroep, voorzover het is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling, overweegt de rechtbank het volgende.
2.11 Voorop staat, gelet op de terzake relevante ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Country Reports en informatie van Amnesty International, dat het enkele feit, dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der
Hazara's in Afghanistan niet meebrengt dat hij om die reden als vluchteling aangemerkt dient te worden.
De rechtbank overweegt dienaangaande dat uit de beschikbare informatie weliswaar blijkt dat de Hazara's in Afghanistan een kwetsbare groep vormen, doch dat daaruit niet blijkt dat er aanwijzingen zijn dat er in Afghanistan
sprake zou zijn van zodanige grootschalige vervolging van deze groep op etnische gronden dat van prima facie vluchtelingschap gesproken moet worden. Evenals in het geval van andere risico-groepen zal eerder tot vluchtelingschap
moeten worden geconcludeerd. Dit laat echter onverlet dat de vreemdeling aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijke feiten en omstandigheden bestaan, die zijn vrees voor vervolging in de zin van artikel 15 Vw
rechtvaardigen.
2.12 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de specifieke negatieve aandacht van de Taliban is komen te staan. Uit het relaas van eiser kan worden opgemaakt dat hij, vanwege het feit dat hij behoort tot de
bevolkingsgroep der Hazara's discriminatie heeft ondervonden, doch niet gebleken is dat eiser dermate gediscrimineerd werd dat zijn leven daardoor onhoudbaar is geworden. De enkele verklaring dat veel van zijn vrienden door de
Taliban zijn lastiggevallen en zijn broer is opgepakt en dat hij zich vanwege zijn afkomst steeds voor de Taliban verborgen heeft moeten houden is daartoe onvoldoende. Ook uit het feit dat eiser gearresteerd is en enige dagen
gedetineerd heeft gezeten, indien van de geloofwaardigheid van zijn relaas zou worden uitgegaan, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de Taliban eiser als een belangrijk tegenstander beschouwen en dat hij werkelijk te
vrezen heeft voor vervolging van die zijde. Uit de eenvoudige wijze waarop eiser stelt uit de gevangenis te zijn ontsnapt concludeert de rechtbank immers, dat de bewaking van eiser voor de Taliban geen hoge prioriteit heeft gehad en
zijn ontsnapping ook geen gevolgen behoeft te hebben.
Dat eiser verdacht zou worden van lidmaatschap van de Hezb-e-Wahdat en van het verbergen van wapens voor deze partij, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank overweegt daarbij dat eiser heeft verklaard nimmer lid of
sympathisant te zijn geweest van een politieke partij of beweging en nimmer politieke of oppositionele activiteiten te hebben verricht. Eiser heeft voorts geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de Taliban hem van dergelijke
activiteiten zou kunnen verdenken. Tenslotte valt op dat de Taliban bij eisers arrestatie geen huiszoeking hebben verricht om de verborgen wapens te achterhalen.
2.13 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels heeft gehandeld door het bezwaar tegen de weigering eiser als vluchteling toe te laten
ongegrond te verklaren.
2.14 Ten aanzien van het beroep, gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning overweegt de rechtbank
2.15 In dit geval is geen sprake van een met de aanwezigheid van eiser hier te lande gediend wezenlijk Nederlands belang. Ook is de rechtbank niet gebleken dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet tot het
oordeel had kunnen komen dat er geen klemmende redenen van humanitaire aard zijn om eiser een vergunning tot verblijf te verlenen.
2.16 Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens dient bij de toetsing van artikel 3 EVRM voor de bodemrechter als maatstaf te gelden dat er daadwerkelijk concrete gronden zijn om aan te nemen dat
de betreffende vreemdeling het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die is verboden bij genoemde verdragsbepaling.
Gelet op het hiervoor overwogene, moet worden geconcludeerd dat ten tijde van de bestreden beschikking voldoende mate van zekerheid is verkregen dat eiser bij zijn terugkeer naar Afghanistan niet aan een behandeling als
bedoeld in artikel 3 EVRM zal worden onderworpen.
2.17 Met betrekking tot de klacht van eiser dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op zijn bezwaar gehoord te worden overweegt de rechtbank als volgt.
2.18 Een situatie waarin op grond van artikel 32, tweede lid, Vw van het horen kon worden afgezien doet zich in dit geval niet voor. Het horen kon derhalve slechts achterwege blijven indien zich een situatie voordeed als bedoeld
in artikel 7:3 Awb.
2.19 De vraag of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de
motivering van de primaire beslissing. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel
mogelijk is over die conclusie.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden kunnen oordelen dat deze situatie zich hier voordeed. Verweerder heeft derhalve met toepassing van artikel 7:3 Awb van het horen van eiseres kunnen afzien.
2.20 Het beroep is mitsdien ongegrond.
2.21 De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding tot kostenveroordeling en evenmin tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
3. BESLISSING
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Klaus als griffier.
afschrift verzonden op: 4 januari 2001
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.