
Jurisprudentie
AB0362
Datum uitspraak2001-02-05
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903520/1
Statusgepubliceerd
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers199903520/1
Statusgepubliceerd
Uitspraak
Raad vanState
199903520/1.
Datum uitspraak: 5 februari 2001
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Besloten Vennootschappen Terschelling Recreatie De Riesen B.V. en Terschelling Recreatie Tjermelân B.V., gevestigd te Terschelling Hee respectievelijk Terschelling Oosterend, appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 25 oktober 1999 in het geding tussen:
appellanten
en
burgemeester en wethouders van Terschelling.
1. Procesverloop
Bij besluit, verzonden op 14 april 1998, hebben burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: burgemeester en wethouders) geweigerd appellanten een vergunning te verlenen om vooraf gereserveerde huurfietsen in te nemen en af te geven op het veerhaventerrein.
Bij besluit, verzonden op 30 oktober 1998, hebben burgemeester en wethouders dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De beslissing op bezwaar en het advies van de Commissie voorbereiding beroep- en bezwaarschriften van 12 augustus 1998, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 25 oktober 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 2 december 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief, verzonden op 23 maart 2000, hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend. Op 31 augustus 2000 hebben zij deze memorie aangevuld.
Bij brief van 31 januari 2000 heeft derde-belanghebbende [derde] een memorie ingediend. Deze memorie is bij brief van 5 oktober 2000 aangevuld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door E. Kuiper, directeur, en H. van Ravenhorst, advocaat te Arnhem, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G. Martens, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar verschenen [derde], vertegenwoordigd door zijn neef [neef derde] en mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 5.2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening van Terschelling (hierna: de APV) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats:
a. met een voertuig, een kraam, een tent, een tafel of enig ander middel een standplaats in te nemen of te hebben teneinde in de uitoefening van de handel goederen te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken, dan wel diensten aan te bieden, bijeenkomsten te houden of vermaak te bieden.
b. anderszins goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan publiek.
Ingevolge artikel 6 van de APV, voor zover thans van belang, kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van de openbare orde en de verkeersvrijheid of -veiligheid.
2.2. Appellanten zijn campinghouders op Terschelling. Zij wensen op het veerhaventerrein van Terschelling, op een strook van het parkeerterrein die is gereserveerd voor campinghouders voor het innemen en afgeven van bagage aan hun gasten, tevens vooraf gereserveerde fietsen af te geven en in te nemen. Primair zijn zij van mening dat daarvoor geen standplaatsvergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 van de APV benodigd is. Omdat burgemeester en wethouders zich op het standpunt hebben gesteld dat wel een standplaatsvergunning nodig is, hebben appellanten bij brief van 3 maart 1998 niettemin een dergelijke vergunning aangevraagd.
2.3. In de beslissing op het bezwaarschrift hebben burgemeester en wethouders gemotiveerd beslist dat voor de activiteiten die appellant wensen te ondernemen wel een standplaatsvergunning nodig is. Tevens hebben zij in dit besluit de weigering om deze vergunning te verlenen, gehandhaafd.
2.4. Met betrekking tot de uitleg van artikel 5.2.3, onder a, van de APV gaat de Afdeling uit van de tekst zoals, die in de APV is neergelegd en niet van de parafrase daarvan in de beslissing op bezwaar. Zij is van oordeel dat burgemeester en wethouders genoemde bepaling terecht hebben uitgelegd in deze zin dat onder het aanbieden van diensten mede is begrepen het in het kader van een commercieel arrangement aanbieden en innemen van vooraf gereserveerde fietsen aan camping-gasten vanaf een aanhangwagen van een aan de weg geplaatst campingbusje. Terecht heeft de rechtbank derhalve overwogen dat de genoemde activiteiten een vergunning behoeven. Dat niet ter plekke voor de dienst wordt betaald, leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet uit de bepaling kan worden opgemaakt dat dat een voorwaarde is. Het afgeven en innemen van bagage op het haventerrein is voorts niet vergelijkbaar met de afgifte en inname van vooraf gereserveerde fietsen. De aanwezigheid van bagage op het haventerrein is, in tegenstelling tot die van fietsen, immers onontkoombaar, terwijl anderzijds met betrekking tot bagage geen overeenkomst is gesloten. De stelling van appellanten, dat geen fietsen aan het publiek worden aangeboden als bedoeld in artikel 5.2.3., onder b, treft geen doel, nu uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat op grond van artikel 5.2.3., onder a, reeds een vergunning is vereist.
2.5. Uit de tekst van artikel 6 van de APV volgt dat de weigering van een vergunning een discretionaire bevoegdheid van burgemeester en wethouders betreft. Dit betekent dat de beslissing van burgemeester en wethouders door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. De rechtbank is op goede gronden, die door de Afdeling worden overgenomen, tot de conclusie gekomen dat geen reden bestaat voor het oordeel dat sprake is van een zodanige onevenwichtige afweging van de betrokken belangen, te weten het belang van de openbare orde en de verkeersvrijheid of -veiligheid enerzijds en de door appellanten gestelde belangen anderzijds, dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid de beslissing om conform hun beleid de vergunning te weigeren, hebben kunnen handhaven. Hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
2.6. Ten slotte heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat burgemeester en wethouders in de positie van [vergunninghouder 1]] (hierna: [vergunninghouder 1]]) en [vergunninghouder 2] (hierna: [vergunninghouder 2]) geen grond hebben hoeven zien om over te gaan tot vergunningverlening aan appellanten. Bij vergunningverleningen in 1994, waarbij [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] werd toegestaan op een apart deel van het haventerrein vooraf gereserveerde fietsen af te geven en in te nemen, werd door burgemeester en wethouders rekening gehouden met rechten die waren verkregen in de tijd dat Rijkswaterstaat eigenaar was van het terrein. De situatie van appellanten is dan ook niet met die van [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] te vergelijken.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Korthals Altes w.g. Zegveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2001
43-295.
Verzonden: 5 FEB. 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,