Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0370

Datum uitspraak2001-02-16
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsDordrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/2641
Statusgepubliceerd


Indicatie

Angola / vvtv-beleid / uitstel van vertrek. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit, 21 januari 2000, een vvtv-beleid had moeten voeren gezien de lange duur van het uitstel-van-vertrekbeleid en de aanhoudende slechte veiligheids- en mensenrechtensituatie in Angola. Eiser heeft zich met betrekking tot de lange duur van het uitstel-van-vertrekbeleid beroepen op de REK-uitspraak over Sierra Leone d.d. 1 februari 2000 en met betrekking tot de slechte humanitaire situatie als indicatie voor het vvtv-beleid op uitspraak AWB 00/2752 van de rechtbank Zwolle d.d. 1 september 2000. Ter zitting stelde verweerder dat hem niet bekend is of het genoemde overleg met de EU-landen heeft plaatsgevonden of binnenkort zal plaatsvinden. Tevens was ter zitting niet bekend bij verweerder hoe lang het uitstel-van-vertrekbeleid zal worden gecontinueerd. Ten aanzien van de duur van het uitstel-van-vertrekbeleid, ingegaan op 20 augustus 1998, verenigt de rechtbank zich met het standpunt van de REK in de uitspraak van 1 februari 2000, dat inhoudt dat blijkens de indicatorenbrief van 18 december 1997 tijdsverloop een factor is waarmee verweerder rekening houdt bij de beslissing of hij een uitstel-van-vertrekbeleid zal continueren dan wel een vvtv-beleid zal voeren. Aangezien het systeem van de Vreemdelingenwet voor langdurig uitstel van vertrek geen grondslag biedt en gezien het belang van de rechtszekerheid voor eiser kunnen de verschillende opeenvolgende beslissingen om geen vvtv-beleid te voeren maar wel uitstel van vertrek te verlenen niet geheel los van elkaar worden gezien. De totale duur van het uitstel-van-vertrekbeleid op het moment van de beslissing dient daarin te worden betrokken. Daarbij geldt in zijn algemeenheid dat naar mate die periode langer is het belang van de rechtszekerheid een zwaarder gewicht zal krijgen en het argument dat sprake is van tijdelijke onzekerheid over de situatie in het land van herkomst aan kracht zal verliezen. Voorts is de rechtbank, met de voornoemde meervoudige kamer van de rechtbank Zwolle, van oordeel dat uit de zogenoemde indicatorenbrief is af te leiden dat in bijzondere gevallen ook een slechte humanitaire situatie een indicatie is voor een vvtv-beleid. Uit ambtshalve bekende informatie is bekend dat de humanitaire situatie in Angola bijzonder slecht is. Gelet op de lange duur van het uitstel-van-vertrekbeleid en hetgeen bij verweerder bekend is omtrent de algemene situatie in Angola behoeft het oordeel van verweerder dat kan worden volstaan met uitstel van vertrek en geen vvtv-beleid diende te worden gevoerd, nadere motivering. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn oordeel dat tussen 20 augustus 1998 en 21 januari 2001 geen vvtv-beleid voor Angola was geïndiceerd onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Beroep gegrond.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Dordrecht sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht juncto artikel 33a Vreemdelingenwet __________________________________________________ Reg.nr : AWB 00/2641VRWET Inzake : A, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr. R.J. van der Zee, rechtshulpverlener werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel Amsterdam, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. R.H. Visser, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. Eiser, geboren [...] 1980, bezit de Angolese nationaliteit. Hij verblijft sedert 7 september 1998 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 7 september 1998 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 23 december 1998 afwijzend beslist. Wel is eiser op dezelfde datum uitstel van vertrek verleend. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op 21 januari 2000 het bezwaar ongegrond verklaard. 2. Op 15 februari 2000 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. 3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 19 januari 2001. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN 1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij is gedeserteerd uit militaire dienst in Angola. Eiser is in juli 1998 bij een overheidsactie geronseld en naar een rekruteringscentrum gebracht. Eiser heeft in het centrum geweigerd om zijn dienstplicht te vervullen en de $500 te accepteren die als vergoeding werd gegeven. Hierbij speelden onder meer eisers religieuze overtuiging, - eiser is Jehova Getuige en wil niets met wapens te maken hebben - en zijn angst naar de Democratische Republiek Congo gezonden te worden een rol. Ook heeft eiser nooit meer iets van zijn broer gehoord die in 1992 is opgepakt voor militaire dienst en is hij bang dat hem hetzelfde zou kunnen overkomen. Eiser werd na een paar dagen naar een gevangenis overgebracht Hier werd hij mishandeld. In de gevangenis werd ook een stukje metaal in zijn arm aangebracht, dit zou ervoor zorgen dat eiser geëlektrocuteerd zou worden als hij te dicht bij de omheining van de gevangenis zou komen die onder hoogspanning stond. Eisers grootvader heeft samen met een bevriende hoge militair, B, eiser uit de gevangenis weten te krijgen. De hoge militair had een soldaat naar de cel van eiser gestuurd om hem daar op te halen. Zijn grootvader wachtte buiten op hem. Eiser is nog een nacht bij zijn grootouders en een nacht bij de hoge militair geweest en heeft op 4 september 1998 met hun hulp en de hulp van een reisagent Angola verlaten. Eerst ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hem sinds 23 december 1998 uitstel van vertrek is verleend en dat gezien de aanhoudend slechte situatie in Angola dit uitstel van vertrek omgezet zou moeten worden in een voorwaardelijke vergunning tot verblijf. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt. 4. Met betrekking tot de gehandhaafde weigering eiser als vluchteling toe te laten, overweegt de rechtbank als volgt. 5. Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) en artikel 15, eerste lid, Vw is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep. 6. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Angola niet zodanig is dat vreemdelingen afkomstig uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser zal dus aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. 7. Eiser is daarin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser niet aannemelijk kunnen maken dat hij persoonlijk gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. Eiser heeft voor juli 1998 nooit enige problemen met de overheid in Angola gehad. Weliswaar stelt eiser dat hij in juli 1998 geronseld is tijdens een overheidsactie en tot begin september gedetineerd is geweest in een rekruteringscentrum omdat hij weigerde in militaire dienst te gaan, doch het feit dat verzoeker gemakkelijk het kamp kon verlaten met de hulp van een hoge militair, bevriend met zijn grootvader, en daar zelfs ondergedoken is geweest duidt er niet op dat de autoriteiten een op de persoon gerichte negatieve belangstelling voor verzoeker hadden. Ten aanzien van de gestelde dienstweigering is de rechtbank met verweerder van oordeel dat verzoeker niet valt onder een van de categorieën genoemd in de uitspraak van de Rechtseenheidkamer voor vreemdelingenzaken van 12 april 1995, RV 1995, 7. Met name heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij dusdanige ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van zijn religie - het niet willen hanteren van wapens als Jehova Getuige - dat hij op grond daarvan als vluchteling toegelaten dient te worden. Daarbij wordt overwogen dat verzoeker in het nader gehoor als voornaamste redenen gegeven heeft dat hij de 500$ gage niet heeft geaccepteerd omdat hij voor dat bedrag niet zijn leven wou riskeren in Zaïre en omdat zijn broer in 1992 verdwenen was, waarschijnlijk tijdens het vervullen van zijn dienstplicht. 8. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit zijn weigering eiser toe te laten als vluchteling terecht heeft gehandhaafd. 9. Ingevolge artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Gelet op rechtsoverweging 7 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van eiser naar Angola strijd oplevert met artikel 3 EVRM. 10. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden. 11. Ten aanzien van het beroep van eiser gericht tegen de weigering aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) te verlenen overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 12b Vw kan verweerder een vvtv verlenen aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en aan aanvraag om toelating heeft ingediend, indien naar het oordeel van verweerder gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. 12. De rechtbank overweegt dat de wetgever blijkens de tekst van artikel12b Vw aan verweerder beoordelingsvrijheid heeft gelaten ten aanzien van de beantwoording van de vraag of gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Uit de tekst van dit artikel blijkt voorts dat de wetgever verweerder - bij een positieve beantwoording van voornoemde vraag - de beleidsvrijheid heeft toegekend al dan niet een vvtv te verlenen. Zoals de rechtbank reeds in eerdere uitspraken heeft overwogen, heeft de wetgever aan het in artikel 12b Vw bedoelde oordeel van verweerder onmiddellijke werking willen toekennen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak, gelet op het karakter van de door haar uit te voeren toetsing in beroep, de vraag dient te beantwoorden of verweerder, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, 21 januari 2000, in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de algehele situatie in Angola niet zodanig is dat gedwongen verwijdering van afgewezen Angolese asielzoekers naar Angola van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. 13. Verweerder voert sinds 20 augustus 1998 een uitstel van vertrek (uvv) beleid ten aanzien van Angola. Dit beleid is ingesteld in verband met de onzekerheid omtrent de veiligheidssituatie en in verband met de het standpunt van de UNHCR Luanda dat destijds luidde dat vooralsnog van gedwongen verwijdering naar Angola diende te worden afgezien. Het beleid is tevens ingesteld omdat onvoldoende duidelijkheid bestond omtrent het (verwijder)beleid van de ons omringende landen. (TK 1998-1999,19637, nr. 445). Bij brief van 18 juni 1999 heeft verweerder bericht dat het uvv-beleid inzake Angola wordt beëindigd. Aan de onduidelijkheid met betrekking tot het beleid van de ons omringende landen is immers een einde gekomen. In de hoofdstad Luanda en omgeving is geen sprake van oorlogsdreiging (TK 1998-1999,19 637, nr.445). Tijdens een debat op juli 1999 vroeg de Tweede Kamer om het uvv-beleid te continueren in verband met gewijzigde inzichten en in afwachting van de zienswijze van Buitenlandse Zaken over het standpunt van de UNHCR en zijn inschatting van de veiligheidsrisico's in Luanda. Op 8 september 1999 heeft de UNHCR haar standpunt bekend gemaakt: teruggestuurde uitgeprocedeerde Angolese asielzoekers zullen worden geconfronteerd met hoge veiligheidsrisico's en onoverkomelijke ontberingen. De regering heeft hierop besloten, in afwachting van de zienswijze van de minister van Buitenlandse Zaken ten aanzien van het standpunt van de UNHCR, het uitstel van vertrek beleid vooralsnog te continueren (TK 1998-1999,19 637, nr. 460). Op 6 december 1999 heeft de minister van Buitenlandse Zaken, in reactie op het standpunt van de UNHCR van 8 september 1999, een nieuw ambtsbericht uitgebracht. Naar aanleiding van dit ambtsbericht heeft verweerder bij brief van 9 december 1999 bericht dat de humanitaire situatie in Luanda is verslechterd. Alvorens beleidsconsequenties aan het ambtsbericht te verbinden, acht verweerder nader overleg met de overige EU-landen raadzaam. Totdat verweerder met de overige EU-landen over terugkeer van de afgewezen asielzoekers naar Luanda van gedachten gewisseld heeft, zal het uvv-beleid ten aanzien van Angola gehandhaafd blijven (TK1999-2000, 19637, nr.504). 14. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit, 21 januari 2000, een vvtv-beleid had moeten voeren gezien de lange duur van het uvv-beleid en de aanhoudend slechte veiligheids- en mensenrechtensituatie in Angola. Eiser heeft zich met betrekking tot de lange duur van het uvv-beleid beroepen op de uitspraak over Sierra Leone van de Rechtseenheidkamer van 1 februari 2000 (Awb 99/9188) en met betrekking tot de slechte humanitaire situatie als indicatie voor vvtv-beleid op de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 1 september 2000 (Awb 99/12280). Ter zitting stelde verweerder dat hem niet bekend is of het genoemde overleg met de EU-landen heeft plaatsgevonden of binnenkort zal plaatsvinden. Tevens was ter zitting niet bekend bij verweerder hoe lang het uvv-beleid zal worden gecontinueerd. Ten aanzien van de duur van het uvv-beleid, ingegaan op 20 augustus 1998, verenigt de rechtbank zich met het door de REK bij zijn voornoemde uitspraak van 1 februari 2000 ingenomen standpunt dat "blijkens de indicatorenbrief van 18 december 1997 tijdsverloop een factor is waarmee verweerder rekening houdt bij de beslissing of hij een uvv-beleid zal continueren dan wel een vvtv-beleid zal voeren. Aangezien het systeem van de Vreemdelingenwet voor langdurig uitstel van vertrek geen grondslag biedt en gezien het belang van de rechtszekerheid voor eiser kunnen de verschillende opeenvolgende beslissingen om geen vvtv-beleid te voeren maar wel uitstel van vertrek te verlenen niet geheel los van elkaar worden gezien. De totale duur van het uvv-beleid op het moment van de beslissing dient daarin te worden betrokken. Daarbij geldt in zijn algemeenheid dat naar mate die periode langer is het belang van de rechtszekerheid een zwaarder gewicht zal krijgen en het argument dat sprake is van tijdelijke onzekerheid over de situatie in het land van herkomst aan kracht zal verliezen." De rechtbank is van oordeel dat ook in het onderhavige geval laatstgenoemde situatie aan de orde is. Voorts is de rechtbank, met de voornoemde meervoudige kamer van de rechtbank, Zwolle, van oordeel dat uit de zogenoemde 'indicatorenbrief' van de Tweede Kamer van 18 december 1997 af te leiden is dat in bijzondere gevallen ook een slechte humanitaire situatie een indicatie is een vvtv-beleid te voeren. Uit ambtshalve bij de rechtbank bekende informatie blijkt dat de humanitaire situatie in Angola bijzonder slecht is. De UNHCR spreekt in zijn brief van 8 september 1999 van een catastrofale humanitaire situatie. Gelet op de lange duur van het uvv-beleid en hetgeen verweerder bekend is omtrent de algemene situatie in Angola behoeft het oordeel van verweerder dat kan worden volstaan met uitstel van vertrek en geen vvtv-beleid diende te worden gevoerd, nadere motivering. 15. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn oordeel dat tussen 20 augustus 1998 en 21 januari 2001 geen vvtv-beleid voor Angola was geïndiceerd onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 710,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1). III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt; 4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1410, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen; 5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad f 50.- vergoedt. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. Aldus gedaan door mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2001, in tegenwoordigheid van H.Klaver, griffier. afschrift verzonden op: