Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0360

Datum uitspraak2001-03-01
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/072598-97
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ARNHEM MILITAIRE KAMER STRAFVONNIS In de zaak van: de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen: K., W. J., Advocaten: mr. H.J.M.G.M. van der Meijden te Nijkerk en mr. M.H.M. Boekhorst te Arnhem. Parketnummer: 05/072598-97 Zitting: 14, 15 en 16 februari 2001 (TEGENSPRAAK) Uitspraak: 1 maart 2001 1. DE TENLASTELEGGING Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Een kopie van de dagvaarding is hierna opgenomen als bijlage I, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden beschouwd. Door de officier van justitie is een nieuwe dagvaarding betekend voor de terechtzitting van 14 februari 2001, welke voor wat betreft de tenlastelegging eensluidend is aan de hiervoor vermelde dagvaarding en evenals de oorspronkelijke dagvaarding verwijst naar de kennisgeving van verdere vervolging. De rechtbank laat die nieuwe dagvaarding voor wat betreft de tenlastelegging buiten beschouwing en verstaat deze niet als een nieuwe vervangende dagvaarding, maar als een dagvaarding waarin de oproepingsfunctie voorop staat en verdachte voorts in verband met de tussentijdse processuele handelingen en de verstreken periode nog eens kennis wordt gegeven van het verwijt waarvoor verdachte op de terechtzitting van 14 februari 2001 terecht staat. Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 2. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De zaak is op 14, 15 en 16 februari 2001 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte werd bijgestaan door zijn raadslieden mrs. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Nijkerk en M.H.M. Boekhorst, advocaat te Arnhem. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren. De officier van justitie heeft te kennen gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de rechtbank aan verdachte in plaats van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte oplegt. De verdachte en de raadslieden hebben het woord tot verdediging gevoerd. 2a. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE De raadslieden hebben gepersisteerd bij hun eerdere verweer inzake de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het standpunt van de verdediging komt er op neer dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijk procesrecht, welke schending zodanig ernstig is, dat deze moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. De raadslieden hebben naast de reeds eerder aangevoerde argumenten, aangevoerd dat de geluidsbanden waar zij de officier van justitie om hadden gevraagd nog steeds niet beschikbaar zijn gesteld. Ook dit handelen van de officier van justitie zou moeten leiden tot zijn niet-ontvankelijkheid. De rechtbank verwerpt het beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, voor wat betreft de reeds eerder aangevoerde argumenten op basis van het door de militaire kamer van het gerechtshof te Arnhem op 25 oktober 2000 uitgesproken arrest en de daarin omschreven gronden. Ten aanzien van het argument van de verdediging betreffende de opgevraagde banden is de rechtbank van oordeel, dat dit niet kan leiden tot het oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zou zijn in zijn strafvervolging. 3. DE MOTIVERING VAN DE BESLISSING Door het hof is in zijn beschikking van 8 oktober 1999 op het beklag strekkende tot de vervolging van een derde verdachte in deze zaak, op grond van het toen beschikbare feitenmateriaal - weergegeven onder de alinea’s genummerd 4.1 (tijdsbalk) en 4.2 (tijdstip dood dan wel zwaar lichamelijk letsel) - overwogen - onder alinea 5.1 - dat het het meest waarschijnlijk lijkt dat de meeste mensen aan boord van het vliegtuig reeds zijn overleden tengevolge van de grote hitte (en, naar het oordeel van de rechtbank, de daarbij opgetreden effecten, zoals rookgasvergiftiging, zuurstofgebrek en inwerking van toxische en etsende hete gassen, alsmede huidverbranding), in de eerste minuten na de crash en derhalve voor, danwel kort na de aankomst van de basisbrandweer. Het hof heeft daarbij voorts overwogen dat aannemelijk is dat op dat moment de (nog) levenden allen zwaargewond zijn. Ten aanzien van de vraag op welk moment na die eerste minuten bij de nog niet overleden slachtoffers de dood is ingetreden of onomkeerbaar dodelijk letsel is ontstaan, kan blijkens het oordeel van het hof niets met zekerheid worden gezegd. De nadien beschikbaar gekomen bewijsmiddelen, noch het onderzoek ter terechtzitting, hebben op deze conclusies een ander licht doen schijnen, zodat de rechtbank deze conclusies overneemt. De rechtbank is voorts van oordeel dat op grond van de beschikbare gegevens niet is komen vast te staan dat, zelfs bij het meest adequaat mogelijke optreden van verdachte en de onder zijn leiding optredende basisbrandweer, vóór 18.23 uur (omstreeks tijdstip van de zogenaamde tweede ‘’knock-down’’) een aanvang had kunnen worden gemaakt met het binnentreden van het vliegtuig en kort daarna - na verloop van meer dan 20 minuten na de crash - het eerste slachtoffer uit het vliegtuig had kunnen worden gehaald. Gelet hierop is het voor het vaststellen van de causaliteit tussen de verdachte verweten gedragingen en het overlijden c.q ernstig gewond raken van slachtoffers essentieel dat blijkt dat het tijdsverloop tussen omstreeks 18.23 uur en omstreeks 18.41 uur, het moment dat de eerste twee slachtoffers het vliegtuig hebben verlaten en de redding van de overige slachtoffers op gang kwam, voor de slachtoffers tot fatale dan wel ernstiger verwondingen heeft geleid. De rechtbank is mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat ten aanzien van geen van de slachtoffers dit oorzakelijk verband is bewezen. Het vorenstaande komt naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk in een ander licht te staan indien verdachte het bericht dat hij scenario twee had afgekondigd had laten bevestigen of zelf zou hebben herhaald. Op grond van deze overwegingen komt de rechtbank tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. 4. DE BESLISSING De rechtbank, recht doende: Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij. Aldus gewezen door: mr. G. Bracht, vice-president als voorzitter, mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter, luitenant-kolonel mr. A.M. van Gorp, militair lid, in tegenwoordigheid van J.L. de Vos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 maart 2001.