Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0369

Datum uitspraak2000-11-13
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 00/67623, 00/67624, 00/67626
Statusgepubliceerd


Indicatie

AC-procedure / uitreiking beschikking / rechtsbijstand. De vraag die centraal staat is of de beschikking conform het bepaalde in B7/3.1 van de Vc-1994 binnen de daarvoor gestelde termijn aan de rechtshulpverlener ter beschikking is gesteld. De AC-procedure is begonnen op 27 oktober 2000 om 8.00 uur. De beschikking moest op 29 oktober 2000 om 17.00 uur worden uitgereikt. De beschikking is aan verzoeker uitgereikt op 27 oktober 2000 om 16.55 uur, derhalve binnen de gestelde termijn van 47 uur. De beschikking is vervolgens om 17.04 uur ter beschikking gesteld van rechtshulp met als gevolg dat rechtshulp nog zesenvijftig minuten ter beschikking stond om te bepalen of er een rechtsmiddel zou worden aangewend. Vastgesteld wordt dat de beschikking binnen de voorgeschreven termijn aan verzoeker is uitgereikt en dat het overleg tussen rechtshulp en verzoeker er binnen de beschikbare tijd kennelijk toe heeft geleid dat een rechtsmiddel is aangewend. Onder deze omstandigheden is de president van oordeel dat verzoeker niet in zijn belangen is geschaad.


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Haarlem fungerend president enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken U I T S P R A A K artikel 8:81 en 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) artikel 33a, 34a en 34j Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr: AWB 00/67623 VRWET H (voorlopige voorziening) AWB 00/67624 VRWET H (beroepszaak) AWB 00/67626 VRWET H (vrijheidsontneming) inzake: A, geboren op [...] 1974, van Srilankaanse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker, gemachtigde: mr. J.E. van Rossem, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. I.K. Rapmund, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage. 1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING 1.1 Aan de orde is het verzoek om voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de beschikking van verweerder van 29 oktober 2000. Deze beschikking is genomen in het kader van de zogenoemde AC-procedure en behelst de niet-inwilliging van de aanvraag om toelating als vluchteling en strekt tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Verzocht wordt om schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten totdat op het beroep tegen voormelde beschikking is beslist. 1.2 Voorts is aan de orde het beroep gericht tegen de vrijheidsontnemende maatregel van artikel 7a Vw vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 18a Vw die verweerder verzoeker met ingang van 26 oktober 2000 heeft opgelegd. Dit beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding. 1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 7 november 2000. Daarbij hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoeker ter zitting gehoord. 2. OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de president na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.3 De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur. Deze procedure leent zich slechts voor die verzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist. Dat laatste is het geval indien in redelijkheid buiten twijfel is dat bij terugzending van verzoeker naar het land van herkomst geen gevaar voor vervolging c.q. schending van artikel 3 EVRM bestaat. De vraag of in casu sprake is van een dergelijk verzoek wordt in het navolgende beantwoord. Daarbij is het volgende van belang. 2.4 Namens verzoeker is aangevoerd dat verweerder de beschikking niet conform het bepaalde in B7/3.1. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) binnen de daarvoor gestelde termijn aan de rechtsbijstand ter beschikking heeft gesteld. Immers, uit deze bepalingen blijkt dat het laatste uur van het tweede deel van de 48-uursprocedure, bestaande uit 24 procesuren, exclusief gereserveerd is voor de rechtsbijstandverlener en dat verweerder van dit uur geen gebruik mag maken. In geval van verzoeker eindigde het tweede deel van de AC-procedure op 29 oktober 2000 om 17.00 uur. Verweerder heeft de beschikking op 29 oktober 2000 om 16.55 uur aan verzoeker uitgereikt en eerst om 17.04 uur aan de rechtsbijstand ter beschikking gesteld, dat wil zeggen 4 minuten te laat. Een overschrijding met 4 minuten kan in dit geval niet verschoonbaar worden geacht. Verzoeker is dan ook in zijn belangen geschaad en had verwezen moeten worden naar de OC-procedure. 2.5 De president is van oordeel dat verzoeker niet in zijn belangen is geschaad door de gevolgde handelwijze van verweerder en overweegt daartoe het volgende. Volgens het bepaalde in B7/1.3 Vc bestaat de AC-procedure uit twee fasen. Het eerste deel betreft het onderzoek naar identiteit, nationaliteit en reisroute. Het tweede deel betreft de beoordeling van de asielaanvraag. Voor dit tweede deel zijn maximaal 24 uren beschikbaar. Indien de eerste fase langer dan 24 uur duurt gaat dit ten koste van de tijd die beschikbaar is voor de tweede fase. In principe vindt doorverwijzing naar een OC plaats indien de AC-procedure langer duurt dan 48 procesuren. Tevens is in deze wettelijke bepalingen neergelegd dat een beschikking voor het einde van de AC-termijn moet worden uitgereikt dat wil zeggen binnen 47 uren, waarna de rechtshulpverlener een uur de tijd heeft om aan te geven of een rechtsmiddel zal worden aangewend. In het onderhavige geval is de AC-procedure begonnen op 27 oktober 2000 om 8.00 uur. De beschikking diende op 29 oktober 2000 om 17.00 uur, na ommekomst van 47 procedure-uren, te worden uitgereikt. De beschikking is aan verzoeker uitgereikt op 27 oktober 2000 om 16.55 uur, hetgeen derhalve heeft plaatsgevonden binnen de gestelde termijn van 47 uur. De beschikking is vervolgens om 17.04 uur ter beschikking gesteld van rechtshulp met als gevolg dat rechtshulp nog zesenvijftig minuten ter beschikking stond om te bepalen of er een rechtsmiddel zou worden aangewend. Vastgesteld wordt dat de beschikking binnen de voorgeschreven termijn aan verzoeker is uitgereikt en dat het overleg tussen rechtshulp en verzoeker er binnen de beschikbare tijd kennelijk toe heeft geleid dat een rechtsmiddel is aangewend. Onder deze omstandigheden is de president van oordeel dat verzoeker niet in zijn belangen is geschaad. 2.6 Verzoeker heeft zijn aanspraak op toelating als vluchteling als volgt gemotiveerd. Verzoeker behoort tot de Tamil bevolkingsgroep op Sri Lanka en is sinds ongeveer 1983 lid van de Ealam People's Revolutionary Liberation Front (EPRLF). Van 1996 tot 2 maart 2000 heeft verzoeker vanuit een EPRLF-kamp in Jaffna stad voor deze partij diverse werkzaamheden verricht zoals wacht lopen, kantoorwerkzaamheden en propaganda maken. Verzoeker vreest voor vervolging door het Srilankaanse leger aangezien hij zonder toestemming deze - met het leger samenwerkende - EPRLF heeft verlaten. Verzoeker is uit de partij gestapt in de verwachting dat zijn moeder en zusters na zijn vertrek niet meer door de EPRLF zouden worden gedwongen tot het verrichten van werkzaamheden voor de EPRLF. Nadat hij in maart 2000 toestemming had gevraagd en gekregen voor een verlof van 2 maanden, is verzoeker niet meer teruggekeerd naar zijn woonplaats. Hij is naar Colombo gegaan en heeft zich daar onder bescherming van de Eelam People's Democratic Party (EPDP) gesteld. In Colombo is verzoeker op straat aangehouden en voor verhoor naar een politiebureau gebracht. Tussenkomst van de EPDP heeft er toe geleid dat verzoeker na enkele uren werd vrijgelaten. Deze partij heeft verzoeker geholpen het land te verlaten doch zal verzoeker, vanwege zijn uitreis, bij terugkeer in Sri Lanka geen bescherming meer kunnen bieden. Verzoeker wijst erop dat hij in 1984 is opgepakt door de LTTE en bij terugkeer ook problemen met de LTTE zal krijgen, omdat hij actief is geweest voor de EPRLF, de tegenpartij van de LTTE. De president overweegt als volgt. 2.7 Voorop gesteld moet worden dat de vluchtmotieven van verzoeker geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat verzoeker als Tamil behoort tot de risico-groepen die zijn genoemd in de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats in de uitspraak van 18 juni 1999 (AWB 99/3711). 2.8 De president is van oordeel dat verweerder in de bestreden beschikking terecht heeft overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker in de bijzondere negatieve aandacht van de Srilankaanse autoriteiten is komen te staan. Verzoeker heeft zich als aanhanger van de EPRDF niet als tegenstander van de Srilankaanse overheid geprofileerd. Hij heeft desgevraagd uitdrukkelijk verklaard nimmer problemen met de autoriteiten te hebben gehad. Uit de verklaringen van verzoeker betreffende de aanhouding in Colombo kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een routine-controle waaraan geen op de persoon van verzoeker gerichte motieven ten grondslag hebben gelegen. De omstandigheid dat verzoeker in mei 2000 vanwege zijn banden met de EPDP, een partij die samenwerkt met de Srilankaanse autoriteiten, kort na zijn aanhouding door de autoriteiten in Colombo onvoorwaardelijk is vrijgelaten, duidt er niet op dat verzoeker ten gevolge van zijn vertrek uit de - regeringsgezinde - EPRDF in maart 2000, in de negatieve belangstelling van de overheid zou staan. Wat er ook zij van de problemen die verzoeker verwacht van de kant van de LTTE, verzoeker kan zich hieraan onttrekken door zich (tijdelijk) in door de Srilankaanse autoriteiten gecontroleerd gebied te vestigen. 2.9 De vraag of een uit het buitenland terugkerende, oorspronkelijk niet uit Colombo afkomstige, Tamil een real risk in de zin van artikel 3 EVRM loopt bij verblijf in Colombo, beantwoordt de president ontkennend onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent door de fungerend president van deze rechtbank en nevenzittingsplaats is overwogen bij (Ac) uitspraken van 22 september 2000 (geregistreerd onder nummers AWB 00/8059, 00/8060 en 00/8061 VRWET H en AWB 00/7895, 00/7896 en 00/7898 VRWET H). In zijn uitspraak van 27 oktober 2000 (reg. nrs. AWB 00/63370 & 00/63372 & 00/63376) heeft de president van deze rechtbank en nevenzittingsplaats nogmaals het oordeel neergelegd dat, gelet op de op dat moment beschikbare informatie over de situatie in Sri Lanka, de in de aanhef van deze overweging geformuleerde vraag ontkennend beantwoord dient te worden. Niet is gesteld dat zich ten aanzien van verzoeker individuele feiten en omstandigheden voordoen op grond waarvan thans een andersluidend oordeel gegeven zou moeten worden. 2.10 Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De president ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Dat brengt mee dat het verzoek om voorlopige voorziening bij gebrek aan belang dient te worden afgewezen. 2.11 Voorts ziet de rechtbank geen grond om de oplegging dan wel de voortduring van de aan verzoeker opgelegde maatregel onrechtmatig te achten. De toepassing ervan is in overeenstemming met het terzake door verweerder gevoerde beleid dat is neergelegd in hoofdstuk B7/14 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de belangen van verzoeker bij invrijheidstelling zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de toepassing en voortduring van de maatregel is niet gebleken. 2.12 Ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is derhalve ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen. 2.13 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken. 3. BESLISSING De fungerend president: 3.1 verklaart het beroep ongegrond; 3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank: 3.3 verklaart het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond; 3.4 wijst het verzoek om toekenning van schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.H. Franke, fungerend president, tevens lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 13 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon als griffier. afschrift verzonden op: 13 november 2000 RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing inzake schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a van het Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem. Voor het overige staat geen gewoon rechtsmiddel open.